Niet weten maar wagen

Zij is een actrice die niet van fake houdt. Ze wil echt zijn, eerlijk en rechtstreeks, zonder angst voor de confrontatie. Maskers af. Op haar gezicht geen ‘prime-time-smile’ als ze zich melancholisch voelt, of depressief. Adelheid Roosen wil zichzelf mogen zijn. En in boeken kan zij stukjes van de puzzel vinden die haar completer maken.
Het blaffend onthaal van haar zwarte hond K.donz galmt door de gangen van de oude school. Een paar jaar geleden was hier nog de Academie voor Kleinkunst gevestigd, het theatergenre waarmee Adelheid Roosen bekend werd. In een van de lokalen waar voorheen druk gezongen, gedanst en geacteerd werd, bevindt zich nu het ‘kantoor’ van Adelheid. Een kantoor met oranje muren, Afrikaanse beelden, een gipsen Madonna, schilderijen waarop de actrice is afgebeeld, een tafel bedekt met theaterfoto’s en paarlemoeren schelpen op de vensterbank.

Als een acrobaat hangt de veertig jarige actrice aan de ladder voor haar boekenkast. De kast reikt tot aan het plafond van het hoge klaslokaal. Hoog boven mij glijden haar handen langs de planken, terwijl ze de systematiek van haar boekenkast uitlegt: een indeling op fasen en activiteiten in haar leven. De kinderboeken gaan over in John Cleese en andere humor. Planken vol toneelstukken en boeken die gaan over theater en televisie. ‘En op deze plank staan de stukken waaraan ikzelf heb meegewerkt, inclusief de boeken die ik ter inspiratie voor een speciale voorstelling heb aangeschaft. Bijvoorbeeld het etiquetteboekje ‘Hoe hoort het eigenlijk’. Gekocht toen ik een vrouw speelde die ik een tik wilde meegeven. Een andere keer neem ik een geschiedenisboek ter hand en lees ik over Hitler, omdat ik dan een rol speel van een destructieve vrouw, die alles wat er aan gevoel in haar zit, vermoordt.


Sinds wanneer ben je zo’n verwoed lezer?

‘Op de middelbare school heb ik het boek ontdekt. Ik heb me kapot gelezen voor mijn lijst. Marguerite Duras las ik. Rainer Maria Rilke en Peter Handke, beiden nog steeds favoriet. Als ik hen lees trilt er iets in mij mee. Dat gebeurde me ook met Hadewijch. We hadden er één les over en ik was er zo door gegrepen, dat ik er mijn Nederlandse scriptie over heb geschreven. Ik was een jaar of achttien. Als ik het nu terug lees, denk ik: wat heb ik daarvan begrepen? Maar ik heb iets gevoeld. Het hooglied, het kluizenaarsbestaan, de non die zich afzondert om de diepte in te gaan, daarin heb ik iets herkend. Die vrouw zat in zichzelf iets uit te wroeten, zij wilde het mystieke ervaren. ‘Oh, religie kan dus gaan om het mystieke in plaats van dogma’s, om ontdekken in plaats van volgen’, begreep ik toen. Vanaf dat moment ging ik niet meer naar de kerk als het kind dat met haar ouders mee moet, maar ging ik vrijwillig. Ik schreef mijn scriptie tijdens de mis, die ik met de ogen van Hadewijch probeerde te volgen. Het religieuze was gewekt. Met het lezen van Hadewijch’s gedichten ging er ergens een doosje open in mijn bestaan. Daarvoor zat ik met alle doosjes dicht op mijn kamer.’


‘Weet je welk boek in die tijd ook een grote indruk op mij heeft gemaakt?’ Ze hangt met één hand aan een sport van de ladder en reikt met haar andere naar ‘De juwelen haarkam’ van Maria Dermoût, een auteur die veel schreef over de oud-Indische cultuur. ‘Zóóó mooi. Door Dermoût kwam ik voor het eerst in aanraking met een cultuur die ik niet kende maar via haar boek in mijn lijf kon voelen. Dat heb ik vaker. Dat boeken een wereld beschrijven waarover ik nooit heb horen spreken, maar die ik wel in mijzelf ervaar. Door het boek wordt die wereld wakker. Sinds de middelbare school heb ik altijd een bij me. Als dat boek indruk maakt, brandt het in mijn tas. Ik lees verder zodra ik kan, al is het maar een bladzijde, al zijn het maar vijf minuten. Ik lees als ik even moet wachten, ik lees in de tram, op de halte, soms zelfs lopend op straat; dat is vrij gevaarlijk. Het kan een wereld worden waarin ik nog liever verkeer dan in de alledaagse realiteit. De personages gaan echt leven. Ik draag het verhaal in me mee.’


Is het om het verhaal dat je boeken leest?

‘Ik ben gek op verhalen. Achter elk gezicht zit een verhaal. Wie is die mens, wil ik altijd weten. Ook nu, hier, tegenover jou. Wat heb jij voor een leven? Wat zijn jouw innerlijke drijfveren. Welke keuzes maak jij en waarom? Kom je daardoor in conflict of niet? Wat spiegel je, wat projecteer je? Wat voor een ontwikkeling maak je door? Dát interesseert mij. Daarom houd ik van theatermaken. Ik denk dat ik mezelf totaal wil leren kennen en dat kan ik het beste in communicatie met de ander. Doordat jij iets zegt over wat je denkt, weet ik wat ik wel en niet denk. Zo werken boeken ook. In boeken kan ik stukjes van de puzzel vinden die mij completer maken. Het is de herkenning waarin ik mezelf weerspiegeld zie. Als een kind ontdek ik verbanden.’


In welk boek kwam jij bijvoorbeeld puzzelstukjes tegen?

‘In ‘Een nacht om te vliegeren’ van Renate Dorrestein Zij beschrijft de schraalheid van een kind dat geen aansluiting en begrip vindt bij haar ouders als. Ook als Neeltje Maria Min over de kindertijd schrijft herken ik iets en weet tegelijk dat ik de puzzelstukjes uit mijn eigen jeugd nog niet compleet heb. Zij schrijft zo dat je iets vermoedt, zonder de feiten te krijgen.’ Adelheid zingt zachtjes een zin uit een gedicht van Neeltje Maria Min: ‘Dit is de laatste avond dat wij spreken, want dit vertrek duldt geen geluid…’ ‘Gedichten brengen mij in een zachtmoedige roes. Het is een cryptogram dat de dichter niet rationeel oplost, maar gevoelsmatig. Hij pakt het probleem niet concreet beet, maar brengt je naar een beeld in jezelf. En dat vind ik zó tof! Het spreekt iets anders aan dan het intellectuele, dat eigenlijk een beperking is, de halve werkelijkheid. Wetenschappers denken dat je objectiviteit nodig hebt om de wereld te kunnen bevatten. Als je dat denkt, ontgaat je ongelooflijk veel.’


Heb je iets tegen intellectuelen?

‘Nee, maar de manier waarop ze met kennis omgaan is vaak niet intelligent. Het draait te vaak om gelijk willen hebben en om de status die aan het weten kleeft: ‘Wat weet ik dat jij niet weet, dan sla ik je daarmee om de oren.’ Je hóeft kennis niet te gebruiken als macht, je kunt haar ook delen. Ik zou willen dat mensen dingen zouden wagen, in plaats van te weten. Het is zo dood, zo gestold om iets beter te weten. Ik lees niets van wat ‘je gelezen moet hebben’. Boeken vallen mij toe.’


Maar denken geeft toch ook grote mogelijkheden?

‘Tuurlijk. Fritjof Capra vind ik een intellectueel in de goede zin van het woord. Bij hem zie ik de schoonheid, de vrijheid en de kracht van het denken in bijvoorbeeld ‘De tao van de fysica’. Ik droom regelmatig in wiskundige vormen, al ben ik geen held in wiskunde. In zo’n droom snap ik dan iets, en dat geeft mij een heerlijk gevoel, alsof ik verbonden ben met alles. De materie voelt niet ingewikkeld, maar licht. Als ik wakker word heb ik dat gevoel nog, maar weet ik niets meer. Capra heeft dat soort grote inzichten en legt grote verbanden terwijl hij wakker is. Door hem snap ik het gevoel in m’n dromen. Het lijken kosmische verbanden. Kijk, ik kocht dit lapje in Turkije.’ Ze wijst op een met felle kleuren geborduurde doek aan de muur. ‘Ik dacht: ‘Mooi tafelkleedje.’ Maar in Turkije knippen ze het door en dan zijn het de kraag en twee manchetten van een blouse. Het is maar op welke manier je naar iets kijkt. Dat is wat Capra in het groot doet. Zijn helderheid geeft een doorzicht, je gaat een vierde dimensie zien. Bij Capra vind ik op een verhevigde, intensere manier mijn eigen neiging terug om verbanden te willen leggen. Verbanden tussen culturen bijvoorbeeld.’ Ze heeft een flinke stapel kunst- en fotoboeken over andere culturen. Veelal uit landen die ze op een van haar reizen bezocht. ‘Zo kwam ik bijvoorbeeld in aanraking met de Ndebele, een bevolkingsgroep in het zuiden van Afrika. Als ik hun woningen zie, verbaas ik me erover dat de wereld kan roepen: ‘Die wonen nog in hutten.’ De Ndebele wonen in kunstwerken. Ze hebben de lemen muren van hun optrekje beschilderd en er een klein paleisje van gemaakt. Moet je zien hoe ontroerend mooi.’ Ze komt dicht naast me zitten met het fotoboek ‘Ndebele, the Art of an African Tribe’ van Margaret Courtney-Clarke. ‘En dan deze’, roept ze en legt er het boek ‘Painted Prayers’van Stephen P. Huyler naast. ‘Deze woningen staan in India, ook weer beschilderd met rituele patronen. Allemaal schilderijen. Wat een connecties tussen mensen over de wereld. En moet je nu dit zien: ‘Art that Heals, The Image as Medicine in Ethiopia’, door Jacques Mercier. In Ethiopië schilderen ze hele vertellingen in beeldverhaal op de binnenmuren van hun huis. Schilderingen die speciaal gemaakt worden als een bewoner ziek is, als een meisje voor het eerst ongesteld wordt of als een vrouw gaat trouwen. In het huis van de aanstaande bruid wordt bijvoorbeeld het hele maatschappelijke systeem rondom huwelijk getekend om de vrouw voor te bereiden op haar nieuwe positie in de samenleving. Ze zijn een week aan het schilderen. Maar de volgende dag komt daar gewoon weer een tekening overheen, van wat het leven op die dag brengt. Ik houd zo van die platen. Jammer dat je in de boekenkast altijd tegen de rug aankijkt. Ik zou een boekenkast willen waarin de boeken open kunnen staan. Mooie platen, inspirerende teksten. Sommigen noemen het heilig schennis, maar het eerste wat ik doe als ik een boek in handen krijg, is de kaft breken, om er een open boek van te maken.’


Waarom wil je verschillende culturen zo graag met elkaar verbinden?

‘Ik geloof dat ik dat allemáál ben. Ik geloof niet dat ik uitsluitend Nederlander ben, al werd ik hier geboren. Ik ben opgegroeid op joods-christelijke fundamenten ja, maar er zijn zoveel aspecten van andere culturen die ik ook begrijp. Door me in een andere cultuur te verdiepen, snap ik iets van mezelf. Dat werkt net als bij de boeken. In tien verschillende culturen vind je tien verschillende soorten eten, muziek, klederdracht. Maar al die verschillen passen mij ook. Ik kan er in. Dat fascineert mij. Daarom houd ik ook van acteren. Ik speel steeds weer een ander deel van mezelf in rollen. Ik heb nooit de ambitie gehad om actrice te worden. Zoiets komt op mijn pad en dan pak ik het op. Maar ik wil ook andere dingen kunnen doen, het medium kunnen kiezen dat het beste past bij wat ik wil uitdrukken. Dat kan de ene keer theater of muziek zijn, de andere keer een schilderij. Als ik op officiële formulieren mijn beroep moet invullen, voel ik me vastgeprikt als ik actrice opschrijf. Dat is zo beperkt. Ik vul ‘ondernemer’ in.’


‘Weet je van welke boeken ik ook heel gelukkig word? Van lege, nog in te vullen boeken. De leukste soort vind ik blanco dummies met een echte, gedrukte kaft. Ik heb hier een pracht- exemplaar.’ De kaft belooft: ‘Een vriendschap in brieven, 1903-1910’ tussen Rainer Maria Rilke en Lou Andreas Salomé. Een leeg boek met een titel. Dat daagt me uit. Misschien wel omdat ik een echte dagboekschrijver ben. Ik houd ook van dagboeken van anderen. Vooral als er ook tekeningen in staan, zoals in het dagboek van de Mexicaanse kunstenares Fridah Kahlo. En ik ben de gelukkige bezitter van een uitgave van het niet makkelijk te krijgen dagboek van kunstenaar Georges Braque.’


Staan er in je eigen dagboeken ook tekeningen?

‘Ja. Ik kan een uur bezig zijn met letters tekenen en inkleuren. Dat is bijna meditatief. En dan staat er een zin. Toen ik me helemaal leeggezogen voelde omdat ik veel te hard gewerkt had, stond daar bijvoorbeeld: ‘Ik ben niet beschikbaar’.’ Ze toont me fragmenten uit haar dagboek. Hier een statement in felle kleuren, daar de kern van een goed gesprek of een klein, maar kostbaar inzicht. ‘Ik heb geen doel, ik ben bedoeld’, staat er ergens. Adelheid: ‘In plaats van gewoon te zijn, identificeren veel mensen zich met wat ze zouden moeten zijn. In het contact met anderen vragen ze zich vooral af of het hun eigen status verhoogt. En niet: wie ben jij? Als mensen hun zekerheden niet zo aan het status-masker zouden ontlenen, als ze niet zo bezig zouden zijn met wat de wereld van hen vindt, dan zouden we meer in vrede leven. Ik vraag me ook af waarom mensen steeds maar onderscheid willen maken? Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: respect, waargenomen worden, op de stroom van liefde zitten en mogen creëren. Ik vind het pijnlijk om te zien hoe weinig autonoom sommige mensen zijn.’


Ben jij autonoom?

‘Ja. Mensen zeggen vaak: ‘Jij kunt zo goed jezelf zijn’. Ik moet lachen om die paradoxale formulering en de verbazing erachter. Het is niet een kwestie van goed kunnen, maar van zijn. Het rare is dat je, door jezelf te zijn, vijanden creëert. Het weghalen van facades is kennelijk bedreigend. Lang dacht ik: ‘Iedereen wil toch het echte in zichzelf naar boven halen?’ Soms moet je daarvoor de voordeur intrappen. Als iemand dat bij mij doet, ervaar ik dat als een rituele wassing. Mijn ego doet wel pijn van de aanval, maar belangrijker is dat ik iets zie wat ik eerst niet zag. Dan kan ik echt uitroepen: ‘Dat is wáááár zeg!’ ‘A rose is a rose is a rose’ staat in een cirkel op het kussen, waarop Adelheid Roosen is neergeploft.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2623   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift