Nieuwe Vlaamse Wapenwet: meer mazen dan net

De ‘Arabische lente’ bracht onze Vlaamse wapenuitvoer naar het Midden-Oosten op een pijnlijke manier in het vizier. We zagen pantserwagens met Vlaamse onderdelen Bahrein binnenvallen. Hoe kunnen we dit vermijden? Eenvoudig: een Vlaamse wapenwet met strenge criteria, een goed werkende controle en maximale transparantie.

De Vlaamse regering heeft nu een voorstel op papier gezet. Er is op bepaalde vlakken rekening gehouden met de bezorgdheden van de vredesbeweging. Maar het ontwerp houdt op verschillende punten nog een versoepeling in ten opzichte van de vorige wetgeving. Vredesactie vraag zich af of Vlaanderen hiermee de compromitterende wapenleveringen aan dictaturen en conflictregio’s in de toekomst zal kunnen vermijden.

België scoort!

België heeft de voorbije jaren massaal militair materiaal uitgevoerd naar Libië, Bahrein en de andere Golfstaten. Volgens de EU-rapporten was België binnen de EU de voorbije jaren de derde of vierde grootste leverancier van militair materiaal aan de Golfstaten. In 2008 was het zelfs de belangrijkste Europese leverancier aan Bahrein. België scoort dus beter dan haar soortelijk gewicht doet vermoeden in het leveren van militair materiaal aan dictators in het Midden-Oosten. Hoewel de Waalse industrie een belangrijk deel van deze export voor haar rekening neemt, gaat ook Vlaanderen niet vrijuit.

In theorie moet de Vlaamse wetgeving ervoor zorgen dat ‘onze’ wapens niet bijdragen tot mensenrechtenschendigen, en mag de Vlaamse wapenuitvoer niet leiden tot het verergeren van gewapende conflicten. Maar de voorwaarden voor uitvoer die vandaag in de wapenwet zijn ingeschreven, zijn niet streng genoeg om controversiële leveringen tegen te houden.

Het langverwachte nieuwe Wapendecreet biedt de kans om hier iets aan te veranderen. De Vlaamse regering werkte maandenlang achter gesloten deuren aan een voorstel, dat nu eindelijk openbaar werd gemaakt. Het ontwerpdecreet zal binnenkort worden voorgelegd aan het parlement.

Mensenrechten, what’s in a name?

Op het eerste zicht wordt in het nieuwe ontwerpdecreet veel aandacht besteed aan de toepassing van de mensenrechtencriteria. Men wil voorzichtig omspringen met landen die de mensenrechten schenden en met regio’s waar gewapende conflicten plaatsvinden. Een vergunning wordt geweigerd als er een duidelijk risico bestaat dat de goederen of de technologie gebruikt zullen worden bij het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het internationaal humanitair recht.

Maar de formulering laat heel wat achterpoortjes open. Wapenleveringen worden enkel tegengehouden als er een rechtstreeks verband is tussen het specifieke wapen enerzijds en op het terrein vastgestelde en officieel erkende mensenrechtenschendingen anderzijds. Ervaringen uit het verleden leren ons dat het onmogelijk is om deze link te bewijzen, tenzij het al te laat is. Ook een juridische aanklacht hiertegen is in de praktijk onmogelijk. De enigen die deze schending kunnen aanklagen zijn de rechtstreekse slachtoffers, zij die met een Vlaamse kogel in hun been (met hierop de markering wanneer en door wie geleverd) naar een Belgische rechtszaal zouden kunnen hinken.

De mensenrechtensituatie in een land moet het criterium zijn, zonder dat moet bewezen worden dat de specifieke wapenuitvoer tot schendingen bijdraagt.

In de praktijk is er een zeer hoge drempel vooraleer een uitvoervergunning geweigerd wordt. In het geval van de Golfstaten bijvoorbeeld is de kritiek jarenlang weggelachen. Het feit dat de parlementaire discussies over onze export naar het Midden-Oosten de wapenleveringen niet hebben kunnen tegenhouden, bewijst dat we nood hebben aan strengere voorwaarden op het vlak van de mensenrechten.

Hierbij moeten we vertrekken van het voorzorgsprincipe. De mensenrechtensituatie in een land moet het criterium zijn, zonder dat moet bewezen worden dat de specifieke uitvoer tot schendingen bijdraagt. Bovendien moet een mensenrechten- of vredesorganisatie de belangen van de slachtoffers in de algemene zin kunnen verdedigen. Een recht dat in het nieuwe ontwerpdecreet opvallend afwezig is.

Wat niet weet, niet deert

Tenslotte is er het probleem van de controle over de eigenlijke eindgebruiker van onze wapens. Als je er de wapenrapporten op naleest, blijkt dat de buitenlandse defensie-industrie als eindgebruiker vermeld staat voor het grootste deel van de uitvoer. Die industrie slijt haar producten aan de echte eindgebruikers. Hier verliezen we het zicht op de uiteindelijke gebruikers van de wapens.

De bedrijven waaraan wij leveren, exporteren in veel gevallen hun eindproduct vanuit een ander Europees land, richting wereldmarkt. De kans is groot dat de mensenrechtencriteria die deze landen hanteren voor hun export zwakker zijn dan de Vlaamse. Denk maar aan de ijver waarmee het Verenigd Koninkrijk levert aan Saoedi-Arabië en Israël, of aan de leveringen door Frankrijk aan Tsjaad. Hoewel Vlaanderen veel van deze uitvoer waarschijnlijk niet rechtstreeks zou durven goedkeuren, heeft het geen ‘harde’ controle ingebouwd op deze onrechtstreekse leveringen buiten de EU. Het argument hiervoor is de nieuwe Europese richtlijn op de handel in militair materiaal. Deze richtlijn laat de Europese defensie-industrie toe onderling samen te werken zonder vergunningen te moeten vragen voor exporten binnen de EU. Zo verdwijnt het grootste deel van onze export van de radar, omdat veel van onze afnemers zich in de EU bevinden.

De lidstaten zouden kunnen eisen dat hun toestemming gevraagd wordt wanneer dit materiaal de EU verlaat, na eerst binnen de EU verhandeld te zijn. Kunnen, maar niet moeten. Wie enkel denkt aan de economische opbrengst en niet wil weten wat de gevolgen zijn, kan zich ook verschuilen achter de andere lidstaten die maar moeten controleren. Resultaat zal zijn dat de defensie-industrie binnen de EU eerst zal uitvoeren naar het land met de zwakste controle, waarna vervolgens het materiaal de EU zal verlaten. Vlaanderen mist met dit ontwerpdecreet de kans de Europese richtlijn op zodanige wijze om te zetten dat het wel de controle behoudt.

Het nieuwe wetsontwerp is dan ook deels een gemiste kans voor Vlaanderen. Winst maken is nog steeds belangrijker dan mensenrechten. Het is nu aan de Vlaamse parlementairen om ervoor te zorgen dat hun morele verontwaardiging bij het zien van de pantserwagens met Vlaamse onderdelen die Bahrein binnenvallen, wordt omgezet in harde wetgeving.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3184   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift