Sarah Chayes, correspondent uit Afghanistan, klapt uit de journalistieke biecht

"Nieuws uit Afghanistan interesseert de mensen niet"

Als radiocorrespondente botste Sara Chayes met de redacteurs in Washington, zeker als ze niet het nieuws bracht dat andere media ook brachten. Ze schrijft onder andere: ‘Het duurt heel lang om te leren hoe je achter iemands woorden een stukje kunt ontdekken van de waarheid die ze verhullen.’

  • CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0) CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)
CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

 

Als radiocorrespondente botste Sara Chayes met de redacteurs in Washington, zeker als ze niet het nieuws bracht dat andere media ook brachten. Ze schrijft onder andere: ‘Het duurt heel lang om de signalen te leren lezen, te leren hoe je achter iemands woorden een stukje kunt ontdekken van de waarheid die ze verhullen -om een beetje inzicht te krijgen in het onderliggende patroon.’ Wat vertelt dat ons over het nieuws dat we uit conflictgebieden zoals Afghanistan krijgen?

‘Afghanistan geeft zich pas bloot door intimiteit. En intimiteit kost tijd’, schrijft u. De meeste journalistiek is echter snelwerk.

Sara Chayes: Ik baseer mijn oordelen op de vele gesprekken die ik met de mensen voer, maar het blijft erg moeilijk is om je weg te vinden in de complexe verhoudingen die aan de basis liggen van wat Afghanen je vertellen. Er is een hele cultuur ontstaan waarin mensen je op heel gecamoufleerde manieren vertellen wat ze kwijt willen en verzwijgen wat volgens hen niet geweten hoeft te worden.
Ik heb me zeker wel eens vergist en ben ook echt om de tuin geleid door mensen die motieven voorwendden die hun acties uiteindelijk helemaal niet bleken te sturen. Ik heb bijvoorbeeld jaren gedacht dat iedereen in machtsposities er alles aan deed om de krijgsheren te verwijderen en te verdrijven. Vandaag besef ik dat er niemand was die daar oprecht naar gestreefd heeft.

Het probleem voor de rest van de wereld is dat je bijna zeker een vertekend beeld krijgt -àls je al informatie krijgt over Afghanistan- omdat de journalisten de tijd niet krijgen om hun werk ernstig te doen. Bij de parlementsverkiezingen in 2005 maakte ik een ware invasie van journalisten in Kandahar mee.
Twee jaar lang hadden we nauwelijks een journalist gezien, maar plots wou iedereen een stemhokje en een vinger met blauwe inkt zien. Een of twee dagen voor de verkiezingen streken ze allemaal neer, zochten ze de geschikte locatie en stuurden hun beelden en klankfragmenten door. Daarna pakten ze in en verdwenen ze weer. Je zou denken dat ten minste de Amerikanen zich zouden herinneren dat het echte verhaal niet plaatsvindt op de dag van de verkiezingen, maar bij het tellen van de stemmen.

In Kandahar waren er stembussen met stembiljetten die allemaal met dezelfde kleur inkt ingevuld waren, er waren stembussen die mee naar huis genomen werden om de vrouwen te laten te stemmen zonder buiten te komen, er waren stembussen die pas drie dagen later afgeleverd werden, er werden nullen toegevoegd bij de telling zodat de kandidaat met 35 stemmen er plots 350 achter zijn naam kreeg.
Maar op het moment dat die dingen gebeurden, was er geen enkele verslaggever meer in de stad. Geen enkele. Er zijn extreem weinig mensen die lang genoeg in Afghanistan zijn om er betrouwbaar over te berichten. En zelfs de paar uitzonderingen worden heel erg beperkt door het aantal woorden of minuten dat ze krijgen om hun verhaal te vertellen.

Is dat een vorm van censuur?

Sara Chayes: Echte censuur kom je zelden tegen, al is het me wel overkomen. Maar dat was in de periode vlak na 11 september 2001 en dus op het historische dieptepunt van de Amerikaanse journalistiek. Al die mensen die betaald werden om een kritische ingesteldheid te hebben, waren die plots kwijt. Die collectieve verdwazing is geen onschuldig neveneffect, ze bezorgde ons uiteindelijk de oorlog in Irak.
Zonder 11 september had de Amerikaanse regering nooit zoveel nonsens verkocht gekregen aan het Amerikaanse publiek. Daarvoor had ze de volgzaamheid nodig van de pers en die kreeg ze zonder meer in die periode. Je kan dus wel stellen dat Amerikaanse journalisten mee schuldig zijn aan een serie bijzonder destructieve gebeurtenissen in de wereld.

Hebt u daar een persoonlijk voorbeeld van?

Sara Chayes: Het nieuws dat ik uit Kandahar wou brengen kort na het vertrek van de Taliban, was de vaststelling dat het Amerikaanse beleid zichzelf tegenwerkte. Ik stelde immers vast dat de Verenigde Staten zowel de ene machtspretendent als zijn tegenstander steunde. Ik wist uit de gesprekken die ik de maand daarvoor gevoerd had met Afghaanse vluchtelingen in Pakistan dat de cruciale kwestie na de val van de Taliban zou zijn: wie slaagt erin om het machtsvacuüm in te vullen?

Toen ik daarom voorstelde om een stuk te maken over de steun die het Amerikaanse leger gaf aan de schurkachtige krijgsheer Gul Agha Shirzai in zijn streven naar het gouverneurschap van Kandahar, kreeg ik van de eindredacteur niet te horen dat zo’n bericht inging tegen het nationaal belang of dat ik me onpatriottisch opstelde. Het antwoord was het verhaal niet belangrijk en niet interessant was. Ik moest berichten over de gruwel van het Talibantijdperk, over de vrouwen die zo blij zouden zijn dat ze zonder boerka over straat konden lopen, kortom: de dingen die iedereen berichtte.

Ik vond dat Talibanverhalen een zaak van het verleden waren, terwijl er onder mijn ogen zaken gebeurden die de richting van de geschiedenis voor de komende jaren zouden bepalen. Maar dat interesseerde de luisteraars niet, volgens de redactie in Washington. Hoe weet zo’n man dat eigenlijk? Met wie eet hij ‘s avonds dat hij mij ‘s morgens kan vertellen wat De Amerikaanse Luisteraar interesseert? Nu ik zelf veel vaker in de studio van allerlei lokale radiostations zit voor praatprogramma’s waarbij luisteraars kunnen bellen met hun vragen, stel ik vast dat de luisteraars heel anders zijn dan wat Washington denkt.

Worden de hoofdredacteurs dan gestuurd door het Pentagon?

Sara Chayes:
Het is geen kwaad opzet of slechte wil, het is een sociologische dynamiek. De redacteurs die beslissen wat de mensen interesseert, hangen rond op recepties met mensen die de machtsstructuur in Washington bevolken -senatoren, woordvoerders, lobbyisten- en ze hebben die toegang ook nodig om hun werk te kunnen doen. Ze willen dan ook on speaking terms blijven met die kleine kring beslissers. Ik heb dat zelf ervaren door de enorme druk die de Pentagon-correspondent op mij uitoefende -wellicht omdat hij zelf moeilijkheden kreeg bij zijn werk door de berichtgeving die ik vanuit Afghanistan doorstuurde.

En dan hebben we het nog niet over de druk die de commercialisering van de kranten op de journalistiek gelegd heeft. Maar dat is een bekend verhaal. Het resultaat is dat steeds kleinere redacties de klus moeten klaren, terwijl we in deze tijden van mondialisering juist meer journalisten nodig hebben. En dat geldt dubbel voor een land als de Verenigde Staten dat over heel de wereld actief is en rampen aanricht. Als het publiek niet geïnformeerd wordt over de buitenlandse politiek van een regering, dan heeft die regering de handen vrij om gelijk welke stommiteit te begaan.

Maar als ik dat zeg of schrijf, krijg ik weer het verwijt dat ik naief ben. De hele Britse pers heeft mijn boek met dat verwijt bekritiseerd, terwijl ik gewoon niet wil toegeven aan het cynisme dat vermomd als wijsheid opgeld maakt.

U schrijft ook voortdurend dat u gelooft in de goede bedoelingen van allerlei actoren waarvan zelfs de man in de straat weet dat die op zijn zachtst betwijfelbaar zijn.

Sara Chayes: Toegegeven. Ik heb bewust gekozen voor het opschorten van wantrouwen. En ik geef toe dat dit soms tot erg bittere teleurstellingen geleid heeft. Maar ik wou de Amerikaanse regering op haar woord nemen, in de hoop dat ik daarmee meer impact zou krijgen op het beleid dan door er kritisch tegenaan te gaan.

Dat heeft niet gewerkt, maar dat betekent niet dat ik nu denk dat er alleen maar duistere belangen achter de oorlog in Afghanistan zaten en geen eerlijke bedoelingen. Al moet ik daar toch aan toevoegen dat ik denk dat Osama bin Laden en George Bush een soort objectieve bondgenoten zijn in het streven naar een tweedeling van de wereld. Ze gebruiken elkaar als Duivelse Vijand om binnen hun eigen invloedsfeer steeds meer sociale controle op te leggen en steeds meer macht over het leven van mensen uit te oefenen.

Ik gooi niet graag met grote woorden, maar vaak heb ik de indruk dat de twee leiders een eenentwintigste-eeuwse versie van fascisme ontwikkelen en installeren. Het gevecht tegen deze hedendaagse vorm van totalitaire maatschappelijke organisatie wordt hét gevecht van deze generatie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur