Ondergronds Griekenland in drie stappen

Filakio, opgericht in 2007, was het Hilton van de detentiecentra in Evros. Tenminste, zo had een cynische Atheense hulpverlener verteld. Een economische crisis en drie jaar zware verwaarlozing later is het centrum verworden tot een regelrechte aanfluiting voor de mensenrechten. Een onthutsende reportage over het Griekse asieldrama: van Evros over Omonia tot Patra.

  • tine danckaers Filakio, gesloten centrum in Orestiada, Evros, is overbezet tine danckaers

I. Aankomst: Evros

Aan de overkant moet Turkije liggen. Verder noordwaarts, nog voorbij de Griekse stad Orestiada, zie je bij helder weer de minaretten van Edirne. In de vroege herfstzon ademt de rivier Evros, die een natuurlijke landgrens trekt tussen Griekenland en Turkije, een bijna archetypische sereniteit uit. Maar schijn bedriegt, de sterke onderstroom van de Evros is verraderlijk. In oktober nog werd een man naar de bodem gesleurd toen hij het water indook. Hij zou hulp halen voor zijn lotgenoten die op een eiland waren achtergelaten door een mensensmokkelaar.

In Sidiro, een centraal gelegen Grieks-Turks moslimdorpje in het Griekse departement Evros –genoemd naar de rivier– liggen zes nog vers omgeschepte zandheuvels. Ze markeren de laatste rustplaats van zes onbekende personen, ergens op een lijst in de stad Alexandropouli geregistreerd onder de titel “illegaal”. Vermoedelijk zijn ze verdronken in de Evros of de Egeïsche zee in een wanhopige poging de begeerde Europese oever te bereiken.

In Evros situeert zich al langer een belangrijke illegale grensovergang voor migranten van het Afrikaanse continent. Maar in 2010 werd het de illegale toegangspoort nummer één voor Europa –het onderschatte gevolg van de vergrendeling van de West-Afrikaanse en Middellandse-zeeroutes. De Europese grenslanden Malta, Italië, Portugal, Spanje en hun eilanden versterkten hun bewaking op zee, maar vooral de bilaterale akkoorden met vertrek- en transitlanden als Libië, Algerije en Marokko verzegelden de zeegrenzen. Gevolg: in de eerste negen maanden van 2010 arresteerde de Griekse politie 96.398 immigranten voor de illegale toegang tot en verblijf op Grieks grondgebied, aldus actuele cijfers van het Griekse ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat komt neer op gemiddeld 357 personen per dag. Steeds meer mensen nemen daarbij de landroute via Evros. Vorig jaar waren er dat ongeveer 9000, dit jaar kwamen zo al 34.000 mensen Griekenland binnen, zegt de Griekse afdeling van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) op basis van officiële cijfers.

‘Dat is niet alleen schrikbarend veel, Griekenland is daar absoluut niet op voorzien’, vertelt een lokale advocate gespecialiseerd in vreemdelingenrecht, één van de weinigen die in deze afgelegen regio werkt. ‘Een degelijk asielbeleid ontbreekt. Er zijn geen opvangcentra, de capaciteit van de gesloten centra kan de instroom niet aan. De vluchtelingen krijgen geen toegang tot bescherming. Hulporganisaties vind je hier niet, vaak heb je het raden naar wat er juist gebeurt of niet gebeurt. Evros is het zwarte gat.’

En route

Net voorbij Kastanies, waar de hoofdweg zich afsplitst naar Turkije, ligt Marasia, een klein dorp achter de rivier. Bijna evenwijdig met de Evros trekt de spoorlijn, pal achter de plaatselijke koffieshop, een ijzeren voorgrens tussen Griekenland en Turkije. ‘Vanmorgen nog kwam hier een groep van ongeveer tien illegalen aan uit Turkije, hun kleren nat van door het water te waden’, vertelt de uitbaatster van de kafeneio. ‘Morgenochtend om zeven uur vind je hier een nieuwe groep.’ Ze woont hier nu vier jaar en heeft het nooit anders geweten. ‘Die mensen zijn op zoek naar een beter leven, dat recht hebben ze. Logisch toch, want ze stappen niet echt uit een luxeleventje ginder, integendeel.’ Of ze ook weet waar deze passanten naartoe trekken? Ze schudt het hoofd. De dorpelingen verwittigen de politie die de uitgeputte trekkers oppikt, vertelt ze. ‘Anders zitten ze vast. Taxichauffeurs of privépersonen mogen hen niet vervoeren want dat staat gelijk aan mensensmokkel.’

Wie illegaal de Turks-Griekse grens is overgestoken en zich op Grieks grondgebied bevindt, wordt systematisch opgesloten, in een politiecentrum of in een van de twee “speciale centra voor illegale vreemdelingen”, Filakio en Venna. Goed gedocumenteerde en recente rapporten van de ngo’s Amnesty International, Dokters van de Wereld en Human Rights Watch spreken daar klare taal over. Er is geen onderscheid tussen zij die op zoek zijn naar wat geregistreerd wordt als “een beter leven” en zij die uit conflictgebieden of extreme armoede komen, of persoonlijke politieke vervolging vrezen: Afghanen, Irakezen, Iraniërs, Somaliërs, Palestijnen, Pakistanen. Ook kwetsbare personen zoals minderjarigen en alleenstaande moeders met kinderen komen onherroepelijk in een centrum terecht.

Filakio is, samen met Venna, een gesloten opvangcentrum voor illegale immigranten in Evros. De betekenis van het woord opvang verkruimelt echter volledig zodra je voorbij de zwaar beveiligde omheining van Filakio stapt. Filakio, opgericht in 2007, was het Hilton van de detentiecentra in Evros. Tenminste, zo had een cynische Atheense hulpverlener me ingewijd. Een economische crisis en drie jaar zware verwaarlozing later is het centrum verworden tot een regelrechte aanfluiting voor de mensenrechten.

De hel van filakio

Aan de ingang van het centrum moeten camera’s en opnameapparatuur ingeleverd worden, instructies van het Griekse ministerie van Burgerbescherming. De “recuperatieruimte” is een levensgrote, gebarsten kijkkast waarin een man ons wezenloos aanstaart. Op de bedden voor hem liggen twee mannen. Wat ze mankeren, weten de bewakers niet. De arts werkt niet op zaterdag, klinkt het. Bovendien valt medische zorg onder de bevoegdheid van de Evros-prefectuur, de politie staat enkel in voor de bewaking.

Ik weiger beleefd het monddoekje dat aangeboden wordt wanneer we naar de centrale cellen gaan. Geen doekje kan de gruwel verzachten van wat je hier te zien krijgt. Een centrale gang loopt langs grote cellen, volgestouwd met mensen, mannen, vrouwen en kinderen samen, die in de hoogte en de laagte aan de tralies lijken te hangen. Een niet te harden stank, die samen met jaren opgehoopt vuil uit elke kier en hoek lijkt te druipen, nestelt zich ongenadig in mijn zintuiglijk geheugen. Een vrouw loopt af en aan tussen tralies en drankautomaat. Ze bedient de handen die een munt uit de tralies steken met een drankje, een pover stukje –betaalde– menselijkheid hier.

Een vrouw roept me huilend in het Arabisch toe, de kinderen voor haar kijken me met glazen ogen aan. ‘Dit is Europa’, zegt een man die me ziet terugstaren. ‘Joùw Europa’, voegt hij er zonder woorden aan toe. Gelegenheid voor een gesprek is er niet –interviews zijn niet toegestaan– maar de bewaker schenkt ons een beetje ruimte. Wat volgt zijn fragmentarische stukjes informatie, smeekbedes en vragen. Of ik er alstublieft voor kan zorgen dat ze in haar in beslag genomen reistas droge kleren voor haar zieke baby kan nemen, smeekt een jonge, Arabische vrouw.

De omstandigheden zijn onmenselijk, vertellen personen die soms al langer dan een maand vastzitten. Soms stromen de toiletten over met drek, er is onvoldoende toegang tot koud, laat staan warm water, het ongedierte zit overal. Maar vooral: niemand schijnt hier duidelijk te weten wat hem of haar te wachten staat, en of er kans is om hier nog uit te komen. En dan wordt ons bezoek afgebroken en moeten we naar buiten. Daar treffen we, op de omheinde buitenkoer, alweer een nieuwe lading gelukzoekers die al een hele dag in de koude staan te wachten. Ze zijn de afgelopen nacht of ochtend gearresteerd. Binnen kunnen ze niet, het centrum heeft zijn maximumcapaciteit in tweevoud overschreden. Anders dan hun al meer ervaren lotgenoten binnen, zijn deze mensen terughoudender. ‘We komen uit Palestina’, zegt een jongeman die er, net als zijn gezellen, verdacht Maghrebijns uitziet. En dan kijken ze weg. Ze zijn nieuw, volop in het eerste stadium van hun Europaroute. Deze economische migranten hebben nog alle hoop gevestigd op hun ingestudeerde reisverhaal.

II: toegangspoort Athene

Een enkeltje Athene kost zestig euro. In nog minder woorden staat het te lezen op een A4’tje dat buiten de hekken van Filakio uithangt. Wie de centen kan ophoesten neemt de bus die hier –cynisch genoeg– vertrekt, anderen nemen wellicht een alternatieve smokkelroute naar de hoofdstad. Of gaan te voet. We zien hen ’s avonds lopen langs de terugweg via Alexandropouli, een groep van tien man die in de gietende regen langs de snelweg stapt.

De centra in Evros zitten overvol, te vol om mensen lang te houden. Tot eind september zijn dit jaar 28.354 mensen terug de noordgrens overgezet. Bijna 13.000 mensen werden na hun verblijf in een detentiecentrum gerepatrieerd, vaak naar tussenlanden: Albanezen maar ook mensen uit instabiele landen –Irakezen, Afghanen, Pakistani’s en Soedanezen. De overgrote rest wordt vrijgelaten.

Families en minderjarigen komen volgens de politie na vijf tot tien dagen detentie vrij. Bij hun vrijlating krijgen ze een uitwijzingsbevel mee: binnen de dertig dagen moeten ze het Griekse grondgebied verlaten. Maar iedereen trekt –met medeweten van de politie– naar de hoofdstad, in de hoop daar papieren of een ticket richting centraal-Europa vast te krijgen.

Athene, stadium twee voor wie de Europa-Griekenlandroute aandoet, is de centrale vergaarbak voor immigranten. ‘Het heeft me bijna een jaar gekost om hier te geraken, waaronder zeven maanden opsluiting in Turkije en Evros. Na nog eens twee jaar in Athene heb ik het gevoel dat ik op de bodem van een grote emmer zit en hier nooit meer zal uitgeraken’, vertelt Kusha Bahrami. De Iraniër ontvluchtte zijn land nadat hij als dienstweigeraar in de problemen raakte. Door de Turkse afdeling van het VN-Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen werd hij erkend als politiek vluchteling, een papiertje dat in Griekenland geen euro waard blijkt te zijn.

Bahrami’s eerste asielaanvraag werd geweigerd. Hij wacht nu af of er überhaupt iets gebeurt met zijn tweede aanvraag, die mee op de stapel van 52.000 andere asieldossiers ligt. Kusha kan werken dankzij zijn roze kaart, die hij elke zes maanden moet hernieuwen. De kaart betekent inkomsten –geen hoop. De kans om een statuut of bescherming te krijgen in Griekenland is bijzonder klein. In 2009 kreeg amper 0,3 procent van de asielaanvragers internationale bescherming.

Petrou ralli

Soms stromen de toiletten over met drek, er is onvoldoende toegang tot koud, laat staan warm water, het ongedierte zit overal.
Elke zaterdag transformeert Petrou Ralli, een straat in Athene waar het gelijknamige politiecentrum is gevestigd, in een wachtplaats met honderden wachtenden. Twintig mensen worden telkens lukraak uitgepikt om naar binnen te gaan en hun aanvraag tot bescherming neer te leggen. ‘Meer kunnen we niet aan. Iedereen die ons land binnenkomt, eindigt in Attika (groot-Athene, td). Petrou Ralli is een te dunne flessenhals’, zegt politie-directeur Emmanouil Katriadakis, hoofd van de vreemdelingendienst van Attika.

Boven de burelen van de politie ligt het detentiecentrum van Petrou Ralli, goed voor 240 mannen en 120 vrouwen. De meesten wachten op deportatie, sommigen al langer dan zes maanden. Toegang tot de cellen krijg ik niet. Het bezoek blijft beperkt tot de gemeenschappelijke ruimtes, maar getuigen bevestigen dat ook hier de cellen te klein zijn voor het aantal bedden. Petrou Ralli is, samen met het detentiecentrum in de luchthaven van Athene, wel het enige centrum waar de Griekse staat medische zorg, in handen van de ngo Medin, toestaat. Met beperkte middelen voorziet de ngo in eerste medische zorgen, psychologische en beperkte legale bijstand. ‘Alleen al de lijst van mensen die geestelijk ziek zijn, telt gemiddeld vijftig tot zestig personen. Soms loopt het op tot honderd mensen, en dat zijn diegenen die hulp willen’, zegt Elipida Efthimiadou van Medin.‘Je kan je voorstellen welk effect dit heeft op de rest van de gedetineerden.’

Ook maar mensen

De problemen zijn enorm, de noden hoog en de consultaties te kort. Een Georgische asielzoeker krijgt te horen dat er een gerechtelijke uitspraak is over zijn dossier: hij wordt gedeporteerd. Hij was in het bezit van valse papieren, die hij voor grof geld van een advocaat kocht. Zijn vrouw en kinderen blijven in Griekenland, ze moeten rondkomen met een inkomen van 400 euro per maand. ‘Hoe ik me voel? Een levende dode.’ Of er is Hussein Arid uit Ordu, Pakistan. In de twee jaar Griekenland werd hij vijf keer opgepakt en telkens maanden opgesloten, tijd die hij niet kon werken. De zes maanden die hij vrij was, werkte hij in de bouw een deel van het “terugverdiengeld” bijeen voor zijn familie. Die betaalde 10.000 euro aan de smokkelaar die hem hier bracht, een investering voor de toekomst die maar weinig opbracht.

‘Mijn ex-man is er vandoor met mijn kinderen’, vertelt de Tunesische Mariem Abichou, die zichtbaar op instorten staat. Meer dan vier maanden zit ze –zonder enig spoor van haar twee kleine kinderen– opgesloten in Petrou Ralli. Haar Marokkaanse man bracht haar hier. Ze trouwden voor een imam, een papierloos huwelijk dat niet erkend wordt door de Griekse wethouder. Abichou, ook nog beschuldigd van betrokkenheid bij de drugshandel van haar ex-man, heeft geen poot om op te staan.

Politiedirecteur Katriadakis erkent dat het Griekse asielbeleid weinig humanitaire trekken vertoont. ‘Maar er is met de nieuwe regering (de socialistische regering-Papandreou is sinds oktober 2009 aan de macht, td) politieke wil om hierin verandering te brengen. De hervormingsplannen en wetsvoorstellen die voorliggen zijn goed maar laten op zich wachten.’ Het nieuwe actieplan oogt inderdaad indrukwekkend, vergeleken met het huidige non-beleid. Het geld om de plannen door te voeren ontbreekt echter. Het antwoord van Europa op de Griekse noodkreet om hulp –de versterking van de grenzen via extra interventies van het Europese grensagentschap Frontex– blinkt uit in het ontbreken van een humanitaire en duurzame visie. Mensenrechtenorganisaties ijveren ervoor dat Europese lidstaten het voorbeeld zouden volgen van België, Groot-Brittannië, Noorwegen en IJsland, die niet langer asielzoekers naar Griekenland terugsturen. Maar terwijl de Europese lidstaten naar hun navel staren, zwelt de humanitaire crisis in de straten van Athene aan.

Hoogspanning

Downtown Omonia, in het centrum van Athene, is het epicentrum van al wat fout kan gaan in een stad. Asielzoekers, drugshandelaars en prostituees zijn hier door elkaar gehusseld. Ze delen de straat en de hemel om te slapen, handelen en overleven. Mensen stappen in de drugstrafiek om een inkomen te genereren en beginnen zelf te gebruiken, zegt Elpida… De mensenhandel is hier stevig verankerd, vooral Afrikaanse vrouwen betalen hun dure reis naar Europa terug met hun lichaam. De straten tonen de resten van het harde nachtleven dat hier heeft plaatsgevonden: gebruikte condooms, achtergelaten schoenen, honderden sigarettenpeuken, lege hamburgerdozen…

Aan de overkant van een leeggelopen winkelcomplex staat een groep van honderden mensen te dringen. Om half twaalf kunnen 230 mensen hier, bij de ngo Caritas, terecht voor een warme maaltijd. De sfeer is gespannen, mijn fotocamera doet die alleen maar oplopen. ‘Vandaag is het kip, iedereen wil erin, maar het aantal plaatsen is kleiner dan de rij wachtenden’, vertelt een wachtende Iraniër. ‘Wie er niet in geraakt, moet afval eten of proberen bij de andere soepkeukens.’ De Caritasvrijwilligers vullen hier dagelijks de borden. Naast voedselbedeling richt Caritas zich ook op medische hulp, legale en gezondheidsbijstand, taalcursussen en kledingbedeling. ‘Het is beperkt, maar het is tenminste iets’, zegt Begona . Griekse ngo’s spartelen om te overleven. Goedlopende hulpprogramma’s die worden afgebroken omdat er geen geld is en werknemers die al maanden niet uitbetaald werden, zijn schering en inslag.

Athene kreunt onder het gewicht van de daklozen. ‘Toen ik donderdag naar de kerk stapte, nog geen kilometer hiervandaan, kwam ik geen enkele Griek tegen’, zucht de receptionist van het hotel. Athene is altijd al een licht ontvlambare stad geweest, maar vandaag zindert de lucht van de geladenheid. Steeds vaker worden racistische incidenten, soms ook zeer gewelddadige aanslagen, tegen migranten genoteerd. In arme “Griekse” buurten teren kleine fascistische partijen op het werkloosheidscijfer van twintig procent, de verpaupering van Athene en de frustraties van buurtbewoners. Jean en Mo uit Mali slapen met een stok. Jean: ‘We zijn zelf nog geen slachtoffer geworden van racisme, maar we voelen de adem heter worden, dus voorzien we ons.’

III: Vertrekpunt Patra

Havenstad Patra, op goed drie uur bussen van Athene, is het Griekse Calais nummer één. Nummer twee is Igoumenitsa, dichter bij de Albanese grens. Patra is de ondergrondse weg uit Griekenland, richting Italië of verder naar midden-Europa.

Hulporganisaties zijn hier nauwelijks. Enkel het Rode Kruis is aanwezig, met beperkte mankracht en middelen. En er zijn nog vrijwilligersnetwerken die hulp bieden waar tijd en geld het toestaan. Dit is de stad van de overlevers. Wie hier zit, heeft street credibility.

Elke dag proberen de “hangillegalen”, naar ruwe schatting minstens zevenhonderd, door te dringen tot de onneembare havenvesting. Ze wachten op dat ene onbewaakte moment, op een gaatje waarin ze kunnen verdwijnen om op de gegeerde ferry’s te geraken, onderaan de vrachtwagen of rechtstreeks via de zee, langs de ankerketting. De kansen om hier weg te geraken zijn klein, en wie in de Griekse haven gesnapt wordt, krijgt er vaak naast een teleurstelling een pak rammel door politie en havenpolitie bovenop. De enkelingen die de boot halen, worden vaak in Italië gesnapt en onverrichter zake teruggestuurd naar Griekenland.

Het centrum van de stad en de haven lopen bijna in elkaar over, je moet dus niet lang zoeken om gelukzoekers te treffen. Ze houden zich grotendeels op in de buurt van de spoorweg en de havenomheining. Een gesprek met één persoon eindigt hier steevast in een groepsgesprek van dertig man. De Maghrebijnen die ik aantref, willen allemaal praten, de frustraties van zich af zetten. En die zijn groot als je maanden op straat leeft in gore omstandigheden, zonder eten, water en toegang tot medische hulp, in een stadje dat hen kwijt wil. ‘We worden behandeld als stront, we worden overal weggejaagd.’ En als om dat te bevestigen, stapt een havenpolitieagent op ons af. Wat ik wil en waarom ik hier ben, wil hij weten. Ik vertel dat ik met de mensen praat en voeg eraan toe dat dat niet verboden is. ‘Voor jou niet, voor hen wel. Ze zijn hier zonder papieren’, luidt het antwoord. Hij wil geen discussie, doet enkel zijn plicht en die is er onder meer voor te zorgen dat deze mensen de pret van het cliënteel van de bistro achter ons niet bederven.
Hoe ze overleven, vraag ik even later. Sommigen krijgen geld toegestuurd van familie, sommigen werken in de bouw, in magazijnen, voor hongerlonen van twintig euro voor een dag van tien uur. ‘Ik wil naar België’, roept een Algerijn, die me zijn Belgisch paspoort laat zien. Algemene hilariteit, zijn overduidelijke kopie staat intussen bekend als een mislukte vervalsing. Voor paspoortvervalsing word je het land uitgezet, opper ik. Klopt, maar je weet nooit of je met een “flic stupide” te maken krijgt, antwoordt hij. ‘Dit is mijn pas naar Europa.’ Dit is toch Europa? ‘Ja hoor, en Amerika ligt in het Midden-Oosten.’

Slapen doen ze onder meer in het oude treinstation verder zuidwaarts, in oude wagons, onder een verweerde perronluifel, in het vroeger seinhuis, zelfs in containers. Een storthoop waar sommigen al twee jaar zitten, anderen minder lang. ‘Kom je terug?’, vragen ze als ik wegga. Morgen, zullen ze er dan nog zijn? Hoongelach. ‘Wij gaan nergens naartoe, madame. Ons vind je hier altijd. Tenzij…’

Meer over de Griekse asielcrisis in het dossier De Griekse asielcrisis interviews met de lokale politie, het verhaal van een Gambiaanse asielzoeker die teruggestuurd werd na twee jaar Zwitserland, en indrukken uit Sidiro, een centraal gelegen Grieks-Turks moslimdorpje in Evros.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur