O'Neill blijft dezelfde na Afrikabezoek met Bono

Tijdens een opvallend bezoek aan Afrika heeft U2-zanger Bono de ogen van de Amerikaanse minister van Financiën Paul O’Neill geopend voor Afrikaanse armoede. Maar dat heeft niets kunnen veranderen aan het Amerikaanse ontwikkelingsbeleid. Het is te vroeg om beleidsaanbevelingen aan te kondigen na dit bezoek, maar ik heb alvast heel wat geleerd. Dat zijn O’Neills woorden tijdens een toespraak voor de Universiteit van Georgetown, enkele dagen na zijn twaalfdaagse bezoek met Bono aan Uganda, Ethiopië, Ghana en Zuid-Afrika.



Doel van het bezoek was O’Neill te helpen een beleid uit te tekenen om de extra miljarden Amerikaanse ontwikkelingssteun, die president George W. Bush in maart had toegekend, goed te besteden.

O’Neill herhaalt het credo van het Amerikaanse ontwikkelingsbeleid: Wij in de ontwikkelde wereld moeten Afrikaanse leiders steunen die de voorwaarden creëren voor succes, rechtvaardig bestuur, promotie van economische vrijheid en investeringen in het volk, zegt O’Neill. En we moeten zelf een leidersrol opnemen en resultaten eisen. O’Neill verklaart dat hij nog altijd een ontwikkelingsidee voor Afrika voorstaat dat gebaseerd is op privé-investeringen, liberalisering van de handel en een beter bestuur. Waar privé-ondernemingen toenemen in een economie, beperken handel en investeringen de officiële steun. Landen die jaren geleden politiek onafhankelijk werden, zullen uiteindelijk ook economisch op eigen benen staan. Een regering staat borg voor groei, maar is niet de bron van welvaart. Individuele burgers kunnen daarvoor zorgen via ondernemingen.

Het ministerie van Financiën werkt aan criteria werkt om de nieuwe fondsen toe te kennen. De civiele maatschappij, die aandringt op gullere ontwikkelingssteun van Amerika en een meer armvriendelijk beleid, vindt het proces ondoorzichtig en niet participatief. Er is duidelijk een gebrek aan samenhang tussen Amerikaanse ontwikkelingssteun, nationale veiligheid en Financiën, besluit Irungu Houghton, de Amerikaanse programmacoördinator van de lobbygroep Action Aid na O’Neills speech. Het is zelfs niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor het toekennen van de fondsen en wat de voorwaarden zijn. Dat maakt het onmogelijk voor geïnteresseerden om deel te nemen aan het proces.

De ngo-wereld vreest dat Washington op allerlei manieren probeert Amerikaanse bedrijven toegang te geven in Afrika en de toegenomen steun interpreteert als verhoogde subsidies. Met het succes van verschillende Amerikaanse en lokale bedrijven in Afrika wil de vroegere zakenman sommige Amerikaanse firma’s wijzen op het potentieel van Afrika. Ik heb enkele regeringsleiders beloofd dat ik mijn goede vriend, (voorzitter) Sandy Weill bij Citibank zou zeggen om naar daar te gaan (en te werken), zei hij. Het is belangrijk dat we Amerikaanse instellingen aansporen, vooral belangrijke financiële instellingen, om naar Afrika te gaan. Dit bezoek inspireerde me om samen met minister (van Handel Donald) Evans enkele handelsmissies op te stellen en mensen in Amerika de mogelijkheden van de Afrikaanse markt te leren kennen.

Dat O’Neill aandringt op betere markttoegang in Afrika en privé-initiatieven promoot, bewijst volgens Houghton dat het bezoek geen beleidsverandering heeft kunnen teweeg brengen. Afrika is nog altijd één grote markt waar grote, transnationale bedrijven, vooral Amerikaanse, kunnen binnendringen en in investeren. Dit bevestigt het 400 jaar oude verhaal van Afrika. Het continent mag wel ruwe materialen exporteren, maar als centrum van ontwikkeling krijgt het geen schijn van kans, schampert Houghton.

Positief vindt Houghton wel dat O’Neill’s ogen geopend zijn voor het belang van ontwikkelingssamenwerking. Dat is alvast een stap vooruit in zijn - hopelijk lange - leerproces. Drie prioriteiten werden belangrijk tijdens O’Neill’s bezoek: veilig water, basisonderwijs en de strijd tegen AIDS/HIV. Water en onderwijs maakten voordien al deel uit van het Amerikaanse beleid, maar HIV is waarschijnlijk het nieuwe aandachtspunt, meent Houghton.

Nu hij in sloppenwijken en op modderbaantjes heeft gelopen, heeft de minister van Financiën vanuit eigen ervaring kunnen zien hoe groot de kloof is tussen de lange-termijnplannen van ontwikkelingsprogramma’s en de onmiddellijke behoeften in het werkveld. Vijfenveertig procent van de Afrikanen beneden de Sahara, of zowat 300 miljoen mensen, heeft geen toegang tot proper, veilig water.






Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift