Dossier: 

Onenigheid over Europees grondstoffenbeleid

‘Brussel is gebouwd op de plundering van Congo’

Grondstoffen zijn volgens ontwikkelingseconoom Paul Collier hét belangrijkste ontwikkelingsthema van het komende decennium. De Europese Unie, ‘s werelds grootste importeur van mineralen en nog steeds de grootste handelspartner van Afrika, heeft dan ook een enorme verantwoordelijkheid om de ontwikkelingslanden toe te laten het potentieel van die grondstoffen ten volle te realiseren.

  • FairPhone Kopererts wordt gewassen in Katanga, Congo. 'Grondstoffen kunnen Afrika welvarend maken.' FairPhone

‘De grondstoffenrijkdom van Afrika kan van de Afrikaanse staten welvarende landen maken’, zei Paul Collier op de Europese Ontwikkelingsdagen, eind 2010 in Brussel. Over de rol van de EU was Collier bijzonder scherp: ‘Brussel is gebouwd op de plundering van Congo. De 21ste eeuw mag in geen geval een herhaling van die beschamende ervaring uit de 19de eeuw worden.’

Een van de zaken die Collier op dat vlak optimistisch stemt, is het feit dat we niet langer leven in een tijd waarin enkele mondiale mijnbouwgiganten het voor het zeggen hebben. ‘Naast de opkomst van Chinese mijnbouwindustrieën zijn er ook 360 Australische mijnbouwbedrijven actief in Afrika. En vanuit Canada zijn dat er nog meer. Dé uitdaging is om ook die nieuwkomers aan te zetten tot maatschappelijk verantwoord ondernemen.’ En dan vermeldde Collier de nieuwkomers uit China, India en Korea nog niet eens.

Exportbelastingen

Paul Collier stelde heel duidelijk dat grondstoffen belast moeten worden –wat in veel gevallen neerkomt op exportbelastingen. Alleen op die manier kunnen de natuurlijke rijkdommen gebruikt worden als opstap naar een duurzame ontwikkeling die ook de toekomstige generaties ten goede komt. En het is de noodzakelijke voorwaarde om ervoor te zorgen dat de huidige massa’s mee kunnen profiteren van de rijkdommen die van onder hun voeten worden weggehaald. Die stelling staat minstens op gespannen voet met de benadering die de Europese Unie hanteert in haar Grondstoffeninitiatief (Raw Materials Initiative, RMI), waarin exportbelastingen gezien worden als handelsbeperkende maatregelen.

Het RMI is sinds 2008 de leidraad voor het Europese grondstoffenbeleid. In februari 2011 actualiseerde de Europese Commissie het RMI. Eind juni keurde de commissie voor Industrie, Onderzoek en Energie van het Europees Parlement een kritisch rapport hierover goed. En in september wordt het grondstoffenbeleid onderwerp van een plenair debat in het Europees Parlement.

Het Grondstoffeninitiatief moet Europa op langere termijn ‘betrouwbare en onverstoorde toegang’ verzekeren tot onder andere de grondstoffen die nodig zijn voor gsm’s, zonnepanelen en vliegtuigmotoren. Voor sommige van die grondstoffen is de EU voor honderd procent afhankelijk van import. De Europese Commissie maakt zich steeds meer zorgen om de concurrentie met opkomende economieën. De boomende BRIC-industrieën hebben tegenwoordig evenveel behoefte aan grondstoffen als Europa of de Verenigde Staten.

‘Ondoordacht protectionisme’

Madeleine Tuininga van het directoraat Handel van de Europese Commissie stelt dat exportbelastingen op grondstoffen contraproductief zijn voor de Minst Ontwikkelde Landen, vooral omdat ze vaak niet ingegeven zouden zijn door ontwikkelingsstrategieën maar door ondoordacht protectionisme. Tuininga verwijst daarbij naar de beslissing van India tijdens de voedselprijzencrisis van 2008 om tijdelijk de export van rijst stop te zetten en de gevolgen van die beslissing voor arme voedselimporterende landen.

De Congolees Claude Kabemba, directeur van de ngo South Africa Resources Watch, beklemtoont in een reactie dat exportbelastingen niet op de eerste plaats bedoeld zijn om handel te belemmeren, maar om het eigenaarsschap van Afrikaanse naties over hun natuurlijke rijkdommen te benadrukken. Het “bevorderlijke klimaat voor buitenlandse investeringen” waar de EU zo hoog van opgeeft, heeft volgens Kabemba het continent ‘vermoord’.

Kabemba wordt daarin bijgetreden door Suzan Cornelissen van de Evert Vermeer Foundation, een Nederlandse stichting voor internationale solidariteit. Cornelissen: ‘Voor ontwikkelingslanden zijn exportbelastingen vaak een manier om inkomsten te genereren, die ze in hun eigen verwerkende industrie kunnen investeren. Zonder die inkomsten blijft hun taak beperkt tot de uitvoer van grondstoffen naar de geïndustrialiseerde landen.’

Transparantie

De Europese Commissie vindt niet dat het Grondstoffeninitiatief de Europese ontwikkelingsdoelstellingen tegenspreekt. ‘De internationale grondstoffenmarkten worden geplaagd door handelsverstorende maatregelen’, zegt Helene Banner van de persdienst van Europees Commissaris voor Handel Karel De Gucht. ‘Dat is niet alleen nefast voor de EU.’

‘Er zijn zijn maar weinig landen die voor honderd procent in eigen grondstoffen kunnen voorzien’, aldus Banner. ‘Het sleutelwoord is dus onderlinge afhankelijkheid. Zowel de EU als opkomende en onderontwikkelde economieën zijn tegelijk exporteur én importeur van grondstoffen. Dus zou de grote meerderheid van de landen mee profiteren van een heldere en meer voorspelbare handel in grondstoffen.’

Tamira Gunzburg, beleidsmedewerkster winningsindustrieën van de ngo Broederlijk Delen, is er niet gerust in: ‘De Europese Commissie beweert dat er binnen het RMI ruimte is voor uitzonderingen voor ontwikkelingslanden maar dat is onvoldoende. De Commissie moet nu al vastleggen welke ontwikkelingslanden zullen worden vrijgesteld van handelssancties binnen het RMI.’

Hoger – lager

De Revenue Watch Index is een rangschikking van 41 landen die behoren tot de wereldtop in petroleum-, goud-, koper- en diamantproductie. Ze worden beoordeeld op transparantie inzake de olie-, gas- en mijnindustrie. In 29 van de 41 landen is relevante informatie over grondstoffenontginning slechts in heel beperkte mate voorhanden. De landen met de grootste reserves zijn meestal ook de landen die het minste informatie over hun grondstoffen vrijgeven.

Een van de opvallende gegevens in het rapport is dat de beste transparantiescore gaat naar Brazilië (97), net voor Noorwegen (96,4). De slechtste score is voor Turkmenistan (9,7), met Congo op de derde laatste plaats (22,5). Ter herinnering: het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de voorbije jaren uitdrukkelijke inspanningen gedaan om Belgische bedrijven te laten deelnemen aan de Turkmeense winningsindustrie.

www.revenuewatch.org

Vanessa Herringshaw, directeur van de ngo Revenue Watch Institute, ziet wel degelijk alternatieven voor de eurocentrische grondstoffenpolitiek van verleden en heden. De basis van een meer rechtvaardige omgang met grondstoffen, is volgens Herringshaw informatie en transparantie. ‘Multinationals zouden per land en per project moeten publiceren hoeveel ze erin investeren, hoeveel ze eraan verdienen en hoeveel ze betalen aan de lokale regering. Dat is op zich nog geen revolutionaire verandering, maar het geeft wel de noodzakelijke instrumenten aan middenveld en politiek om hun beleid te richten.’

Peter Eigen geeft in een interview met MO* als voorbeeld dat activisten in Zambia dankzij de gepubliceerde cijfers kunnen zien dat Noorwegen zowat honderd keer meer verdient aan de grondstoffenexploitatie op hun grondgebied dan Zambia. Eigen is initiatiefnemer van het Extrative Industries Transparency Initiative, dat tweejaarlijks een invloedrijk wereldcongres organiseert over de problematiek. De Zambianen, aldus Eigen, kunnen de informatie vervolgens gebruiken om een heronderhandeling van contracten te eisen en de politiek onder druk te zetten.

Dat transparantie geen onhaalbare droom is, bewezen de Verenigde Staten. De Dodd-Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act van midden 2010 verplicht alle winningsbedrijven die genoteerd staan op de beurs van New York die informatie te verschaffen. Het Europees Parlement stemde overigens al in 2007 een resolutie die hetzelfde vraagt.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift