Ontwikkeling en cultuurschok

Wordt Europa dan toch het avondland? Ligt de Amerikaanse maatschappij in puin, terwijl de industrie in handen van Japanners komt? Is China werkelijk het ‘Gele Gevaar’? Hoe kunnen we de bevolkingsexplosie in de islamwereld aanpakken zonder dat het fundamentalisme erdoor groeit? Moeten en kunnen de VS de voortrekker blijven van de Westerse beschaving? Deze en andere vragen bespreekt Samuel Huntington in zijn recente boek ‘The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order’ (1996).
Het eerste deel van de titel duidt op de oorlogsdreiging en op de prominentie van de beschavingen.

Het tweede deel verwijst naar het project: de auteur spreekt voor een groep (Kissinger en anderen) en vertolkt een ideologische positie die ook ontwikkelingshulp in andere kaders dwingt.

1. Beschaving en beschavingen

Van bij het begin van zijn boek betoogt Huntington dat cultuur belangrijk is. De vijf stellingen die het boek wil uitdragen worden op een rijtje gezet:

-1- wereldpolitiek is multi-beschavingspolitiek;

-2- de westerse macht neemt af;

-3- een wereldorde gebaseerd op beschavingen is in opmars;

-4- de westerse universalistische pretenties botsen met andere beschavingsmodellen en bedreigen de vrede, en

-5- de overleving van het Westen hangt af van de bereidheid van de VS om de westerse identiteit opnieuw te assumeren.

Het spreekt voor zich dat dit een heel programma is. De auteur vat de verschillende, polemiserende standpunten en perspectieven samen, om uit te komen bij zijn eigen voorstel. Na de Koude Oorlog (dus in de jaren ‘90) ontstaan vijf verschillende theorieën over de nieuwe wereldsituatie:

-1- één wereld: Fukuyama, Bush en anderen verkondigden triomfantelijk dat één wereldorde heeft gewonnen, nl. de westerse. Economisch is dit beperkt waar, maar politiek is dit dromerij, volgens Huntington.

-2- twee werelden: wij en zij. Verschillende oppositieparen worden voorgesteld: Oosten tegen Westen, Noorden tegen Zuiden, centrum tegen periferie, islam tegen de rest, enzovoort. Dit is te simplistisch, zoals reeds mag blijken uit de veelheid van opposities. Dat oorlog bv. zou ontstaan tussen rijk en arm (ev. Noord en Zuid) is feitelijk onjuist. We zien eerder vrede in het rijke Westen en oorlogen in armere gebieden.

-3- staten blijven de belangrijkste eenheden in de wereld. De 184 staten zijn de motoren van politiek. Dit is juist, maar staten hebben verschillende belangen, verschillende samenstellingen en verschillende dynamieken. Het fenomeen ‘staat’ verklaart dus niet alles.

-4- totale chaos: conservatievere denkers zoals Brzezinski en Moynihan voorspellen het volledig verdwijnen van staten, met totale chaos als gevolg. In 1993 woedden 48 etnische oorlogen, in de ex-USSR worden niet minder dan 164 etnische conflicten opgetekend (waarvan 30 tot oorlog komen). Toch blijven vele staten overeind en dominant, terwijl andere hoogstens hertekend worden (GOS, Balkan).

-5- beschavingen: volgens Huntington komen beschavingen opnieuw meer op de politieke voorgrond: de westerse beschaving heeft enkele eeuwen de wereld beheerst, en moet nu deels wijken voor Aziatische beschavingen. Dit speelt zich af via natiestaten, waarbij de gevaarlijkste conflicten die tussen staten blijven.

De verschillende beschavingen die Huntington onderscheidt zijn de Chinese (+ Vietnam en Korea), Japanse, Hindoe, Islamitische (+ Turkije, Maleisië en Perzië) en de westerse beschaving (Europa + Noord Amerika). Daarnaast nog de Latijns-Amerikaanse en de Afrikaanse beschaving.

Beschavingen vallen niet samen met staten, maar kunnen wel prominent verdedigd worden door een kernland (bv. China). Beschavingen evolueren, ook politiek: ze kunnen verschillende ideologische regimes doormaken. Ze kunnen over verschillende landen of werelddelen verspreid zijn of in één geografisch blok thuishoren. Huntington wijst op de recente geschiedenis (de jongste 5 eeuwen) die voor het eerst de wereldwijde overheersing door één beschaving, nl. de Europese, toonde. Hij beklemtoont dat niet de superioriteit van ideeën, waarden of religie aan de basis lag van die overheersing, maar ‘de superioriteit in het inplanten van georganiseerd geweld’ (p. 51), gesteund op een sterke technologie.

Binnen Europa zien we oorlogen tussen vorsten tot aan de Franse Revolutie, oorlogen tussen natiestaten tot aan de Russische Revolutie. Tot de jaren ‘80 kent het Westen dan ideologische oorlogen, in Europa en elders. De laatste jaren ziet de auteur dan oorlogen tussen beschavingen ontstaan. De nu dood verklaarde ideologieën waren producten van het Westen; geen andere beschaving heeft ooit een ideologie voortgebracht. Daarentegen heeft het Westen strikt genomen nooit een religie ontwikkeld, terwijl dit wel gebeurde in de andere beschavingen (het christendom wordt dan als product van de Semitische cultuur gezien). In de confrontaties tussen beschavingen zal de religieuze dimensie opnieuw prominent worden, volgens Huntington.

In elk geval moet in het Westen de arrogantie ophouden, waarbij men geloofde en onderwees aan de wereld dat de geschiedenis van de mensheid vanuit westers perspectief gezien moet worden. Deze universaliteitsaanspraken worden in de nieuwe wereldsituatie parochiaal. Ook de streving naar een ‘universele beschaving’ via modernisering is een westerse illusie. Ze impliceert een reeks elementen van westerse makelij, gaande van kerstening tot parlementarisme en individualisme, die door meer en meer beschavingen in de wereld verworpen worden. Onder andere een heropleving van de autochtone cultuur binnen de westerse sferen en in niet-westerse delen van de wereld getuigt hiervan. Het spreekt vanzelf dat dergelijke opvattingen implicaties hebben voor de ideologie over ontwikkeling.

2. De botsing tussen beschavingen

Azië en de islamwereld hebben in gespreide slagorde in de loop van deze eeuw hun heropstanding tegen het Westen georganiseerd. De aanval gaat voort en zal waarschijnlijk in verschillende vormen gestalte blijven krijgen.

Huntington haalt aan dat bij het begin van de eeuw het confucianisme door Chinese en westerse intellectuelen als oorzaak van de Chinese achterstand werd geïdentificeerd. Bij het einde van diezelfde eeuw wordt het door beide groepen als de voornaamste oorzaak van de Chinese heropstanding beschouwd. Japan is dan weer een geval apart: sinds de Tweede Wereldoorlog wordt het in het westerse kamp getrokken, terwijl het nu weer in het Aziatische continent wordt gesitueerd, zij het (voorlopig) tegen China en het Westen. De discussie in Azië draait momenteel rond de superioriteit van de Aziatische waarden van familiegebondenheid, werklust, discipline en materialisme, in tegenstelling tot het westerse individualisme of de normloosheid.

De islamwereld vertelt een heel ander verhaal: de islam dient als bron van identiteit en stabiliteit. De intellectuelen van islamlanden beroepen zich, een beetje zoals de Marxisten of de protestantse reformatiepredikers, op de waarden uit de Koran. Sociaal worden ze gesteund door de middenstand in de steden. Sinds 50 jaar is de heropstanding een groeiend fenomeen, met stevige regimes in Iran en Soedan, en vele regimes met grote sympathie voor deze religieuze beweging, gaande van Marokko en Saudi-Arabië tot Afghanistan, van Pakistan tot Algerije en Turkije. Regeringen poogden de heropstanding in te dijken in lekenstaten door islamlessen officieel toe te laten. Volgens Huntington bevordert dit momenteel enkel het islambewustzijn en het misprijzen voor het christelijke Westen. De algemene demografische toename in islamlanden zorgt voor een enorme druk op de regimes.

Huntington besluit hieruit dat de oude tegenstellingen tussen ideologische kampen in deze post-Koude-Oorlogsperiode omgezet zijn in strijdtonelen tussen culturele of beschavingsgroepen: een nieuwe wij-zij-logica domineert, berustend op gebrekkige kennis en vertrouwen t.o.v. de ander, gevoelens van eigen superioriteit en gebrek aan communicatie en interactie. Huntington geeft toe dat verschillende regio’s de facto cultureel gemengd zijn. Enkel waar zich een grote, sterke kernstaat bevindt, zien we dat één beschaving verdedigd wordt, en dat oorlog gevoerd wordt in de grensgebieden of tegen volkeren van andere cultuur. Zo is Rusland sinds 1990 opnieuw een kernland voor het orthodoxe christendom aan het worden, dat met de vroegere grensgebieden van de USSR oorlog voert: met de westers-christelijke Baltische staten, met de islamitische staten van Centraal Azië of met sjamanistisch-boeddhistische gebieden van Siberië of Mongolië. Mexico herontdekt zijn mestiezentraditie, die het uitsluit uit Noord-Amerika. Turkije zoekt na de weigering door Brussel weer aansluiting in de Turkmeense gebieden van Centraal-Azië. De feitelijke afgrenzing van de Europese Unie wordt meer en meer gelijk aan het West-Romeinse christelijke deel van de wereld, met uitsluiting van de orthodoxe christenen en de islamieten. De islamwereld kent een bevolkingsexplosie en een groei van bewustzijn, maar heeft voorlopig geen politieke formatie, noch een politiek leiderschap.

Vanuit deze visie volgt, voor Huntington, dat de toekomstige strijd toenemend zal gaan tussen beschavingen. In eerste instantie zal dit de vorm aannemen van een strijd tussen het Westen en de rest van de wereld. In die groeiende strijd worden bijvoorbeeld de mensenrechten geïdentificeerd met de westerse beschaving, en niet als een universeel instrument. In dit licht krijgen sommige symbolische mondiale kringen een enorm belang: de UNO-conferenties rond milieu of geboortecontrole worden een strijdperk van allen tegen het Westen; de beslissing om de Olympische Spelen van 2000 in Sydney te houden en niet in China, wordt door China als vernederend ervaren. Ook de migratiestromen in het Westen worden in termen van cultuur gedacht: het neofascisme in het Westen is in dat opzicht parallel aan de ontwikkeling van het islamisme in de islamwereld.

Huntington ziet hieruit twee soorten conflicten ontstaan: de grote conflicten tussen beschavingen (geleid door kernlanden) en de conflicten in grensgebieden. Bv. in Joegoslavië is een conflict aan de gang aan de grenzen van drie beschavingen, nl. de westers-christelijke, de orthodox-christelijke en de islamitische. De islamwereld verwijt het Westen arrogantie en imperialisme (en ziet figuren als Sadam Hoessein als helden), waarop de westerse NATO antwoordt door het islamitisch fundamentalisme tot vijand voor de wereldvrede uit te roepen. In Azië groeit ondertussen het nieuwe centrum van economische macht, inclusief een toenemend economisch ‘onvoorspelbaar’ Japan.

In dit geheel ziet Huntington de oorlogen in Afghanistan, Tsjetsjenië en de Golf als transitiefenomenen. Sri Lanka, Kasjmir, Soedan, en andere bevestigen deze trend: wat eerst grensgebiedoorlogen waren, worden langzaam oorlogen van de islamwereld of van Azië tegen het Westen. Dat die conflicten gevaarlijk zijn, blijkt uit het feit dat ze niet in een ‘normale’ escalatie/desescalatie-dynamiek te vatten zijn, maar generaties lang kunnen sluimeren om telkens weer open te barsten. In een zekere zin eindigen ze nooit, omdat geen kernland de gebieden kan integreren in de eigen beschaving.

Ten slotte ontwikkelt Huntington zijn ideologisch project. Elke beschaving verloopt in fasen. De Gouden Periode van overmacht die het Westen kende (tot 1920, en in mindere mate tot 1980) luidde meteen ook het begin van het verval in. Typische tekens van verval zijn: de noodzaak om steeds meer leden van andere beschavingen te moeten integreren (bv. 20% Hispano’s in de VS) en ‘moreel verval’ (met drugs, meer misdaad, achteruitgang van intellectuele slagkracht, enz.). Het Westen heeft, zoals vele beschavingen, gemeend aan de cyclus te kunnen ontsnappen of de cyclus te kunnen rekken. De eis van assimilatie van migranten en ook van autochtone groepen aan de dominante beschaving past in dit kader en dient gesteund. De voorstanders van het multiculturalisme in het Westen zijn voor Huntington dan ook de interne vijand van het Westen. Ze geven de wettelijke voorkeur voor het individu op ten voordele van rechten voor culturele of etnische groepen. Dit gaat uit van de foutieve opvatting dat een maatschappij bijeengehouden kan worden zonder culturele kern, als louter politieke constructie.

Huntington stelt dat enkel de VS een alternatief kunnen bieden, in de mate dat zij waarden en idealen van het Westen terug opnemen en intellectueel en politiek ondersteunen. Zonder dergelijk initiatief wordt het hele Westen een fictie: de VS vallen uiteen, en Europa wordt een onooglijk stukje land aan de rand van het Euro-Aziatisch continent. Het blijven opeisen van universalisme voor duidelijk westerse constructies (zoals mensenrechten, interventie-expedities namens de UNO, enz.) is een gevaarlijke optie, omdat ze enkel conflicten uitlokt en de andere beschaving samen drijft in coalities tegen het Westen. Huntington eindigt met drie basisregels voor het Westen:

- abstinentie bij conflicten binnen andere beschavingen;

- uitbreiding van de vertegenwoordiging in de Veiligheidsraad, verder dan de ‘overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog’, met opname van vaste leden uit de islamwereld, en

- opvolgen van de gemeenschappelijkheidsregel: wat gemeenschappelijk is aan alle beschavingen moet uitgebouwd en gerespecteerd worden.

3. Kritiek en implicaties voor ontwikkelingsdenken

Het is al te gemakkelijk Huntington te veroordelen vanuit een ideologische positie die niet de zijne is: hij is geen marxist, geen traditioneel liberaal, geen paapse denker, of geen tiermondist. Het is ook te simpel om zijn ideologisch project te viseren en zijn analyse dood te zwijgen, in de hoop dat de kritiek op de voorgestelde ‘oplossing’ de realiteitswaarde van zijn onderzoek zou doen wegdeemsteren.

Ten slotte is het weinig zinvol om het beschavingsperspectief als zodanig af te wijzen, omdat detailanalyses sommige punten ervan in vraag stellen of bijsturen. Huntington beroept zich op ‘rechtse’ auteurs zoals Spengler, B. Lewis en anderen, maar erkent ook de waarde van kritische of “linkse” analyses van E. Said of Wallerstein. Vooral, lijkt het mij, tracht hij ideologische opties te willen funderen op een zo grondig mogelijke analyse van feitelijkheden en dat is een goede zaak, die mij alleszins zeer sympathiek is.

Ik zie drie belangrijke punten van kritiek, en eindig met enkele vragen rond ontwikkelingspolitiek:

(a) wetenschap en technologie.

Het is ongetwijfeld waar dat het ‘efficiënt’ gebruik van technologie in de organisatie van geweld (oorlogvoering, pacificatie, en dergelijke) een belangrijke rol gehad heeft in de verovering van de wereld door het Westen. Deze uitspraak is echter toch te beperkt. Zonder cynisch te worden moet gezegd worden dat de merkwaardige ontwikkeling van een wetenschappelijke kennistraditie in het Westen een dergelijke ‘efficiënte organisatie’ heeft mogelijk gemaakt. Dit wordt door Huntington niet gezegd en dat wijst m.i. op een ernstige onderschatting van dit toch wel prachtige product van de westerse beschaving: de wetenschap. Wetenschap heeft de mens een betrouwbare kennis en de mogelijkheid tot duurzame controle van delen van de realiteit gegeven, zoals geen andere denkvorm of praktijk tot nu toe. De organisatie van wetenschappelijk onderzoek en de toepassing van de resultaten via technologie zijn echter niet vrij van politieke, morele en soms ook religieuze keuzen. D.w.z. dat een schitterende kenvorm gebruikt kan worden in functie van de belangen van een machtige groep (eventueel een individu) of van de hele mensheid. Die keuze is niet intrinsiek wetenschappelijk, maar impliceert dat de kenvorm in de sociopolitieke context gericht en gebruikt wordt (Abed El Jabri, 1997).

Het is waar dat Europa en de VS de wetenschappelijke kennis ten dienste gesteld hebben van het militaire en politieke apparaat, maar dat verklaart haar efficiëntie niet. Bovendien is het zo dat niet enkel de geweldmachine door de wetenschap is bijgesteld: het hele economische leven, de kunsten, de geneeskunde, het sociale leven en daarmee het hele levensperspectief van de gemiddelde westerling is onherroepelijk en indrukwekkend veranderd door de opgang van het wetenschappelijke denken. De verwerping van de westerse waarden door Azië en de islamwereld houdt dan ook typisch niet in dat ook de wetenschap (en de toegepaste versie in technologie) verworpen wordt. Wel integendeel: Azië kweekt in hoog tempo een generatie van universitair geschoolden, die geen theologiestudenten in hindoeïsme, boeddhisme of confucianisme zijn, maar wetenschappers.

De moeilijke vraag waarom wetenschap in Europa ontwikkeld werd, wordt meestal beantwoord door te verwijzen naar de economische situatie van Europa in de Renaissance (met de rol van handel in de steden, de overbevolking, enzovoort), gekoppeld aan die merkwaardige christelijke idee van zoeken naar de samenhang in Gods schepping en een geloof in vooruitgang in de menselijke geschiedenis. Sommigen gaan zover om te argumenteren dat wetenschap historisch onmogelijk is zonder een intrinsiek christelijke houding (zie: Balagangadhara, 1993, voor een heidense en Kolakowski 1990 voor een katholieke versie). Andere onderzoeken wijzen op het belang van een dergelijke houding of een gelijkaardig wereldbeeld om tot fundamenteel of creatief onderzoek, i.p.v. replicerende of toegepaste wetenschap te komen. In dat verband wordt de uitbouw van universitair onderwijs en onderzoek in Azië als een economisch belangwekkende factor gezien, die de industrie ter plaatse en mondiaal drastisch zal veranderen, maar worden creatieve fundamentele ontdekkingen en uitvindingen vooralsnog in het christelijk geïnspireerde Westen verwacht. Populair heet het dat het Oosten reproduceert en daarin zeer performant is, maar dat alleen het Westen totnogtoe de grote innovaties in wetenschap voortbrengt. Zonder te kunnen of te willen beslechten welke visie de juiste is, wil ik hier enkel aantonen dat ‘wetenschap’ (en dus efficiënte technologie) als een belangwekkende en impactvolle motor in de beheersing van de wereld wordt gezien en dat tenminste het ontstaan ervan in het christelijke, langzaam profaniserende Europa gesitueerd wordt. Misschien is het karakter van het christendom, als een zichzelf profaniserende godsdienst (de ontmythologisering, de Thomistische verzoening tussen geloof en wetenschap, enz.) hiervoor verantwoordelijk, misschien de particuliere combinatie van deze universalistische godsdienst met een bepaald economisch bestel, of misschien nog een derde constellatie, maar het feit van de kracht en manifest hogere betrouwbaarheid en bruikbaarheid van wetenschappelijke kennis kan moeilijk niet erkend worden in de beschrijving van de geschiedenis van westerse dominantie over de wereld in de voorbije eeuwen.

Het onderwaarderen van het belang van wetenschap in Huntingtons analyse moet hem bijna noodzakelijk brengen tot een exclusievere focus op waarden, zoals hij vooral in zijn ideologisch voorstel laat blijken (‘moreel verval’ als belangrijke component van de westerse beschaving). Waar ik grote waardering heb voor het feit dat hij vertrekt van een uitgebreide feitelijke analyse vooraleer zich te wagen aan een ideologische keuze, moet ik dus ook nadrukkelijk wijzen op deze tekortkoming in de analyse. De unieke en toenemende klemtoon op het toelaten en aanmoedigen van kritisch en zelfkritisch onderzoek, dat wezenlijk is aan de wetenschappelijke ontwikkeling en gebed zit in een Grieks-Joods-Christelijke beschavingsgeschiedenis, is misschien belangrijker en zeker kenmerkender voor de Europese opgang geweest in de jongste eeuwen dan de christelijke waarden. Als men hiermee akkoord kan gaan dan moet de oproep van Huntington aangevuld worden met een krachtig pleidooi om wetenschappelijk onderzoek opnieuw een prioritaire plaats in onze beschaving te geven, want dit is dan één van onze voornaamste troeven. Het politiek en cultureel klimaat van de laatste jaren wijst niet in die richting: het mediatieke en consumentenwereldje wordt veel beter geremunereerd en krijgt meer macht en aandacht dan de wetenschappelijke inzet. Fundamenteel onderzoek wordt ter discussie gesteld en beleids- of bedrijfsondersteunend onderzoek wordt sterker betoelaagd dan het zogenaamd ‘vrije’ onderzoek. De bekende geschiedenis van ‘inkoop’ in universiteiten is zeker in de VS bekend: grote industriële concerns binden universiteiten door voorwaardelijke subsidiëring en hetzelfde gebeurt vanuit militaire kringen. Een gewetensvraag, maar tevens een beschavingsvraag, wordt dan: dreigen we op die manier dat schitterende instrument van de wetenschap niet dood te knijpen? In termen van ontwikkelingspolitiek en verbetering van de levensomstandigheden van de hele wereld (in een interdependistisch denken) wordt een mogelijke prioriteit dan: de proliferatie van wetenschap ook in de Derde Wereld, en de kritische sociaalwetenschappelijke analyse van belangen en conflicten in de wereld. Dit voorstel staat dwars op Huntingtons oproep van ‘eigen waarden eerst’.

(b) cultuur, identiteit, beschaving

Het beschavingsbegrip is fundamenteel in Huntingtons boek. Daar wringt het schoentje ook. Hij schrijft dingen zoals ‘een beschaving is de stam op wereldniveau’, of ‘culturele identiteit is het meest betekenisvol voor de meeste mensen’ (p. 20). In de loop van het boek verliest de lezer echter meer en meer greep op de basisbegrippen zoals cultuur en beschaving.

De auteur hanteert vaak een essentialistisch begrippenkader: beschavingen zijn millennia oud en zullen na de korte ideologische fase in het Westen, terug de agenda gaan bepalen. Precies omdat ik sympathie voel voor de erkenning van en de klemtoon op cultuur (of beschaving) naast en in de economische, politieke en zelfs militaire analyse, moet ik streng zijn: wat bedoelt de auteur precies met cultuur en beschaving? Definities hoeven niet echt, maar een eenvoudige verwijzing naar een of ander land volstaat niet. Zeggen dat het Westen een christelijke beschaving is haalt niet veel uit zolang men niet kan aantonen wat dit in de werking of in het reageren van het Westen op anderen en op zichzelf moet betekenen. Een eenvoudige blik op de geschiedenis van het christendom leert ons dat deze traditie in de loop van de eeuwen diverse vormen heeft aangenomen. In de negentiende eeuw werden de arbeidersklasse in het Westen en de autochtonen in de koloniale gebieden geïntegreerd, en vandaag ligt het zwaartepunt in Zuid-Amerika, in Oost-Europa, enzovoort, en veel minder in het ‘christelijke’ Westen. Het lijkt erop dat het ‘christendom’ als kern van deze beschaving meer of minder verandert over tijd en plaats. Zo ook met de Indische beschaving: de vedische traditie heeft iets te maken met Gandhi, maar leidt op geen manier deterministisch tot de natiestaat India van vandaag. Gelijkaardige opmerkingen kunnen gemaakt worden voor alle beschavingen. De problematiek is niet academisch, want de politieke discussie gebruikt meer en meer begrippen als ‘cultuur’ en ‘identiteit’ in de politieke arena: cultuur is in de plaats gekomen van ras, en identiteit wordt vage vervanger van klasse of belangengroep. Met dit groeiende belang van de begrippen tegen of naast de economische analyses erken ik dus het belang van de klemtoon die Huntington legt (Pinxten, 1994), maar tegelijk roep ik op om de nodige voorzichtigheid en duidelijkheid in acht te nemen bij het gebruik van deze begrippen. Essentialisme is in elk geval de slechtste keuze, omdat de bedoelde essenties historisch en geografisch twijfelachtig zijn (zie Verstraete & Pinxten, ter perse). Toch leveren ze in de praktijk vaak (ongefundeerd) materiaal voor oorlogstaal, zoals uit het boek mag blijken. Een sociaalwetenschappelijk onderbouwde analyse van identiteitsdynamieken zou m.i. een fundamenteel onderdeel van ontwikkelingspolitiek moeten vormen (Doom, 1995).

(c) Het ideologisch project

Ideologisch blaast Huntington warm en koud. Enerzijds roept hij net niet op voor westers protectionisme en Amerikaans isolationisme (best mogelijk binnen de beschavingstheorie die hij voorstelt). Anderzijds valt hij terug op de oude waarden, de morele herbronning, enzovoort om het Westen te redden van een waarschijnlijk snelle ondergang. Vooral China (als economische macht) en de islamwereld (als demografische tijdbom) zijn de grote toekomstige vijanden voor het Westen. Het is in deze ideologische optiek dat Huntington de ontwikkelingshelper (en de sociale werker binnen de westerse beschavingen) het scherpst aanvalt: om zelf te overleven ligt het nagenoeg voor de hand in zijn denken dat de anderen (met name de Aziaten en de islamwereld) moeten verzwakken. Het economisch potentieel van Azië en de demografische explosie van de islamlanden zijn in de eerste plaats een bedreiging voor de privileges van het Westen. Ontwikkeling kan dan enkel die bedreiging vergroten, want door ontwikkeling worden de ‘vijanden’ sterker gemaakt, zou men kunnen parafraseren. Deze ideologische optie berust niet op feiten of ernstige analyses, maar wel op een politieke keuze, enkel gefundeerd op de superioriteit van de eigen waarden. Ontwikkelingspolitiek moet rekening houden met een dergelijk standpunt (komende van een machtige groep in een machtig land), maar is in de eerste plaats erdoor uitgedaagd tot een alternatieve, m.i. humanere visie op ontwikkeling. Als we dan al moeten bezig zijn met waardeonderzoek zal dit kritisch moeten gebeuren, o.a. ten aanzien van ons eigen consumerisme en vals universalisme.

Bibliografie:

ABED EL JABRI, M.

1997, Choc des civilisations ou conflits d’intérêts? in: M. Dueñas (red.): Xoc de civilitzacions. Barcelona, Proa: 324-331.

BALAGANGADHARA, Rao

1993, The Heathen in his Blindness…

Leiden, Brill.

DOOM, R. & K. VLASSENROOT

1995, Early Warning and Conflict Prevention. Brussel: ABOS.

HUNTINGTON, S.

1996, The Clash of Civilizations and the Making of a New World Order.

New York: Simon & Schuster.

KOLAKOWSKI, L.

1990, Modernity in Endless Trial. Chicago: Chicago University Press.

PINXTEN, R.

1994, Culturen sterven langzaam. Antwerpen: Hadewych.

VERSTRAETE, G. & R. PINXTEN

(ter perse) Cultuur en macht. Antwerpen: Hadewych.

De auteur is gewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent en doceert daar vergelijkende cultuurwetenschap en vergelijkende studie van religie. Hij publiceerde vooral over cultuur en verandering, over cultuur en macht, over religie, en over theoretische problemen van vergelijking.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift