Ontwikkelingssamenwerking door een mensenbril bekeken: enkele voorbeelden

Ontwikkelingsorganisaties willen onrecht bestrijden. Dat doen ze op heel verschillende terreinen, variërend van initiatieven om de voedselzekerheid in een land of een regio te bevorderen tot mondiale acties om een nieuwe financiële architectuur tot stand te brengen.
EEN RECHTENAANPAK VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING?

De drijfveer voor ontwikkelingssamenwerking is de vraag naar meer sociale rechtvaardigheid. De instrumenten die ontwikkelingsorganisaties kiezen om dat doel te bereiken kunnen verschillen. De vraag naar een rechtenaanpak van ontwikkelingssamenwerking kadert in die zoektocht naar geschikte instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking.

Ontwikkelingssamenwerking wordt steeds meer gekoppeld aan een mensenrechtendiscours.

Dat geldt voor alle actoren die actief zijn op het ontwikkelingsterrein. Overheden, zowel aan donor- als aan hulpontvangende zijde, kunnen in hun beleidsverklaringen en samenwerkingsovereenkomsten niet meer om mensenrechten heen. Het Internationaal Muntfonds (IMF) en de Wereldbank, voor wie mensenrechten tien jaar geleden nog onbespreekbaar waren, introduceren steeds meer sociale aspecten in hun beleid. Beide organisaties zijn evenwel terughoudend om mensenrechtenterminologie te gebruiken. Het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, UNDP, wijdt zijn Human Development Report 2000 volledig aan het thema mensenrechten en ontwikkeling.

De scheidingslijn tussen mensenrechten en ontwikkeling vervaagt steeds meer, ook voor ngo’s, zowel hier als in het Zuiden. En de blik op mensenrechten wordt ruimer. Burgerrechten en politieke rechten hebben hun plaats in beleidsverklaringen en de media verworven. Economische, sociale en culturele rechten krijgen veel minder aandacht. Of verandert dat ook? In de Filipijnen breidde de Task Force Detainees of the Philippines (TFDP) zijn mandaat rond politieke gevangen uit naar het domein van economische, sociale en culturele rechten en het recht op ontwikkeling. De organisatie werd opgericht tijdens het Marcos- regime, maar wilde na de val van Marcos inspelen op nieuwe problemen in de veranderde maatschappij. De organisatie besloot ook rond afbraak van huizen te werken, rond landrechten en rond arbeidsrechten en milieu, problemen die in de nieuwe Filipijnse samenleving steeds actueler werden. Als mensenrechtenorganisatie grijpen zij hiervoor naar economische, sociale en culturele rechten.

Dat er ook vanuit ontwikkelings-ngo’s aandacht komt voor die rechten is logisch. voedselzekerheid, plattelandsontwikkeling, basisonderwijs en armoedebestrijding of aanklachten tegen slechte levens- of arbeidsomstandigheden, vinden makkelijk aansluiting bij economische, sociale en culturele rechten zoals het recht op arbeid, het recht op voedsel, op onderwijs.

DE KLOOF OVERBRUGGEN: ECONOMISCHE, SOCIALE EN CULTURELE RECHTEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

11.11.11, de koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging, onderzocht met zijn partnerorganisaties of economische, sociale en culturele rechten een extra instrument kunnen zijn, voor de partners in het Zuiden, en voor het politieke en campagnewerk hier. In Nederland deed de ontwikkelingsorganisatie NOVIB een vergelijkbare oefening met haar partners.

De vraag is niet langer of mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking raakpunten hebben, wel waar ze elkaar ontmoeten en hoe ze elkaar kunnen versterken.

De vraag aan 11.11.11 om meer vanuit economische, sociale en culturele rechten te denken en te werken kwam vooral van de partnerorganisaties in Latijns-Amerika. Een aantal nationale en regionale organisaties, waaronder de Plataforma Sudamericana de Derechos Humanos, Democracia y Desarollo (PSDHDD) en de Asociación Latinoamericana de Organizaciones de Promoción (ALOP) hebben hier rond al enig denkwerk verricht. In hun Verklaring van Quito van juli 1998 deden ze een oproep tot de nationale regeringen, intergouvernementele organisaties en andere actoren zoals multinationals om economische, sociale en culturele rechten te respecteren. In die verklaring leggen ze ook het verband tussen die rechten en thema’s als schuldverlichting en financiële speculatie. Hier gaat het meer om mensenrechtenorganisaties die ontwikkelingsproblemen bekijken door een mensenrechtenbril dan om ontwikkelingsorganisaties die kiezen voor mensenrechten als instrument.

Een vaak gehoord argument om mensenrechten te introduceren in ontwikkelingswerk is dat mensenrechten een andere invalshoek bieden om een probleem te benaderen: slachtoffers worden rechthebbenden. De progressieve verwezenlijking van economische, sociale en culturele rechten door de staat, bijvoorbeeld, betekent minimaal dat een staat het bereikte niveau van verwezenlijking niet mag terugschroeven. Wanneer dit wel gebeurt, schendt een staat haar verplichtingen, tenzij ze kan aantonen dat ze niet in staat is het bereikte niveau aan te houden. In Venezuela hebben een aantal ngo’s dit als aanknopingspunt genomen om aan te tonen dat je de inspanningen van de overheid op het vlak van sociale programma’s en infrastructuur niet zomaar kunt afschaffen in geval van een economische crisis. Toen dat wel gebeurde naar aanleiding van de daling van de olieprijzen, wezen ze de bevolking erop dat hen geen gunst maar een recht ontnomen werd. Hoewel dat niet onmiddellijk ertoe leidde dat de staat nieuwe initiatieven nam, bood deze invalshoek mensen een basis voor activisme. Mensenrechten identificeren slachtoffers als rechthebbenden en regeringen als verantwoordelijken om die rechten te eerbiedigen, te bevorderen, te beschermen en te vervullen.

Economische, sociale en culturele rechten horen tot domeinen waarin ook ontwikkelingsorganisaties actief zijn, zoals onderwijs, arbeid, gezondheidszorg, voedselzekerheid. Om mensenrechten te gebruiken, heb je expertise nodig die zowel bij mensenrechtenorganisaties als bij ontwikkelingsorganisaties te vinden is. Ontwikkelingsorganisaties die vertrouwd zijn met de sociale, economische en culturele gevolgen van het beleid kunnen reageren met onmiddellijke dienstverlening of sociale opvang. Onderwijs organiseren bijvoorbeeld, of kredietsystemen opzetten om boeren toe te laten zaaigoed te kopen.

Een mensenrechtenbenadering kan hieraan ook een juridisch luik toevoegen. Dienstverlening kan worden aangevuld met lobbywerk of campagnes om staten op hun verantwoordelijkheid terzake te wijzen. De ngo’s die deelnamen aan het 11.11.11-seminarie in Manilla erkenden de nood aan samenwerking tussen mensenrechten- en ontwikkelingsorganisaties. Een deelneemster merkte op dat het voor de bescherming van het inkomen en de kostwinning van mensen die bedreigd worden met onteigening, onvoldoende is om de veestapel of een rijstoogst veilig te stellen. Naast het redden van de oogst moet je de regering dan ook aanspreken op haar plicht om een recht op voedsel te verzekeren, of een recht op huisvesting. Haar organisatie concentreerde zich vooral op het eerste luik, maar zag de nood aan samenwerking in met mensenrechtenorganisaties, om ook het onteigeningsprobleem aan te pakken vanuit de invalshoek van economische, sociale en culturele rechten. Een andere deelneemster verwees naar haar ervaring met een mislukte aardappeloogst: haar organisatie had boeren een lening toegestaan om aardappelen te kunnen verbouwen. Een aardappelziekte verwoestte de oogst. Naast het herschikken van de terugbetalingsverplichtingen door haar eigen organisatie, meende ze dat ook de overheid hierin zou kunnen worden aangesproken vanuit haar plicht om een recht op voedsel te verzekeren.

Mensenrechtenactivisten hebben niet noodzakelijk de expertise in huis om economische en sociale gegevens en statistieken te verwerken. Ontwikkelingsorganisaties die hiermee vertrouwd zijn, vertalen deze gegevens niet noodzakelijk in mensenrechtentermen. Ontwikkelingsorganisaties hebben in vele gevallen ook veel meer voeling met de basis, het lokale niveau waarop ze werken, dan de mensenrechtenexpert die een schending komt onderzoeken. Samenwerking kan activisten in het domein van economische, sociale en culturele rechten een juiste analyse bieden van de situatie die ze onderzoeken, en kan ontwikkelingswerkers helpen om een probleem te herkennen als een mensenrechtenschending.

WAT HEBBEN MENSENRECHTEN TE BIEDEN?

Critici stellen de vraag of die mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking echt iets nieuws te bieden heeft. De geringe afdwingbaarheid van mensenrechten, en vooral van economische, sociale en culturele rechten, moet dan het tegendeel bewijzen. Niet helemaal terecht.

Wanneer mensenrechten in nationale wetgeving zijn omgezet, vormen ze wel degelijk bruikbare instrumenten. In Venezuela heeft de organisatie Programa Venezolano de Educación y Acción en Derechos Humanos (PROVEA) actie gevoerd tegen een nationale oliemaatschappij die een petrochemische fabriek vestigde net buiten El Hornito, een klein stadje aan de westkust van Venezuela. De nabijheid van de fabriek veroorzaakte uiteenlopende problemen. Het aantal kinderen dat met een handicap of ernstige gezondheidsproblemen werd geboren steeg, de opbrengst van de oogst in de omgeving van El Hornito verminderde sterk, ontploffingen in de fabriek beschadigden het dorp en vervuilden de omgeving. De bewoners waren bereid te verhuizen mits compensatie vanwege de oliemaatschappij. PROVEA baseerde zich op het recht op gezondheid, het recht op huisvesting en op de bestaande milieuwetgeving om herstel te vragen voor de getroffen bevolking.

PROVEA diende een klacht in bij de VN-subcommissie ter bevordering en bescherming van mensenrechten. Het werd na het indienen van de klacht onmiddellijk uitgenodigd voor een gesprek met de Venezolaanse president en op de voornaamste ministeries. Vóór het indienen van de klacht had PROVEA verschillende vruchteloze pogingen gedaan om een onderhoud te kunnen hebben met de president. De juridische benadering van het probleem, en het feit dat er ook internationale weerklank aan werd gegeven, plaatste El Hornito op de Venezolaanse politieke agenda. Intussen zijn de inwoners van El Hornito verhuisd en krijgen de inwoners compensatie. De zaak werd ook voor een nationale rechtbank gebracht. Die behandelt de vraag of de oliemaatschappij het recht op gezondheid van de inwoners van El Hornito geschonden heeft, of de milieuwetgeving geschonden is en of de nieuwe woningen die ter beschikking werden gesteld, in overeenstemming zijn met wat het recht op huisvesting vereist. Er is nog geen uitspraak gedaan in deze zaak

Ook andere juridische instrumenten zoals milieuwetgeving kunnen een basis voor actie bieden. In Chili bijvoorbeeld heeft de bevolking van het vissersdorp Mehuin kunnen verhinderen dat giftige afvalstoffen van een nabijgelegen cellulosefabriek in hun baai geloosd zouden worden. Dat was het resultaat van een grote campagne, gevoerd door de gemeenschap en ondersteund door ecologische organisaties die hun expertise ter beschikking stelden om de eis juridisch en ecologisch te onderbouwen, om onderhandelingen te voeren en de mensen te mobiliseren. De combinatie van een breed gedragen verzet binnen de gemeenschap en een juridisch onderbouwde eis, waardoor ook de regering zich aangesproken voelde, bleek succesvol.

Maar er zijn ook beperkingen aan een rechtenbenadering. Economische, sociale en culturele rechten schetsen in de eerste plaats verantwoordelijkheden van staten . Zij alleen kunnen worden aangesproken voor schendingen, terwijl zij niet noodzakelijk de ergste schenders zijn (zie artikel Koen De Feyter). De afdwingbaarheid van mensenrechten is echter niet de enige maatstaf voor de effectiviteit van een actie die ontwikkeling benadert als een mensenrecht.

ECONOMISCHE, SOCIALE EN CULTURELE RECHTEN ALS ACTIEMIDDEL OP NATIONAAL VLAK

De meerwaarde van een rechtenbenadering van ontwikkeling is ruimer. Mensenrechten bieden een universeel begrippenkader. Gebruik maken van deze concepten kan verhelderen en helpt organisaties om hun werkterrein af te bakenen, hun acties te formuleren en hun doelstellingen scherp te stellen. Rechtszaken hebben in dat geheel vooral een voorbeeldfunctie. Een zaak in Ecuador illustreert dit: de activiteiten van de oliemaatschappijen Texaco en Petro-Ecuador zorgden voor aanzienlijke milieuschade aan de Ecuadoraanse Amazone. Lokale organisaties deden een beroep op het Amerikaanse Centre for Economic and Social Rights (CESCR) om hun lokaal protest te versterken. CESCR organiseerde een onderzoeksmissie met milieuspecialisten en geneesheren om de graad van vervuiling en de gevolgen ervan voor de gezondheid van de bevolking in kaart te brengen. Op basis van de onderzoeksresultaten schreef CESCR, in samenwerking met de Ecuadoraanse organisaties, een rapport over de schendingen van het recht op gezondheid in het Amazonegebied. Het rapport achtte de regering verantwoordelijk voor de schending van het recht op gezondheid en het recht op een schoon leefmilieu (a) omdat ze betrokken was bij de vervuiling van het drinkwater door de activiteiten van de nationale oliemaatschappij Petro-Ecuador, (b) omdat ze haar verplichting om het recht op gezondheid te beschermen schond, omdat ze onvoldoende wetgeving voorzag die de activiteiten van multinationals, zoals Texaco, regelt en (c) omdat ze de bevolking te weinig kanalen bood om herstel te eisen, en haar te weinig informeerde over activiteiten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Dat rapport vormde de basis voor een internationale campagne om regeringen en oliemaatschappijen op hun verantwoordelijkheden te wijzen. De Ecuadoraanse ministers voor mijnbouw en energie bezochten de streek.

Het bleek veel moeilijker om het Amerikaanse Texaco aan te pakken. CESCR ondersteunde Ecuadoranen die in de Verenigde Staten een klacht indienden tegen Texaco. In eerste aanleg werd de zaak onontvankelijk verklaard en doorverwezen naar Ecuadoraanse rechtbanken. Het Hof van Beroep besliste evenwel dat de Amerikaanse rechtbanken bevoegd waren om klachten tegen een Amerikaanse multinational te behandelen. Er is nog geen uitspraak gedaan in deze zaak.

De campagne leidde tot de oprichting van het Frente de Defensa de la Amazonia, een organisatie met vertegenwoordigers van verschillende gemeenschappen die de gevolgen dragen van de activiteiten van de oliemaatschappijen. De rechtszaak, de internationale campagne en de media-aandacht die hieraan werd gegeven, versterkte de acties van de lokale gemeenschappen en bevorderde hun samenwerking. Deze rechtszaak heeft ertoe geleid dat de gezondheids- en milieuproblemen die verband houden met de activiteiten van de betrokken oliemaatschappijen niet langer worden beschouwd als een kwalijk gevolg van een economische activiteit, maar als een schending van een heel concreet mensenrecht, het recht op gezondheid.

Rechtszaken hebben naast herstel voor een slachtoffer ook een ruimere, mobiliserende functie. Het gebruiken van een rechtenbenadering om een onrecht te bestrijden, helpt om een strategie te bepalen. Soms zal een rechtszaak de aangewezen manier zijn om sociaal onrecht aan te klagen, in andere gevallen zal het definiëren van een probleem als juridische verplichting een steviger basis bieden voor lobbywerk of campagnes.

Ook begrotingen zijn een goede parameter om na te gaan of een regering zijn verplichtingen op het vlak van economische, sociale en culturele rechten nakomt. In India (Gujarat) heeft de ontwikkelingsorganisatie Developing Initiatives for Social and Human Action (DISHA) gaandeweg expertise opgebouwd om budgetanalyses te maken. DISHA werkt tegen uitbuiting en scheefgetrokken machtsverhoudingen in arme gemeenschappen en gebruikt sinds een tiental jaren begrotingsanalyses om te ijveren voor een meer sociale besteding van de beschikbare middelen. DISHA verspreidt de resultaten van zijn analyse naar de lokale gemeenschappen, geeft er ruchtbaarheid aan in de pers en gebruikt de analyse om beleidsmakers te beïnvloeden. Het organiseert ook trainingsprogramma’s om andere ngo’s vertrouwd te maken met het begrotingsproces. Begrotingsanalyses bieden stevig materiaal om eisen op het vlak van de verwezenlijking van economische, sociale en culturele rechten concreet te maken, en alternatieve beleidsvoorstellen te formuleren. De begroting bekijken vanuit dat perspectief vereist echter een grondige kennis van de inhoud van die rechten. Dit onderstreept nogmaals de nood aan samenwerking tussen ontwikkelings-ngo’s en mensenrechtenorganisaties.

INTERNATIONALE ACTIES

Ook internationaal zijn er kanalen beschikbaar om rond economische, sociale en culturele rechten te werken. De meest bekende zijn de mensenrechtenorganisaties binnen de Verenigde Naties. Daar bestaat er een onderscheid tussen de organisaties die de implementatie van mensenrechtenverdragen opvolgen, zoals het VN-comité voor Economische, Sociale en Culturele rechten, en de politieke organen die schendingen van mensenrechten behandelen, zoals de VN-commissie Mensenrechten.

Staten moeten in principe om de vijf jaar rapporten indienen bij het VN-comité voor economische, sociale en culturele rechten, dat samengesteld is uit onafhankelijke experts die door regeringen zijn aangewezen. Die rapporten worden in het Comité besproken. De experts beroepen zich bij de discussie over de rapporten vaak op informatie van ngo’s. De zittingen van het VN-comité zijn publiek. Ook de opmerkingen van de experts bij de rapporten worden in publieke documenten weergegeven. Sommige ngo’s grijpen de rapporteringsplicht aan het VN-comité aan om schaduwrapporten voor te stellen waarin ze het beleid van hun overheid op dat vlak onder de loep nemen. De Colombiaanse Commission of Jurists diende in 1995 een vragenlijst in bij het rapport dat door de regering werd voorgelegd aan het Comité. De tussentijdse werkgroep van het Comité die de vergaderingen voorbereidt, gebruikte de lijst om de Colombiaanse overheid verduidelijking te vragen over een veertigtal hiaten of onvolledigheden in het verslag.

Tijdens het 11.11.11-seminarie in Manilla spraken ontwikkelingsorganisaties en mensenrechtenactivisten af om hun krachten te bundelen en samen een schaduwrapport voor te bereiden voor het VN-comité rond het beleid van de Filipijnse overheid inzake economische, sociale en culturele rechten.

Werken met schaduwrapporten leidt niet tot vergoeding van slachtoffers van schendingen. Schaduwrapporten zijn vooral bruikbaar als lobbyinstrument om acties die op nationaal niveau worden gevoerd te versterken en internationale weerklank te geven. Ngo’s zijn het er grotendeels over eens dat internationale of regionale acties enkel nuttig zijn in combinatie met initiatieven op nationaal niveau.

De afdwingbaarheid van economische, sociale en culturele rechten bij de VN-Commissie Mensenrechten is nog verre van volmaakt. De Latijns-Amerikaanse organisatie ALOP voert op dit ogenblik campagne voor een Aanvullend Protocol bij het Verdrag over Economische, Sociale en Culturele rechten dat een individueel klachtrecht zou voorzien bij de VN-commissie mensenrechten voor slachtoffers van schendingen op dat vlak. Tot vandaag hebben staten daarvoor enkel een rapporteringsplicht ten aanzien van de VN-commissie mensenrechten.

Ook regionaal bestaan er toezichtmechanismen voor die rechten. De Inter-Amerikaanse Commissie Mensenrechten, het toezichtmechanisme bij het Inter-Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de mens van de Organisatie van Amerikaanse staten, kan individuele klachten horen over schendingen van vakbondsrechten en schendingen van het recht op onderwijs. De Commissie kan vervolgens een klacht indienen bij het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens.

In Afrika is in 1998 een Aanvullend Protocol aanvaard bij het Afrikaans Handvest voor de Rechten van de Mens en de Volkeren, dat een klachtrecht voorziet voor individuen en ngo’s. In Azië zijn er voorlopig geen regionale instanties voor de bescherming van mensenrechten.

INTERNATIONALE FINANCIËLE INSTELLINGEN: HET INSPECTION PANEL VAN DE WERELDBANK

Voor internationale financiële instellingen liggen mensenrechten nog steeds moeilijk. We beperken ons in dit overzicht tot de Wereldbank. De statuten van de Wereldbank stellen dat ze niet gebonden is door mensenrechtenverdragen, ook al is ze een gespecialiseerde instelling van de Verenigde Naties. De Wereldbank wil zich in haar werking enkel laten leiden door economische overwegingen.

En toch beweegt er ook wel wat binnen de Wereldbank. De projecten die ze financiert hebben onvermijdelijk een effect op de bevolking van het betrokken land. Om de negatieve sociale gevolgen te beperken, heeft de Wereldbank een aantal richtlijnen aanvaard die verband houden met economische, sociale en culturele rechten. Voorbeelden hiervan zijn de interne richtlijnen over inheemse volkeren, over milieueffectenbeoordeling,over gedwongen verhuizing, en het Wereldbankbeleid inzake participatie.

Om te waken over de correcte toepassing van de beleidsrichtlijnen heeft de Wereldbank in 1993 een Inspection Panel opgericht. Dit panel behandelt klachten van ‘twee of meer personen, organisaties, verenigingen of andere groepen’ die zich benadeeld voelen wanneer de Wereldbank die interne richtlijnen niet naleeft. Op verzoek van het panel kan het Bestuur van de Wereldbank besluiten een onderzoeksmissie ter plaatse te sturen, mits toestemming van het betrokken land. Het panel maakt op basis van dit onderzoek een rapport op voor het bestuur. Het bestuur beslist of het project moet worden aangepast of opgeschort.

Langzaamaan beginnen ngo’s gebruik te maken van dit kanaal. In Argentinië heeft het Centro de Estudios Legales y Sociales (CELS) een beroep gedaan op het Inspection Panel naar aanleiding van een Wereldbanklening in 1998, die moest leiden tot een betere sociale bescherming voor de bevolking en een betere kwaliteit van de sociale dienstverlening. Om hieraan te beantwoorden zou Argentinië 24 sociale programma’s steunen, gericht op de armste bevolkingslaag. In 1999 snoeide de Argentijnse regering in het budget voor een voedselprogramma dat in dat kader werd opgezet. Het Inspection Panel stelde op basis van de klacht van CELS een onderzoek in. De Argentijnse overheid had -waarschijnlijk mede onder druk van de klacht van CELS- de situatie voor het einde van de onderzoeksmissie echter gecorrigeerd. De missie eindigde met kritiek van het Panel op de gebrekkige opvolging door de Wereldbank van de budgettoelagen die verbonden waren aan de lening.

Een bekender voorbeeld waarbij ngo’s zich tot het Inspection Panel wendden, speelt zich af in China. Het ging om een armoedebestrijdingsproject, waarbij ongeveer 60.000 Chinese boeren vrijwillig moesten verhuizen naar een provincie in China met een schaarse, overwegend Tibetaanse en Mongoolse bevolking. De plotse influx van een groot aantal sedentaire Chinezen zou een bedreiging vormen voor de nomadische cultuur van de oorspronkelijke Tibetaanse en Mongoolse bevolking. Een aantal van hen vroeg de Amerikaanse ngo International Campaign for Tibet om hen te vertegenwoordigen in een klacht bij het Inspection Panel. In 1999 besliste het bestuur van de Wereldbank om het Inspection Panel een onderzoek ter plaatse te laten uitvoeren. Het Inspection Panel stelde een uitermate kritisch rapport op over het project. Het management van de Wereldbank stelde samen met de Chinese overheid een aantal amendementen voor om het project in overeenstemming te brengen met de interne Wereldbankrichtlijnen. De Raad van Bestuur verwierp dit voorstel echter als onvoldoende. De Chinese overheid heeft zijn aanvraag om wereldbankfinanciering te verkrijgen vervolgens ingetrokken, met de boodschap dat China het project wel zelf zou financieren. Of de Tibetaanse en Mongoolse bevolking in de regio hiervan beter zal worden is minstens twijfelachtig. Een betrokkenheid van de Wereldbank bij dit project zou hun belangen waarschijnlijk beter hebben gediend. Wat de zaak opmerkelijk maakt, is dat China hier voor het eerst een onderzoeksmissie toelaat. Het gaat hier niet om een mensenrechtenmissie, maar de interne richtlijnen waarop het panel zich baseert, zijn inhoudelijk onlosmakelijk met mensenrechten verbonden.

De onderzoeksbevoegdheid van het Inspection Panel heeft duidelijk zijn beperkingen. Het biedt geen compensatie aan de slachtoffers die de klacht (laten) indienen. Wat wel kan, is dat het Wereldbankproject aangepast wordt, dat het panelbezoek een zeker aanzien geeft aan de problemen die worden aangekaart en dat er weerklank komt vanuit de getroffen bevolking.

DE INHOUD VERDER VERFIJNEN

De benadering via economische, sociale en culturele rechten is niet geheel nieuw. Organisaties waaraan gevraagd wordt of ze daarrond werken, verwijzen naar hun jarenlange acties tegen economische en sociale onrechtvaardigheid. Die rechten kunnen hier een bijkomend instrument bieden. Naarmate ze meer worden gebruikt, wordt de invulling van ervan ook steeds preciezer. Een aantal intergouvernementele organisaties en academici hebben hierrond al heel wat werk verzet. De General Comments van het UN-Comittee on Economic, Social and Cultural Rights, de Limburg-Principles en de Maastricht-Guidelines on Economic, Social and Cultural Rights die aan de universiteit van Maastricht werden uitgewerkt verfijnen steeds meer de inhoud van de vrij vage omschrijvingen in het Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten. Ook ngo’s doen hier hun deel van het werk: organisaties als PROVEA in Venezuela, of TFDP in de Filipijnen trachten indicatoren te ontwikkelen voor economische, sociale en culturele rechten.

Mensenrechten bieden een bril om naar ontwikkeling te kijken en hiervoor een universeel begrippenkader te gebruiken. Minimaal vereist een aanpak via economische, sociale en culturele rechten dat ngo’s hun hulpacties om aan dringende menselijke noden te voldoen, koppelen aan acties om de staat attent te maken op zijn juridische verplichtingen terzake. Als ontwikkelingsorganisaties een beroep doen op dit instrumentarium, en als mensenrechtenorganisaties zich meer op economische, sociale en culturele rechten richten, zal dat de verdere ontwikkeling van die rechten ten goede komen. Ze hebben elkaar nodig om dit te doen.

BRONNEN

BENOIT, A., COTTENIE, J., DE FEYTER, K. En VERLEYEN, H., Filling the gaps, paper voor het seminarie over Ontwikkeling en Economische, Sociale en Culturele Rechten, Brussel, maart 2000 (zie www.11.be, onder standpunten)

INTERNATIONAL HUMAN RIGHTS INTERNSHIP, Ripple in still water, Reflections by activists on local and national-level work on Economic, Social and Cultural Rights, Washington, 1997

JOCHNICK, C., Promoting the right to health and a healthy environment in the Ecuadorian Amazon. A case study in advocacy around ESC-rights, paper prepared for a WOLA/ILD conference on new strategies for Human Rights in Latin America, July 1999.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3030   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Met de steun van

 3030  

Onze leden

11.11.1111.11.11 Search For Common GroundSearch For Common Ground Broederlijk delenBroederlijk Delen Rikolto (Vredeseilanden)Rikolto ZebrastraatZebrastraat Fair Trade BelgiumFairtrade Belgium 
MemisaMemisa Plan BelgiePlan WSM (Wereldsolidariteit)WSM Oxfam BelgiëOxfam België  Handicap InternationalHandicap International Artsen Zonder VakantieArtsen Zonder Vakantie FosFOS
 UnicefUnicef  Dokters van de WereldDokters van de wereld Caritas VlaanderenCaritas Vlaanderen

© Wereldmediahuis vzw — 2024.

De Vlaamse overheid is niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze website.