‘Onze eigen muziek moeten we importeren’

Congo bulkt van de muzikale supersterren, maar levert hun wereldberoemde rumba ook iets op voor de gemiddelde Congolees? Zijn de aanbeden muzikanten de sterkhouders van een krachtige cultuur of juist de doodgravers ervan? MO* ging de temperatuur opnemen in Congo en weet nu meer dan ooit: wij houden van het land, zijn volk en zijn muziek.

  • Gie Goris De meeste muzikanten blijven ervan overtuigd dat Kinshasa nog steeds de navel van de Afrikaanse muziek is. Gie Goris

Op 30 juni viert de Democratische Republiek Congo zijn vijftigste verjaardag als onafhankelijke natie. ‘We zullen die cinquantenaire vieren, als we er het geld voor hebben’, zegt Yantula “Petit Pierre” Bobina, die een halve eeuw geleden conga’s speelde in African Jazz toen dat orkest in Brussel de avondfeesten animeerde voor de Congolese delegatie aan de Ronde Tafel. Nadat die conferentie de datum voor de onafhankelijkheid vastlegde, componeerde zanger Kallé Jeff het onsterfelijke Indépendance Chacha, nog altijd de informele nationale hymne in Congo.

Yantula klaagt over de verdwenen koopkracht, anderen klagen over de even radicaal bedreigde creativiteit in de muziek. Dizzy Mandjeku bijvoorbeeld, die bij alle groten speelde voordat hij in 1988 in Europa belandde en die nu toert met de Belgisch-Congolese rapper Baloji en met de al even Belgisch-Congolese Zap Mama: ‘In 1960 maakten artiesten muziek om de hartslag van de samenleving uit te drukken. Nu leveren muzikanten een product op maat van bepaalde doelgroepen, op commando van de uitgevers.’

Mandjeku klaagt over een typisch Congolees fenomeen dat mabanga genoemd wordt: wie genoeg betaalt, krijgt een vermelding in een lied. En dat houdt niet op bij één gesponsorde naam. Daardoor wordt er zelfs in liefdesliedjes aan product placement van politici, bedrijfleiders en andere rijken gedaan. Het is duidelijk: de muzikale viering van 30 juni zal niet zonder discussie verlopen.

Aan de kop van de Boulevard du 30 juin, ter hoogte van het vervallen, geelgrauwe centraal station, is een monumentje gebouwd dat op 30 juni 2010 –de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid– moet tonen welke glorieuze toekomst de natie de komende halve eeuw te wachten staat. Het bakstenen kunstwerk staat in de steigers, niemand lijkt zich te bekommeren om zijn afwerking, en de esthetiek is allesbehalve 21ste eeuws. De jaren zestig lijken nooit voorbij te gaan in deze stad, al is de bevolking van Kinshasa van 400.000 inwoners in 1960 geëxplodeerd tot ten minste acht miljoen vandaag.

Vlakbij, in de theaterzaal van Collège St. Joseph, staat een tiental zangers, zangeressen en muzikanten te parelen van het zweet terwijl ze greep proberen te krijgen op het muzikale repertoire dat hun land de voorbije vijftig jaar gemarkeerd heeft. Hier wordt de hele namiddag op elektriciteit bespaard –als die er al is– maar niet op muzikale energie. Om iemand te situeren, wordt niet gevraagd naar stam of streek, maar naar de muzikale pedigree.
De ouderen herinneren er trots aan dat ze ooit gespeeld hebben in de legendarische orkesten van Franco Luambo Makiadi (het Tout Puissant Orchestre Kinois Jazz), Tabu Ley Rochereau (Afrisa International) of Joseph Kabesele (African Jazz) –of ze sommen de jaren op dat ze in het ene en daarna in het andere orkest speelden. De jongeren situeren zich in de concurrerende kampen van supersterren als Werrason en JB Mpiana, of ze dwepen met de onbespoten rumba van oudere goden als Papa Wemba of Zaiko Langa Langa.

Bron van trots

De geluidsversterkers in Collège St. Joseph staan, zoals overal in Kinshasa, op tien. De  melodie raakt erdoor vervormd, de eventuele subtiliteiten gaan onherroepelijk verloren, maar de evenaar lijkt erom te vragen. Op de vlucht voor die heupwiegende decibels beland ik onder een majestueuze boom. Er wordt druk gepalaverd over de concerten die op 29 en misschien zelfs op 30 juni in Kinshasa moeten doorgaan, en over de ploeg die daarna doorreist naar Brussel om in Bozar de kleuren van de cinquantenaire te verdedigen.

Als Manda Tchebwa tussenkomt, wordt er geluisterd. Tchebwa is voorzitter van de Association des journalistes chroniqueurs de musique du Congo-Kinshasa en auteur van onder andere Musiques Africaines : nouveaux enjeux, nouveaux défis. ‘Muziek is de draad die het weefwerk van de Congolese samenleving samenhoudt’, antwoordt hij op de vraag of het wel gepast is om vijftig jaar onafhankelijkheid te vieren met een concert, terwijl er geen einde lijkt te komen aan geweld, armoede en corruptie. Tchebwa beklemtoont dat de “hedendaagse Congolese muziek” een bron van trots is voor elke Congolees.

De voorbije vijftig jaar is de wegeninfrastructuur verkruimeld, het onderwijs ineengestort, de gezondheidszorg zo goed als verdwenen en de economie verdampt, maar de rumba alias soukous alias ndombolo: die blijft bestaan. Alhoewel. Tchebwa: ‘Door de toenemende instabiliteit en de verslechterende staat van de economie verdween de muziekindustrie uit Congo. De opnamestudio’s sloten hun deuren, de platenmaatschappijen gingen failliet en de muzikanten trokken naar Europa. Het gevolg is dat we nu zelfs onze eigen muziek als afgewerkt product moeten importeren, zodat de toegevoegde economische waarde ervan in Parijs of desnoods in Abidjan blijft.’

Cubaanse son

André Yoka Lye –auteur, columnist van Congo’s beste krant, Le Potentiel, prof aan het Institut National des Arts, raadgever bij het ministerie van Cultuur en vertegenwoordiger van Unesco in Congo– bevestigt later Tchebwa’s analyse. ‘Traditioneel was muziek een soevereine machtsfactor in de samenleving. Vanaf de geboorte tot bij de begrafenis, en bij alle kleine en grote gebeurtenissen tussenin, was muziek de bemiddelaar van betekenis en samenhang in de gemeenschap.’ Die lijn werd halverwege de vorige eeuw doorgetrokken bij het ontstaan van de hedendaagse muziek, die de nieuwe stedelijkheid en diversiteit van Congo uitdrukte: Portugese, Latijns-Amerikaanse en West-Afrikaanse muziektradities vermengden zich met de muzikale vernieuwingen die ontstonden rond de rivierhandel op de Congostroom.

Christelijke hymnes, militaire koperblazers en traditionele Afrikaanse ritmes zochten raakpunten en vonden die –gezien de geschiedenis van slavenhandel niet geheel verrassend– in de Cubaanse muziek die na de Tweede Wereldoorlog wereldwijd opgang maakte. De Congolese muzikanten begonnen Cubaanse son te spelen en de Griekse platenbazen en hun Belgische cliënteel noemden het rumba.

Yoka Lye: ‘In de jaren zestig en zeventig was Kinshasa het middelpunt van de Afrikaanse muziek, dankzij de uitstekende opnamestudio’s en platenmaatschappijen. De algemene achteruitgang van de Congolese economie en de groeiende politieke en maatschappelijke instabiliteit werkten op dat culturele bouwwerk echter in als tropische regen op de straten van Kinshasa: het spoelde allemaal weg tot alleen de putten achterbleven als herinnering aan wat er ooit was.’

Niet iedereen deelt de mening van Yoka Lye. De meeste muzikanten blijven ervan overtuigd dat Kinshasa nog steeds de navel van de Afrikaanse muziek is. Al is er niemand die ‘vandaag’ antwoordt op de vraag in welke jaren de gouden periode van de Congolese muziek zich situeert.

Brouwerijsponsors

‘Langs het hoogriet, langs de laagwei schuift de kano naar zee, schuift met de schuivende maan de kano naar zee.’ Paul Van Ostayens Melopee lijkt op het uitgestrekte lijf van de Congostroom geschreven. Zo hectisch het leven in de stoffige straten van Kinshasa is, zo ingehouden is de waterkracht die plukken gras, visserssloepen en boomstronken langs de hoofdstad van Congo stuwt.

Aan de overkant ligt tweelingstad Brazzaville, hoofdstad van de Republiek Congo. Toen de Congolose muziek ontstond, was de rivier nog geen onoverkomelijke grens en speelden muzikanten in beide steden. Nu is die uitwisseling quasi stilgevallen. Overigens raadt iedereen het af om, zoals Van Ostayen, ’s avonds langs de stroom te slenteren om wat poëtische inspiratie op te doen, ook al lijkt de diplomatieke wijk aan de bocht van de stroom na valavond uitgestorven.

De Britse ambassade gebruikt hier een gebouw dat nog aan Jean-Pierre Bemba toebehoord heeft, de ex-rebellenleider en voormalig presidentskandidaat die vandaag in een cel in Den Haag de behandeling van zijn zaak voor het Internationaal Strafhof afwacht. De marmeren trap, de ruime vertrekken en de grote ramen met zicht op de schuivende kano’s doen een zekere klasse of tenminste veel geld vermoeden.

Thierry Nlandu, die vanuit deze kantoren een project coördineert dat de greep van het middenveld op gevoelige sectoren als defensie, justitie, veiligheid en financiën wil versterken, ziet de ironie van de locatie wel in. Nlandu is al vele jaren een van de intellectuele sterkhouders van het Congolese middenveld. Hij heeft altijd ingezet op kunst en cultuur als de noodzakelijke ruggengraat van een Congolese renaissance.

Maar hij vindt het wel vervelend dat Congo steeds met muziek en dans geassocieerd wordt: ‘Alsof wij hier hele dagen niet anders doen dan plezier maken en feesten.’ Wat hem nog meer stoort dan de internationale clichés over Congo, is de platte exploitatie van de muzikale grondstof door opportunistische muzikanten, hun brouwerijsponsors en de media die zich aan de hoogstbiedende verkopen. ‘De muziek die vandaag de radiogolven en tv-uitzendingen domineert, is niet meer dan een roesmiddel dat de mensen in staat stelt hun ellende even te vergeten. En dat geldt zowel voor de commerciële dansmuziek als voor de religieuze tegenpool. De eerste concentreert alles op seksuele opwinding, de tweede wil je in slaap wiegen.’

Zijn de muzikanten dan mee verantwoordelijk voor de trieste staat waarin het land zich bevindt? ‘Niet echt’, zegt Nlandu. ‘Muzikanten en andere kunstenaars houden de samenleving een spiegel voor, waarin ze haar eigen schamelheid en obsessie met uiterlijkheden kan ziet. Alleen doen muzikanten dat met zoveel schwung en zo weinig reflectie dat niemand er nog door verontrust wordt.’

Serieus kunstonderwijs

Zijn de Congolezen echt gebiologeerd door uiterlijke pracht en praal? Je hebt natuurlijk de uit Brazzaville overgewaaide SAPE –Societé Anonyme des Personnes Elegants– die de obsessie met mode, juwelen en dure kleren tot in het extreme –en ver daar voorbij– doorvoert. ‘De SAPE is een uit de hand gelopen provocatie van het establishment’, probeert André Yoka Lye. Maar ook hij beseft dat die artistieke interpretatie dreigt voorbij te gaan aan de realiteit dat succes gemeten wordt aan de omvang van de wagen, het goud op de zwarte borst en het aantal meisjes aan elke hand.

Zizi Kabongo, directeur radio van de openbare omroep RTNC, vindt dat de overheid mee verantwoordelijk is voor de verelendung van de Congolese muziek, en dat niet alleen omdat staat en economie kaalgeplukt werden door de politieke leiders. ‘In 1960 ging het enkel over het verwerven van de politieke macht, niemand sprak toen over het belang van cultuur. En toen Mobutu wel besefte dat je in dit land niet kan regeren tegen de tradities en hun machtsstructuren in, lanceerde hij initiatieven zoals de authenticiteitspolitiek waarin de traditionele cultuur louter een instrument werd om zijn eigen positie te betonneren.’

Philémon Mukendi, minister van Cultuur en Kunst van 2005 tot 2007, deelt die visie. En hij klaagt over de totale budgettaire verwaarlozing van alles wat met cultuur te maken heeft. Op dit moment is hij directeur van het Institut National des Arts, ooit een prestigieuze instelling, nu een overbevolkt gebouw in lamentabele staat. ‘We zouden moeten beginnen met serieus kunstonderwijs te integreren in onze curricula’, zegt hij. ‘Dan zouden de muzikanten beter geschoold zijn en stilaan grenzen kunnen verleggen, in plaats van eeuwig dezelfde schema’s te kopiëren. En dan zou het publiek beter gevormd en veeleisender reageren.’

Culturele biodiversiteit

Om muziek te laten uitgroeien tot een stevig fundament voor een zelfzekere Congolese samenleving, vinden heel wat gesprekspartners, moet er opnieuw veel meer diversiteit komen. Weg van het monopolie van de ambiancemakers, terug naar muziek die ergens over gaat en die artistieke ambities heeft. Een weekje in de Congolese hoofdstad leert dat er aan muzikale diversiteit geen gebrek is –alleen breekt die niet door in de mainstreammedia.

Tijdens een uitstapje in Matonge –waar het soms moeilijk was om de muziek te horen door het alomtegenwoordige gebrom van dieselgeneratoren– zag ik het Orchestre Basokin, een groep die haar wortels in Kasai Oriental dik in de verf zette met een mix aan traditionele en elektrische instrumenten. Zanger Mputu “Mi Amor” Ebondo: ‘Wij vechten voor de culturele biodiversiteit van dit land, en daarvoor moeten we opboksen tegen zowel de commerciële als de evangelische belangen.’

In de voorstad N’Djili was ik te gast op een repetitie van de groep Washiba, ook al Kasaïens die er een punt van maken om hun culturele erfenis te respecteren, al creëren ze tegelijk heel vernieuwende muziek in zowel Lingala, Chiluba, Swahili en Kikongo. Elders in N’Djili zag ik Staff Benda Bilili, de groep rond een aantal door polio verlamde zangers die op dit moment een ware rage zijn… in Europa.

Leon “Ricky” Likabu, de leider van de groep: ‘In Congo is er geen aandacht en geen ruimte voor mensen met een handicap. Daarom zijn we naar een paar blanken gestapt en met hen in zee gegaan. Nu we in Europa doorbreken, is er ook hier interesse in ons kunnen.’ In het piepkleine culturele centrum Les Bejarts, in de gemeente Bandal, vertelt Pappy Maurice Mbwiti over het belang van rap om jongeren een stem te geven in het muzikale landschap van Congo. ‘De jongeren breken de klassieke rumba open en injecteren er tonnen sociale kritiek in. Maar de overheid volgt niet en ondersteunt dit jonge geweld op geen enkele manier.’

Jean Goubald, die door zowat iedereen geciteerd wordt als een voorbeeld van het noodzakelijke muzikale alternatief: ‘Als we vijftig jaar onafhankelijkheid willen vieren, dan moeten de mensen dringend vrijheid verwerven op het vlak van denken, spreken en kennis. Want de voorbije halve eeuw hebben we vooral gezien dat de politieke en economische machthebbers in dit land en hun westerse steunpilaren er alles aan gedaan hebben om nieuwe afhankelijkheden te creëren. De intellectuele armoede die daardoor ontstond, kwam goed uit voor de schimmige zakendeals die het land verder plunderen. De echte armoede van de bevolking verklaart haar obsessie met geld en materieel succes.’ Wat kan hij daar als muzikant aan doen? Goubald reageert met een verlegen glimlach: ‘Wie zich wil verzetten tegen een veralgemeend m’as-tu-vu-isme, moet vooral sober en subtiel zijn. Alleen zo geraken we af van de cultuur van de kuluna (jeugdbendes) en kuluna en cravattes (de corrupte ambtenaren, zakenlui en politici).’

50 jaar Congolese muziek: het concert
Op 16 juli komen  Papa Wemba, Werrason, Fally Ipupa en Ferre Gola, samen met een groot orkest, versterkt met briljante koperblazers, liederen vertolken die een grote impact hebben gehad op de Congolese maatschappij. Een verjaardagsshow door meerdere generaties artiesten, exclusief voor Europa op 16 juli in Brussel.
Tickets en info: www.bozar.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur