Onze jongens redden de wereld

Wereldwijd stuurt het Belgisch leger zijn troepen uit. Hoeveel manschappen worden er ingezet, hoeveel kosten die interventies ons en waarom is ons land bereid om overal branden te gaan blussen? MO* vroeg het aan de man die een en ander coördineert: Generaal Majoor Frédéric Vandingenen.
‘De toekomst van de Belgische strijdkrachten ligt in de deelname aan internationale vredesoperaties in VN-, EU- of NAVO-verband’, schrijft minister van Defensie André Flahaut (PS) in zijn Stuurplan van Defensie. Sinds het einde van de Koude Oorlog heeft België 46.000 militairen uitgestuurd voor 74 operaties in 25 landen, van Polen over Mozambique tot Haïti en Cambodja. Generaal Majoor Frédéric Vandingenen, als onderstafchef Operaties en Training verantwoordelijk voor de 750 Belgische militairen die vandaag in meer dan 20 landen actief zijn: ‘Jonge democratieën ondersteunen en vrede brengen in onstabiele landen waar dat op een relatief vreedzame manier mogelijk is, dat is de ambitie van het Belgische leger. Daarbij kiezen we bijna altijd voor een multinationale aanpak.’
Sinds 1992 vormen operaties in de Balkan de hoofdopdracht van onze jongens in het buitenland. In Kosovo zien vandaag 218 Belgische militairen toe op het vredesbestand. Ook Afghanistan (ISAF, 235 Belgische militairen) en Congo (Toekomst-Avenir, 217 Belgische militairen) zijn prioritaire landen. Verder werkt een tiental Belgische militairen als waarnemers in Bosnië, Macedonië, Albanië, Kasjmir, Libanon, Israël en Syrië. Daarnaast staan de Belgen ook in voor ontmijningsprogramma’s in Laos en Cambodja, voor de bewaking van de Belgische ambassades in Kigali, Kinshasa en Bujumbura, en de opleiding van Beninese militairen voor vredesoperaties in Ivoorkust.

Hoeveel mag dat kosten?


Van het totale defensiebudget van 2,5 miljard euro is dit jaar 50 miljoen euro voorzien voor buitenlandse opdrachten. Vandingenen telt de 350 miljoen euro bestemd voor training daarbij op en komt zo aan een werkingsbudget van 400 miljoen euro. ‘Daarmee kunnen we onze huidige ambities waarmaken, maar als de wereldsituatie morgen verandert, moeten politici geval per geval kijken of er extra geld kan worden vrijgemaakt.’ In 2003 liep het kostenplaatje van de buitenlandse opdrachten op tot bijna 70 miljoen euro. Daarvan betaalde Defensie 61 miljoen euro, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking de rest.
Zou het niet verstandiger én goedkoper zijn om sneller tussen te komen, zodat gewapende conflicten - en dus ook gewapende interventies- voorkomen kunnen worden? ‘Natuurlijk zijn andere vormen van conflictpreventie, zoals het ondersteunen van de civiele maatschappij, ook heel belangrijk. Maar vooraleer ngo’s en andere organisaties in een land administratieve, juridische en medische diensten op poten kunnen zetten, moet de situatie stabiel zijn. Het is logisch dat je dan eerst militairen stuurt.’
Buitenlandse operaties worden in de regel een half jaar op voorhand voorbereid. Vandingenen: ‘We sturen een verkenningsteam uit naar de regio om de opdracht in te schatten. Vervolgens richten we een nieuwe eenheid op, gesneden op maat van de operatie. Vier maanden voor de start van de opdracht wordt de eenheid samengesteld. Iedereen mag zich kandidaat stellen. Er staan gelukkig altijd genoeg mensen te springen om vier maanden naar het buitenland te gaan. Naast gratis kost en inwoning krijgen ze bovenop hun loon een dagelijkse bonus, die varieert van 92 euro netto voor een korporaal tot 127 euro voor een majoor.’
Culturele alfabetisering “Onze jongens” hebben niet altijd zo’n goede naam en faam, zeker na de schandalen bij de operatie in Somalië. Als reactie daarop is het nu de regel dat militairen die zich in het verleden op een buitenlandse missie hebben misdragen, een administratief onderzoek ondergaan alvorens aan nieuwe, soortgelijke opdrachten te mogen deelnemen. ‘Het ministerie van Justitie gaat op voorhand na of de militairen een gerechtelijk dossier hebben. Bij het uitreiken van visa voor Belgische militairen kan het gastland overigens individuen weigeren. Dat is in het verleden al gebeurd.’
Ter voorbereiding van buitenlandse missies krijgen Belgische militairen gedurende vier maanden een bijzondere opleiding. Daarin zijn amper vier dagen theorielessen over de cultuur en politieke situatie in het gastland voorzien. ‘Dat is weinig maar voldoende’, vindt Vandingenen. ‘Je kunt natuurlijk ook jarenlang de regio bestuderen, maar dat is niet de bedoeling. Voor onze missie in Afghanistan bijvoorbeeld geven de ambassadeur van Afghanistan en de voorzitter van de Moslimexecutieve een dag opleiding. Voorbeelden uit hun lezingen worden later verwerkt in oefeningen op het terrein. Ook tijdens de missie loopt de scholingsopdracht verder.’ Volgens Vandingenen worden alle militairen, van kolonel tot chauffeur, dagelijks gebrieft over de laatste ontwikkelingen in de regio. ‘Een mecanicien, voor wie het weinig verschil uitmaakt of hij een wiel vervangt in een garage in Antwerpen of op de luchthaven van Kaboel, vindt dat misschien niet zo belangrijk. Maar de militairen die van wacht zijn en dagelijks aan de controlepost Afghanen moeten doorlaten, zullen de stand van zaken zeer aandachtig volgen.’

Terug naar Congo


Op 12 jaar tijd hebben 27 manschappen het leven gelaten bij operaties in de Balkan, Somalië en Rwanda. 10 jaar na de moord op 10 Belgische para’s heeft België in januari 2004 opnieuw militairen naar Centraal-Afrika gestuurd. ‘De regering zal hoe dan ook prioriteit blijven verlenen aan Centraal-Afrika’, klinkt het dan ook in het regeerakkoord van Verhofstadt II. In het kader van de missie Toekomst-Avenir helpen 250 landgenoten bij de vorming van een gemengde brigade binnen het Congolese leger. ‘Een moeilijke operatie’, aldus Vandingenen. ‘De Congolese brigade is samengesteld uit leden van verschillende rebellenbewegingen die elkaar eergisteren nog naar het leven stonden. Bovendien zijn de leefomstandigheden in Kisangani erg moeilijk. Gelukkig is de operatie zeer goed gestart. Toen de eerste 800 Congolese militairen al zingend het Belgische kamp binnenmarcheerden, perfect geordend en goed gekleed, weerklonk luid applaus van de bevolking.’
‘Bij de Belgische militairen in Kisangani heerst geen spanning maar opluchting. Over de gebeurtenissen in Rwanda kun je nog tientallen jaren spreken maar op een bepaald ogenblik moet je de moed hebben om initiatieven te ontwikkelen die rekening houden met de lessen uit het verleden. Dat is wat nu gebeurt. Wij doen niets in de plaats van, maar alles samen met de Congolezen. Dat is het verschil met vroeger. Wij hebben in Congo geen zuiver militair objectief.’
Volgens Vandingenen is de ontplooiing van Belgische troepen in Congo niet in tegenspraak met de aanbevelingen van de Rwandacommissie. ‘In haar rapport staat dat er in ex-kolonies geen gewapende militairen ingezet mogen worden voor het oplossen van conflicten. Maar dat is totaal niet onze opdracht. België is in Congo aanwezig om mensen op te leiden in vredesondersteunende operaties.’ En wat als de situatie toch uit de hand dreigt te lopen? ‘In Afrika is alles mogelijk. Als goede militair moeten we daar op voorzien zijn. Keert de situatie, dan zullen we het onderricht stoppen, onze militairen in veiligheid brengen en in laatste instantie naar België terugkeren.’ De Belgen zijn de dappersten onder de Galliërs, nog altijd.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift