Oorlog en geloof in Congo

Toen ze nog Zaïrezen waren, leefden de Congolezen onder de knoet van een kleptomaan regime. Sinds ze weer Congolezen werden, bleven de armoede en de onzekerheid. Begin augustus kwam daar nog maar eens een oorlog bovenop. Hoe houden de mensen het vol temidden van die aaneenschakeling van plagen? Dat vroegen we aan Ivo Vanvolsem, een scheutist die sinds 1972 in Kasaï werkt. Hij is er verantwoordelijk voor ‘Tekemenayi’, het enige tijdschrift voor de Kasaï. Daarnaast is hij actief in kerkelijke en andere basisgroepen, werkt hij op zondagvoormiddagen als gevangenisaalmoezenier en trekt hij zich het lot aan van de Kasaïens die uit Katanga verdreven werden.
Op het moment van ons gesprek was de toestand in Congo gespannen, maar overzichtelijk. President Kabila was nog stevig in Kinshasa gevestigd en de hoofdstad was nog probleemloos voorzien van elektriciteit. De uren en dagen ná het gesprek vielen deze zekerheden één na één weg. Wat overeind bleef, was de overtuiging van Vanvolsem dat de opstand begon als een militaire rebellie, niet als een spontane volksopstand. Al was dat weer niet omdat er geen gemopper was onder het volk: ‘Er was na een jaar ‘revolutionair’ regime nog geen sprake van enige verbetering van de levensomstandigheden. Er worden wel weer belastingen geïnd op allerlei inkomsten, activiteiten en bezittingen, maar van de aangekondigde projecten hebben we nog niets zien aanvatten. Maar eer de mensen echt naar de wapens grijpen, is er nog veel erger nodig.’ De Congolezen leven dus verder op de manier die ze al zo lang kennen: op eigen kracht. Al is dat vaak niet makkelijk. Vanvolsem: ‘De armoede is zo groot dat er in Kananga, de hoofdstad van West-Kasaï, steeds meer mensen hun bloed begonnen te verkopen aan de ziekenhuizen. We hebben daarover gediscussiëerd binnen het overleg van basisgroepen en we werkten een voorstel uit om via vrijwilligers de behoefte aan bloed op te vangen. Toen we dat plan echter begonnen uit te voeren, bleek dat vrijwilliger na vrijwilliger afgewezen werd wegens een tekort aan eigen bloed.’ Een beeld dat kan staan voor het hele land, lijkt me. Na de systematische verarming onder de ‘Mouvance’ van Mobutu, na de plunderingen van de laatste jaren van dat regime, na de bevrijding die slechts enkele dagen voor enthousiasme kon zorgen, krijgen de mensen nu weer een uitputtende oorlog te verwerken. Worden Congolezen dan nooit hopeloos en moedeloos?

‘Dé grote zorg van mensen is om eten te hebben voor zichzelf en voor de familie. Daarnaast zijn onderwijs voor de kinderen en het voorkomen van ziektes het belangrijkste. Eigenlijk zijn de mensen erg taai. Ze blijven rustig, wat er ook gebeurt. Ze zijn nochtans zeer begaan met de situatie, ze willen wéten wat er gaande is. Ze beseffen dat de politiek een grote -maar meestal niet zo’n fraaie- rol speelt in het al dan niet vervullen van de basisbehoeften. Hun rust is dus geen gelatenheid. Maar het is moeilijk voor ons om de juiste woorden te vinden voor die soepelheid van leven, voor hun manier om alles wat lijden, kwaad en ongeluk is te verwerken. Dat verwerken staat overigens niet in de weg van een groot enthousiasme voor verandering en verbetering. Al is dat enthousiasme wel aan het afslijten. Sinds 1990 wordt er gepraat over en gewerkt aan een ‘nieuwe samenleving’. Het duurt te lang eer daarvan iets zichtbaar wordt.’

Wat is het gevolg van de aanslepende onzekerheid in Congo?

Mensen hebben vandaag duidelijk een grote behoefte aan geborgenheid, aan veiligheid, aan zekerheid. Dat is overigens de oorzaak van de groei van de gebedsgroepen, de charismatische beweging en de sekten. In dat soort groepen overheerst de emotionele samenhorigheid en sluit men de dagelijkse ellende en angsten buiten. Dit soort religieuze samenkomsten zie ik toch wel als een vlucht uit de realiteit. Het dagelijkse leven is ook zo hard, dat mensen blij zijn als ze de scherpe kanten ervan even kunnen inwisselen voor de tederheid en de intimiteit van een kleine groep en voor het geloof dat God het allemaal zal oplossen.

Is dat ook de houding die de de kerk aanneemt?

Vanuit de kerkelijke basisgemeenschappen proberen we elk jaar aandacht te vragen voor de herdenking van de ‘martelaren voor de democratie’ op de zestiende februari. Maar dat slaat op veel plaatsen niet zo goed aan. Dat komt te veel van buitenuit en het is te gestructureerd, vrees ik. Anderzijds zijn er momenten waarop de mensen zélf reageren op maatschappelijke spanningen of bedreigingen met religieuze vieringen. Op een moment dat er gevreesd wordt voor plunderingen door niet-betaalde militairen, bijvoorbeeld, kwamen vrouwen zeggen dat de kerk moest open blijven, omdat ze er de ganse nacht wilden waken. Honderden vrouwen bidden en zingen dan de nacht door, op hun manier. In de dagen vóór de bevrijding vorig jaar hebben jongeren zelf het initiatief genomen om verdedigingsgrachten te graven en een gewapende verdediging op te zetten tegen de naderbij komende, plunderende Mobutu-militairen. Ze maakten van de kerk hun hoofdkwartier, ze vroegen ons om hen van munitie te voorzien en de mensen vonden dat goed. Cruciaal in de manier waarop Congolezen reageren op de voortdurende bedreigingen is de zorg voor het beschermen en het voortzetten van het leven. Een gebed is dan ook meestal herleid tot de meest fundamentele vraag om behoed te worden. Tegen plunderingen, tegen de oorlog, tegen elke nieuwe ramp die in legerlaarzen komt aangemarcheerd.

Speelt de familie of de clan een grote rol in de weerbaarheid van de mensen?

Er is momenteel geen orde en geen evenwicht meer in de Congolese samenleving. Men is de voortdurende onzekerheid beu. Ook de traditionele cultuur of godsdienst heeft daarop geen afdoende antwoord meer. Wat wel nog bestaat, is de behoefte aan harmonie. Het onevenwicht waarin mensen nu al jaren moeten leven, ondergraaft stilaan de weerbaarheid van de mensen. De afgelopen jaren maak ik steeds meer mee dat mensen tijdens een individueel gesprek in wenen uitbarsten. Dat is nieuw. Als ik tijd maak om te luisteren naar jonge militairen van het Kabila-regime, criminelen in de gevangenis, jongeren die hun studies hebben moeten stopzetten of jonge moeders: telkens weer eindigt dat in tranen. Twintig jaar geleden was dat ondenkbaar. Er bestaat een zeer diep verdriet in Congo. De toekomst is onzeker voor iedereen. Eén van de weinige zaken die nog troost geven, zijn religieuze rituelen. En dan doet het er niet toe van welke kerk of traditie die uitgaan. Belangrijk is dat er een appèl gedaan wordt op het transcendente, op het goede. Als je ziet hoezeer mensen kunnen opgaan in eindeloze gezangen met handgeklap en dans, dan weet je: dit is voor hen een bron en een uitlaatklep. Het is een vorm die hen helpt om het leven op een positieve manier te herinterpreteren. Geloof en de erbij horende rituelen zijn een onbewuste en niet-rationele overlevingsstrategie.

Heeft die strategie ook een maatschappelijk effect?

Er zijn mensen en groepjes die vanuit hun geloof kiezen voor een actieve inzet. Maar er zijn er te weinig. Misschien zijn Afrikanen meer gericht op het verwerken van het lijden dan op verzet tegen de oorzaken ervan. Voor ons lijkt dat soms op fatalisme, op een gebrek aan wilskracht om aan verandering te werken. Maar dan zie je de volgende dag toch weer het tegenovergestelde. De veerkracht van de Congolezen blijft gewoon verbazen en bewondering wekken.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur