Oost-Europese media na de val van de muur

De mediawereld in Oost- en Centraal-Europa en Rusland weerspiegelt de moeizame zoektocht naar democratie.
De Russen maakten vóór de tijd van de perestroika op het einde van de jaren tachtig het grapje dat de zekerste job in hun land die van torenwachter op het Rode Plein was. Want wie op één van de spitsen nabij het Kremlin de komst van de communistische maatschappij afwachtte, had een functie voor heel zijn leven. Tien jaar later kan gerust gezegd worden dat de waarnemer (m/v) die zicht wil krijgen op het moeizame omvormingsproces van de media in de postcommunistische landen evenzeer levenslang werkzekerheid geniet. De euforie van het nieuwe begin is voorbij. Na de val van de communistische regimes in Centraal- en Oost-Europa en in de voormalige Sovjet-Unie werd achter het vroegere IJzeren Gordijn met pathos gestreden voor onafhankelijke media. De dissidente kranten en radio’s verlieten de clandestiniteit en toverden zich om in privé-ondernemingen. Het staatsmonopolie op radio en televisie werd gebroken door de jacht op de publicitaire inkomsten. Maar in vergelijking met het Westen blijft de situatie van de media er tot op vandaag zorgwekkend.

Media onder borgtocht vrij

De bezorgdheid gaat in twee richtingen. Enerzijds is er de blijvende, weliswaar subtielere censuur vanwege de overheid. Anderzijds worden er steeds meer zendmasten en drukpersen in handen gegeven van westerse multinationals.

Op enkele landen als Polen, Tsjechië en Slovenië na bleven de media mondstukken van de machthebbers, ondanks de nieuwe perswetten die na 1989 goedgekeurd werden. Hans-Peter Lassche, hoofdredacteur van het Nederlandse blad ‘Oost-Europa Verkenningen’, noemt de situatie in Kroatië, Wit-Rusland en Klein-Joegoslavië ronduit hilarisch. Lassche: ‘De regelgeving klopt er perfect, officieel is alle censuur opgeheven. Maar een journalist die zich al te kritisch uitlaat wordt ‘doodgeprocedeerd’ bij rechtbanken. Voor de televisie die qua bereik hoog boven alle andere torent, is de toestand in de drie genoemde landen tragisch zegt hij: ‘Negenennegentig procent van de zendtijd is in handen van de overheid. Het zittend bewind kan rustig propaganda voeren en de rest van de zendtijd opvullen met films, quizzen en soft porno.’

Even verontrustend evenwel zijn de grijpgrage armen van westerse mediaconcerns die het geschreven woord en vooral het beeld in Oost- en Centraal-Europa en Rusland naar hun hand zetten. De Poolse situatie schetst Miroslaw Usidus, redacteur van het dagblad Rzeczpospolita, als volgt: ‘De Fransen leggen zich toe op de bladen met algemene informatie, de Duitsers op de geïllustreerde bladen, de Scandinaven beheersen het bloot, de Italianen doen zowat alles en sedert kort veroveren de Zwitsers op een spectaculaire wijze de markt.’ In Tsjechië kon Petr Janyska, een medestichter van de Charta 77-groep, in 1993 nog zelfverzekerd zeggen: ‘De Tsjechische pers heeft geld nodig en als wij kunnen dan kiezen wij voor de veiligste oplossing: buitenlands geld. Dat geld bemoeit zich niet met de inhoud van onze bladen, vooral niet als het om de minderheid van onze uitgaven gaat.’ Nog geen jaar later bleek dat op de acht nationale dagbladen die meer dan 100.000 exemplaren verspreidden er vijf in handen waren van Frans of Duits kapitaal. Verpletterender nog is de gretigheid waarmee televisiestations worden ingepalmd door West-Europese en Amerikaanse mediajongens. De Bulgaarse televisie wordt overspoeld met Amerikaanse en Italiaanse programma’s van slechte smaak. Tot 1999 is de nationale Bulgaarse omroep gebonden aan de filmstudio Columbia die de zondagavondfilm kiest en een deel van de opbrengst van de reclamespots opstrijkt. Een andere mediagigant, de Amerikaanse Central European Media Enterprises (CME), bouwt een televisierijk uit in Centraal- en Oost-Europa dat tegen het jaar 2000 honderd miljoen kijkers zal bereiken.

Van partisanen tot geregeld leger

Toch betekent volgens Hans-Peter Lassche de westerse impact op de Oost- en Centraal-Europese media evengoed een steun voor het democratiseringsproces. Lassche: ‘De Amerikaanse multimiljonair Soros startte goede initiatieven op in Tsjechië, zoals het Media Research Institute. Hij stimuleert onafhankelijke mediagroepen. Het Westen speelt een positieve rol in Oost- en Centraal-Europa door de diversiteit te stimuleren.’ Oost-Europakenners als Lassche meten de democratie aan het verminderen van eenzijdigheid en polarisatie in de media. De slechte reputatie van de overheid die vóór en in een aantal landen ook ná 1989 de media monopoliseerde is alom gekend. Maar ook de eenzijdigheid en de desinformatie van de oppositiepers werkte vaak averechts voor een volwassen democratie. De Poolse mediaspecialist Karol Jakubowicz stelt in het Tsjechische mediablad Transition: ‘De overtuiging dat journalistiek politiek bedrijven is met andere middelen laat zich moeilijk verjagen. De overgang van een apologetische en op propaganda georiënteerde pers naar onpartijdige verslaggeving ten dienste van het publiek verloopt uiterst traag.’ Voor Jakubowicz vinden journalisten nog te veel van zichzelf dat zij de voortrekkers zijn die op de barricades van de politieke ontwikkelingen moeten staan. Opgezweept door de westerse media meenden niet weinig Oost- en Centraal-Europese journalisten dat de geschiedenis na 1989 het ene historische hoogtepunt na het andere moest bereiken. De tol die voor dergelijke overspannen verwachtingen soms betaald moest worden is toenemende onverschilligheid van de publieke opinie tegenover de oppositiepers. Een voorbeeld. Westerse en Oost-Europese kranten en televisiestations maakten eind 1996 bijna dagelijks gewag van de protestbetogingen van de Burgeralliantie tegen de Servische president Milosevic. Uiteindelijk werd de leider van het burgerforum, Zoran Djindjic, burgemeester van Belgrado. Gejuich alom. Toen Djindjic reeds eind 1997 werd afgezet omwille van de verdeeldheid binnen het oppositiefront, was dat geen nieuws meer. Er volgde ook geen straatprotest meer.

Een halve eeuw communistisch bewind werd, zoals te verwachten was, niet op tien jaar tijd ongedaan gemaakt. In een opmerkelijke bijdrage voor het Duitse mediablad ‘Mediaforum’ schrijft de directeur van de informatiedienst van de Hongaarse bisschoppenconferentie, László Lukács: ‘De tijd van de verdrukking was de ideale humus voor charismatische persoonlijkheden en gedurfde ondernemingen. Maar de onvolprezen partisanen uit het verleden bleken vaak niet in staat om zich te engageren in een geregeld leger.’ De mediawereld is in Oost- en Centraal-Europa, net als de democratie, op zoek naar een nieuwe adem.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2540   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift