Op de vlucht voor klimaatprojecten

Indonesisch klimaatproject onder vuur

Bosrijke ontwikkelingslanden kunnen groot geld binnenhalen uit klimaatfondsen door hun bossen niet te rooien of verwaarloosde bossen te herstellen. REDD + heet dat in VN-vakjargon: Reducing Emissions from Deforestation and Degradation. Klinkt mooi aan de onderhandelingstafel, maar diep in de wouden zelf gebeuren wel eens dingen die het daglicht best niet zien.

  • H Dragon Een palmolieconcessie op Sumatra, Indonesië H Dragon

Zeventig procent van Indonesië is bedekt met tropisch woud. Daarmee komt het op de derde plaats in de wereldranglijst voor tropische bossen, na Brazilië en Congo. Indonesië is echter ook de derde grootste uitstoter van broeikasgassen, na China en de VS. Dat heeft alles de maken met de hoge graad van ontbossing, verantwoordelijk voor 83 procent van Indonesiës jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen.

Als archipel met 17.000 kleine eilanden is dit Zuid-Aziatische land ook bijzonder kwetsbaar voor de impact van de klimaatopwarming. In september 2009 –de vooravond van de klimaattop in Kopenhagen– engageerde de Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono er zich toe de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 26 procent te reduceren en tot 41 procent als de internationale gemeenschap zou steunen. Dat verregaande engagement van Indonesië maakte het land tot pilootproject van de internationale VN-klimaatwerkgroep voor bossen en bosherstel, die ook financiële mechanismen ontwerpt in het kader van REDD+. Vorig jaar ondertekende de Indonesische president een overeenkomst met Noorwegen, waarin Noorwegen 738,40 miljoen euro belooft ter ondersteuning van Indonesiës duurzaam bosbeleid. Een lovenswaardig initiatief maar de uitvoering blijkt erg complex.

Papier en palmolie

Indonesië mag dan al veel bos hebben, de druk op het land is het voorbije decennium spectaculair toegenomen. Miljoenen hectare bossen en waardevolle moerasgronden werden gerooid om plaats te maken voor palmolieplantages en papierpulpproductie. Ook de huidige regering wil de economische groei aanwakkeren door nog meer van hetzelfde te doen: ze wil de komende jaren de papierpulpproductie verdrievoudigen en daar 28 miljoen hectare extra voor vrijmaken, terwijl de productie van palmolie de komende jaren moet verdubbelen. Hoe dat verenigbaar is met het behoud van de bossen en het realiseren van een “lagekoolstofeconomie” is niet duidelijk.

Staat in de staat

Vijftig tot zeventig miljoen Indonesiërs leven op grondgebied dat “staatsbos” genoemd wordt, een term die dateert van de Hollandse kolonisatie, toen die beslag legde op alle bossen in het land. Ook onder dictator Suharto –aan de macht van 1967 tot 1998– was zestig procent van het land “staatsbos”. De term is vandaag erg beladen. Het ministerie van Bosbouw weigert nog steeds de traditionele gemeenschappen te erkennen als rechtmatige bewoners. Vaak worden ze beschouwd als “illegale indringers” en de druk op hun traditionele bestaan groeit in de mate dat ook de druk op de bossen toeneemt. Er zijn bovendien machtige belangengroepen in het spel.

Het Indonesische ministerie van Bossen dwarsboomt alle inspanningen om een klimaat- en milieubeleid op te zetten in samenwerking met lokale gemeenschappen.

Een andere bezwarende erfenis is het ministerie van Bossen zelf. Dat treedt in sommige gevallen op als een staat in de staat –in samenwerking met het leger, de politie en de privésector– om de initiatieven van de president te ondermijnen. Het dwarsboomt alle inspanningen om een klimaat- en milieubeleid op te zetten in samenwerking met de lokale gemeenschappen. Uit een onderzoek van Reuters-journalist David Fogarty, gepubliceerd in augustus, bleek dat de minister van Bossen grond gereserveerd voor het VN-REDD+project –dat de steun had van de regering– gegeven had aan een bedrijf voor oliepalmplantages. Volgens Fogarty ontvangt het ministerie van Bossen jaarlijks niet minder dan 11,07 miljard euro aan licensies van concessiehouders. Het beruchte ministerie heeft een lange geschiedenis van corruptie, geweld en mensenrechtenschendingen, vaak gerelateerd aan houtkap, oliepalmplantages en papierindustrie.

Internationale geldschieters

Het zwakke institutionele kader speelt ook de klimaatprogramma’s parten. Dit voorjaar kwam aan het licht hoe op Sumatra, in de provincies Jambi en Zuid-Sumatra, woudbewoners het slachtoffer werden van intimidaties en bedreigingen door politie en ordetroepen. Die werken in dienst van het befaamde REKI-project (Restorasi Ekosistem Indonesia), een bosherstelproject opgezet door Indonesische en internationale milieuorganisaties, die twee concessies kregen van elk 50.000 hectare om aan bosherstel te doen. De oorspronkelijke bewoners worden gedwongen het gebied te verlaten, waardoor een stroom op gang komt van mensen op de vlucht voor klimaatprojecten.

Het REKI-project krijgt financiële steun van de Duitse regering, Singapore Airlines, Conservation International, de Europese Unie en Natuurpunt en Vogelbescherming Nederland. Het Indonesische ministerie van Bosbouw en Birdlife Indonesië hebben voor een opleidingsprogramma ook aan de Wereldbank geld gevraagd, via het speciale milieufonds Global Environment Facility. Aanvankelijk zou de Wereldbank haar goedkeuring geven tegen november 2010, maar dat werd uitgesteld naar november 2011. Verschillende instanties hebben echter druk uitgeoefend op de Wereldbank en gewezen op de context van corruptie, geweld en mensenrechtenschendingen. Zij vragen de internationale geldschieters om strengere criteria en controlemechanismen op te zetten, om transparantie te brengen in de transacties en de rechten van de inheemse gemeenschappen te garanderen. Uiteindelijk heeft de Wereldbank beslist het project niet te steunen.

De Wereldbank heeft echter een ontwerp voor een nieuw financieringsprogramma klaar: Program for Results (P4R). In dat ontwerp wordt gesteld dat 25 garantiecriteria die de Wereldbank normaal hanteert, niet van toepassing zijn op P4R-mechanismen. Het gaat om criteria die onder meer betrekking hebben op milieu-impact, natuurlijke habitat, onkruidverdelging, inheemsen en de onvrijwillige hervestiging van mensen. Men stelt dat dit niet nodig is, aangezien het om “natuurherstelprogramma’s” gaat. Sommigen vinden ook dat er in de pilootfase niet zo streng hoeft opgetreden te worden. Begin oktober werd hierover nog overlegd in Washington door Wereldbank-beheerders, REDD-experten en ngo’s (waaronder 11.11.11.)

Het lijkt erop dat de betrokken internationale instellingen gehaast zijn succesverhalen voor te leggen en zo nog meer financieringsstromen op gang te brengen voor toekomstige REDD+ programma’s. Lokale gemeenschappen en ngo’s luiden de alarmklok en vragen met aandrang om niet overhaast te werk te gaan.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.