Op het terrein wordt het ingewikkeld

Er was eens een NGO die erg in de knoei zat. Het was voor die NGO heel klaar dat het er niet om ging, vissen uit te delen en aan de armen te geven, maar hen te leren vissen. Maar toen de NGO-mensen aanlandden bij de gemeenschap ‘Lastige Bazen’ (1), gelegen aan de oever van de rivier ‘op-het-terrein-wordt-alles-ingewikkeld’, en samen met de dorpsbewoners in het water sprongen, bleek dat ze hen niet konden leren vissen.
Erger nog, de vissen waren zo vlug dat zelfs de NGO-specialisten ze niet konden vangen. Ze kwamen tot de conclusie dat de beste strategie was, de vissen trager te leren zwemmen. Toen ze eindelijk een vis beet kregen, zetten ze zich op de oever om hem buiten het water trager te leren zwemmen. De vis stierf tijdens de les. Een domme aap stond te kijken en geloofde niet wat hij zag. De NGO en de inwoners gingen terug vissen en vingen na enkele uren weer een vis. Opnieuw ging die dood toen ze hem leerden zwemmen op het droge.

Het domme aapje kwam uit zijn boom en zei aan de NGO: ‘Je kunt de vis niet leren zwemmen buiten het water. Je moet een klein riviertje maken om hem te leren zwemmen. Ik zal u het nodige geven om een riviertje te maken.’ De NGO-mensen waren opgetogen met het voorstel. Ze groeven een kanaaltje naast de rivier, met twee houten sluizen. Ze sloten de onderste sluis en lieten het kanaal vollopen. Dan gooiden ze brokken smakelijk vlees in het kanaaltje en enkele heel vlugge vissen kwamen er op af. Toen de vissen binnen waren, sloten de NGO-mensen de voorste sluis en begonnen ze de vissen trager te leren zwemmen. Veel succes hadden ze niet en ook in het kanaaltje gingen de vissen dood. Een slimme apin zat het spektakel te bekijken. Onder haar boom krabde ze het hoofd en vroeg de NGO: ‘Waarom proberen jullie de vissen te leren zwemmen buiten de rivier ‘op-het-terrein-wordt-alles-ingewikkeld’?

Sommigen antwoordden: ‘De domme aap gaf ons het nodige om de vissen te leren zwemmen en we moesten dat doen volgens het werkplan dat we met hem hadden afgesproken’. Weer krabde de slimme apin zich het hoofd en vroeg: ‘Ik versta u nog niet. Waarom proberen jullie de vissen te leren zwemmen buiten de rivier? Misschien moeten jullie je eens afvragen waarom jullie hebt opgegeven de gemeenschap ‘LastigeBazen’ te leren vissen.’

Het sprookje overdrijft, maar als elk project een slimme apin had om na te gaan wat er gebeurt, zouden we pas kunnen zeggen hoeveel projecten van geldschieters en hoeveel NGO-programma’s in een artificiële context werken. We zouden kunnen zeggen hoeveel projecten de mensen dingen leren die ze reeds kennen of die ze niet nodig hebben. We zouden vooral kunnen vaststellen hoeveel organisaties de richtlijn ‘leer hen vissen ‘ hebben verwaarloosd.

Mijn hypothese is dat de meeste projecten nog steeds buiten de rivier aan het werk zijn. Er is geen vis om te eten, maar de projectuitvoerders overtuigen zichzelf ervan dat ze bezig zijn de lokale capaciteiten te bevorderen. Een minderheid van meer duurzame projecten besloot in de rivier te stappen, maar verzaken geleidelijk aan hun richtlijn: ‘Speel hen de bal terug. Leer hen vissen.’ Het praktische dilemma is hier immers dat als we in de rivier ‘op-het-terrein-wordt-het-ingewikkeld’ stappen, we bijna onvermijdelijk de neiging hebben om de in onze ogen niet-betrouwbare of onefficiënte lokale intermediaire leiders (de lastige bazen) af te stoten. We gaan liever direct op zoek naar de individuele families om zo de uitvoerbaarheid en de duurzaamheid van het project te verzekeren. Wie echt probeert om in de rivier ‘op-het-terrein-wordt-het-ingewikkeld’ in de gemeenschap ‘Lastige Bazen’ het vissen aan te leren, wordt namelijk onvermijdelijk geconfronteerd met de complexiteit van de lokale gemeenschap, met haar veelvuldige doelstellingen, haar conflicten, gebrekkige informatiestromen, haar uitsluitingsmechanismen en misbruiken.

Van lastige en van verwende honden


Dit brengt me bij een veelgebruikt beeld uit de pionierstijd van Nitlapàn: ‘Je moet de slapende hond trappen om te weten wat hij denkt’. Het probleem, zo dachten wij, was ons paternalisme, en de apathie van de gemeenschap die geconfronteerd wordt met de uitdaging te leren vissen, hun eigen bekwaamheden te ontwikkelen. In reactie op ons ‘trappen’ (problematiserend animatiewerk) zouden de lastige honden ons bijten en de laffe zouden jankend weglopen.

Vandaag denk ik dat deze slogan de zaken wat al te eenvoudig voorstelt en dat er grondiger nagedacht moet worden over de relatie tussen de ‘slapende’ hond en onszelf. M.i. is dit het allereerste en cruciale probleem voor een NGO die de lokale ontwikkeling wil bevorderen: hoe zich op het terrein te situeren en hoe zich te gedragen? Hierbij kan men moeilijk te kritisch zijn over de eigen relaties met de lokale doelgroep. Voortbouwend op onze eerdere beeldspraak kunnen we de volgende mogelijke relaties vaststellen.

Wanneer we op het terrein bij een huis komen dat we zelf hebben gebouwd, rent een verwende hond ons enthousiast tegemoet. Hij is trouw, maar in het wild tonen van zijn affectie maakt hij ons dikwijls vuil met het slijk van zijn poten. Bovendien is hij voortdurend ongehoorzaam en hebben we onze handen vol om hem uit de keuken te houden. Wanneer we daarentegen bij een huis komen dat niet het onze is, dan laat een lastige hond ons duidelijk weten dat het zijn huis is en niet het onze.

Wanneer we als NGO in een dorp komen, zijn er meestal vele lastige honden die ons duidelijk laten voelen dat die plaats niet van ons is. Maar geleidelijk aan slagen we erin ook met hen contacten leggen, maken wij zelfs vrienden, en kunnen er precies met hen heldere afspraken worden gemaakt.

Zowel de financieringsorganisaties met de nationale NGO’s, als de nationale NGO’s met de vertegenwoordigers van de lokale doelgroep moeten nagaan wat er zich afspeelt tussen hen en zowel de verwende als de lastige honden. Als wij lokale bekwaamheid willen stimuleren, bestaat de uitdaging erin te beslissen waar wij staan. Blijven we binnen in ons eigen huisje ? Of zijn wij ook buiten aan het vechten met de lastige honden? We moeten ons met name afvragen waarom wij sommige lokale actoren vermijden; waarom we enkel met de armsten werken; waarom we geen gebruik maken van de lokale talenten van de meer gegoede mensen; waarom we ons beperken tot bepaalde sleutelpersonen om toegang te krijgen tot de gemeenschap. De meest voorkomende en schadelijke fout in het ontwikkelingswerk is zonder twijfel dat we al te vlug aannemen dat onze belangen dezelfde zijn als die van de vertegenwoordigers van de gemeenschap.

De aap en de apin in de zoo

Een sprookje over de coördinatie van ontwikkelingsprojecten

Er waren eens een aap en een apin die in de zoo zaten. Het mannetje at alles wat zijn bewakers hem te eten gaven. De bewakers waren gelukkig, want ze konden hem een evenwichtig dieet geven van bananen en allerhande soorten en fruit, van maïskoeken, kippenboutjes, maniok enz. De aap zag er goed uit. Maar met het vrouwtje ging het mis. Ze pakte al het voedsel beet en stak het in haar achterste alvorens het op te eten. Dan haalde zij het te voorschijn en at een deel van het voedsel op, maar wierp de rest in het aangezicht van de bewakers.

De bewakers waren radeloos. Ze konden geen weg met het vrouwtje. Ze was gezond, maar heel mager vergeleken met het mannetje. Ten einde raad riepen ze de hulp in van de beroemdste expert voor voedsel van apen in gevangenschap. Tijdens het bezoek van de expert kreeg de mannetjesaap een ernstige diarree. Toen de expert erbij kwam, lag de aap op de grond uitgestrekt, uitgedroogd en mager. De expert zei: ‘Deze aap verdraagt het dieet niet dat gij hem geeft’. Maar de bewakers legden hem uit dat het vrouwtje er het slechtst aan toe was. ‘Wat mankeert zij?’ vroeg de expert. De bewakers gaven het vrouwtje verschillende soorten voedsel. Ze stak het in haar achterste, at enkele dingen op en slingerde de rest in het aangezicht van de bewakers.

‘Ik zie het al’ zei de expert ‘Deze apin mankeert niets. Ze is intelligent en gaat planmatig te werk. Ze wil weten hoe het eten er zal uitkomen alvorens het op te eten.’

Het ontwikkelingsprincipe in dit sprookje gaat over de noodzakelijke geleidelijkheid van de groei in complexiteit bij acties die tot doel hebben om de lokale capaciteiten te bevorderen. De lokale gemeenschappen verwerpen dikwijls, en terecht, ingewikkelde combinaties van acties die ze niet de baas kunnen. Onder pakketten van ‘geïntegreerde’ acties, hoe noodzakelijk misschien ook op termijn, raken ze verstikt. Dit creëert een inherente spanning tussen het noodzakelijke en het mogelijke in elk ontwikkelingswerk dat wil kiezen voor de moeilijke, maar onvermijdelijke weg van het opbouwen van lokale capaciteiten. De waarheid is immers dat het bevorderen van ontwikkeling bijzonder complex is. Daarom ook dat we een duidelijke tendens opmerken om lokaal leiderschap uit te schakelen en dat de angst en de terughoudendheid toeneemt voor projecten met een hoger gehalte aan zelfbestuur. Wie kiest voor het opbouwen van lokale capaciteiten, kiest voor de complexiteit en verlaat het zekere terrein van de receptenboeken.

Zes principes in evenwicht brengen

Uit onze ervaringen met het opbouwen van ons bankennetwerk komen de volgende zes principes naar voren. Ze moeten door de NGO die met de gemeenschap werkt tezelfdertijd en in een dynamisch perspectief toegepast worden en ze moeten met elkaar verzoend worden. Elk principe op zich vormt een operationeel, praktisch dilemma voor het werk op het terrein.

1) Verzekeren dat er overleg is en een legitimerende controle over duidelijke en niet-discriminerende spelregels. Dit is het dilemma dat we aanraakten in onze commentaar op de problematiek van de lastige en de verwende honden. Met de verwende honden valt niet veel aan te vangen, terwijl met de lastige enkel op basis van heldere afspraken gewerkt kan worden;

2) De regels van de markt eerbiedigen, maar tegelijk reageren tegen de bestaande nationale marktstructuren die de ontwikkeling van de lokale markten in de weg staat;

3) De geldmiddelen en het aantal deelnemers geleidelijk aan verhogen, om de graad van participatie en verantwoordelijkheid zo groot mogelijk te maken. De voor de duurzaamheid meestal onafwendbare uitbreiding van het programma mag die eigen verantwoordelijkheid niet verminderen. Dat is het dilemma van de optimale schaal: kleinschalig is aantrekkelijk, maar het is geen wondermiddel.

4) Transparante en niet-discriminerende regels definiëren en consequent aanhouden, maar tezelfdertijd gedifferentieerde regels zoeken die de sociale onevenwichten en de ‘gender’-verschillen corrigeren, zodat het programma effectief democratiserend werkt. Op lokaal vlak is die vereiste differentiatie en het voortdurende zoeken naar aangepaste, transparante regels een groot probleem. Het gevaar is reëel dat de burgerzin erdoor ondermijnd wordt, want als de NGO een verandering in de regels aanbrengt, wordt dat door de gewone mensen meestal als een arbitraire overtreding van de regels geïnterpreteerd.

5) Voor een integrale rurale ontwikkeling moet er op verschillende terreinen tegelijk gewerkt worden: bv. cultuur, krediet, commercialisering, technische hulp bij de productie, gezondheid, infrastructuur en gender, maar toch mogen de financiële acties niet worden vermengd met de andere. Het dilemma hier is, te vermijden dat het geven van krediet afhangt van de participatie van de gemeenschap aan de andere ontwikkelingsinspanningen. Dikwijls moeten de mensen eerst een beroep doen op de juridische diensten of op de technische assistentie van het project, en ervoor betalen, vooraleer ze kunnen genieten van een kredietverlening.

6) Ten slotte moet het principe van dosering van complexiteit in het oog worden gehouden, zodat de gemeenschap zich niet verslikt in de complexiteit van de ontplooiing van alle lokale capaciteiten tezelfdertijd. Dat geldt zowel in het geval dat één NGO instaat voor de verschillende acties van ontwikkeling als wanneer meerdere NGO’s verschillende programma’s in een gebied verzorgen. De coördinatie van de programma’s van verschillende NGO’s moet echter bewaakt worden door de gemeenschap zelf. Dat is een moeilijke, maar essentiële stap in de ontwikkeling van een lokale cultuur, die de opbouw van eigen capaciteiten aanmoedigt.

De coördinatie van de verschillende acties in eenzelfde gemeenschap stelt ernstige problemen. Er is wanorde, overaanbod en overlapping. Coördinatie is noodzakelijk, en het is de gemeenschap zelf die de complexe taak op zich moet nemen om de verschillende acties te selecteren en te coördineren. Want ofwel gedraagt de gemeenschap zich als de domme aap, en moet ze een ingewikkeld en gevaarlijk dieet verwerken, ofwel doet ze zoals de slimme apin die heel kieskeurig is bij het aanvaarden van wat van buiten komt. In het proces van de opbouw van lokale capaciteiten valt paradoxaal genoeg de moeilijkste taak dus dikwijls ten deel aan de lokale gemeenschappen zelf.

NGO’s en financiers die begaan zijn met de ontwikkeling van lokale bekwaamheid moeten bereid zijn de kosten van die coördinatie te dragen.

Noot:

1. Onvolmaakte vertaling van ‘caciques bravos’, wat verwijst naar de lokale leiders-alleenheersers: de traditionele patroons met hun afhankelijke cliënten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift