Op zoek naar God in Iran

Iran zou fundamenteel veranderd zijn door de presidentsverkiezingen en de daarop volgende straatprotesten. Toch heeft de Islamitische Republiek nog niets van haar greep op het dagelijkse leven van de miljoenen Iraniërs verloren. Aatish Taseer beschrijft hoe de tirannieke regelneverij van de theocratie het geloof zelf uitholt en hypocriet maakt.
Aatish Taseer groeit op bij de sikh familie van zijn moeder in Delhi, maar zijn vader is een Pakistaanse moslim die actief was in de partij van Benazir Bhutto. Zelf woont hij nu in Groot-Brittannië, waar hij naam maakte door in de nasleep van de bomaanslagen op de Londense metro enkele indringende artikels te publiceren over de Pakistaans-Britse gemeenschap. Zijn vader was was echter niet onder de indruk en schreef een vlammende brief aan zijn zoon, die hij nauwelijks kende: ‘Denk je nu echt dat je de naam Taseer eer aandoet door dit soort hatelijke antimoslimpropaganda te verspreiden?’
Aatish Taseer was diep geraakt door de verwijten. ‘Toen ik de brief uit had, voelde ik dat hij gelijk had: het was ook onmogelijk dat ik zelfs maar “oppervlakkige kennis” van het Pakistaanse, of liever gezegd islamitische ethos, had. Ik had hem verkeerd begrepen toen hij zichzelf had omschreven als een culturele moslim.
Ik dacht altijd dat hij daarmee een vertrouwdheid met bepaalde gebruiken, kleding, eten, en de taal bedoelde, waar ik zelf ook mee was opgegroeid in Delhi. Maar het ging veel verder dan dat. En de vraag die ik mezelf maar bleef stellen, was: hoe kon het dat mijn vader, iemand die altijd beweerd had niet te geloven in de grondbeginselen van de islam, ondanks dat toch een moslim was?’
Om een antwoord te vinden op die vraag besloot Aatish Taseer een reis te maken vanuit Istanboel via Syrië, Saoedi-Arabië en Iran naar Pakistan, op weg naar een beter begrip van zijn vader en diens geloof of cultuur. ‘Het eerste deel van de reis zou een klassieke islamitische reis zijn, bijna een soort pelgrimstocht, van de stad die ooit het meest belangrijk was geweest naar de stad die het heiligst was. De reis daarvandaan, via Iran naar Pakistan, zou een reis naar mijn thuisland zijn, naar het land van mijn vader, waar de band met de islam begonnen was, en uiteindelijk eindigen op de drempel van zijn huis.’
Die tocht van Aatish Taseer resulteerde in het boek De buitenstaander. Een reis door de wereld van de islam. Deze voorpublicatie komt uit een hoofdstuk dat in Iran geschreven is.

* * *


Aan het begin van mijn derde week in Iran zat ik met Mohammeds zoon, Payam, op een terras in een winkelcentrum. Een vriend van hem was ooit opgepakt door het regime.
‘Hij was opeens verdwenen?’
‘Ja, een jaar lang.’
De regering had het winkelcentrum laten sluiten omdat het zou aanzetten tot “gemengde omgang”, maar het had recentelijk zijn deuren weer geopend. De bovenste verdieping, met uitzicht op een park, was in heldere kleuren geverfd en er stonden stoelen van geborsteld staal. De enige misdaad die hier leek plaats te vinden, was dat er beroerd eten werd geserveerd, maar al gauw zag ik dat het winkelcentrum personen aantrok die men in de Islamitische Republiek ongewenst noemde.
Toen we binnenkwamen, had ik een jongen gezien die nogal vrouwelijk aandeed, in een lage spijkerbroek en een zwart hemdje, met piekhaar, heel veel oorbellen in en glimmende blauwe mascara; hij gaf drie kussen aan een meer discreet geklede figuur met vettige krulletjes. Ze stonden even bij de ingang te giechelen en verdwenen toen in een nis.
In de Islamitische Republiek werden homoseksuelen ter dood veroordeeld. Maar elke dag ving ik in Teheran wel een glimp van verzet op, kleine gebaren waarmee men zich afzette tegen het regime, zoals deze jongens in het winkelcentrum, of de geel met zwart gestippelde hoofddoek, of mijn chauffeur Hoessein die per se wilde dat ik Like a Prayer op mijn iPod op hoog volume zou afspelen terwijl hij het raampje opendraaide.
‘Ja, er was een studentendemonstratie aan de gang’, vervolgde Payam zijn verhaal, ‘en hij was toevallig in de buurt. Hij nam niet deel aan de demonstratie, hij had alleen net iets gekocht in een winkel vlakbij. Ze begonnen studenten op te pakken en ze namen hem ook mee, omdat hij er nu eenmaal ook liep. Zijn familie, zijn vrienden –niemand wist waar hij was.’
Payam was begin twintig en studeerde technische bedrijfskunde. Anders dan zijn vader was hij verlegen en hij sprak met zachte stem. Hij had grote droeve ogen en een donkere huid, zoals zijn Indiase moeder. Hij kwam jong over voor zijn leeftijd, als iemand die erg beschermd is opgevoed.
‘En een jaar later hebben ze hem gewoon ergens op straat vrijgelaten. Hij is zo bangelijk nu, na zeven uur gaat hij de deur niet meer uit. Hij is overal bang voor. Hij heeft ons verteld wat ze met hem hebben gedaan.’
‘Wat dan?’
‘Hij en die andere jongens moesten tot hun middel in een bak met water staan. Dan werd er een koeler, een airconditioner, op hen gericht en als ze eronder vandaan probeerden te komen, dan sloegen ze hen…’ Hij sprak niet zo goed Engels en hij zocht naar het juiste woord. ‘Met kabels,’ zei hij onzeker.
‘Waar is hij nu?’
‘Hij is in Tabriz. Hij is zo bang voor alles. Toen hij terugkwam was hij ontzettend dun. Er was nooit iets mis met zijn ogen. Nu draagt hij een bril met zulke dikke glazen.’
Payam hield zijn duim en wijsvinger ruim een centimeter van elkaar. Ik vroeg of ik zijn vriend kon ontmoeten en hij zei dat hij het hem zou vragen, maar dat ik er niet op moest rekenen; hij was paranoïde geworden. Payam was absoluut niet iemand van wie je zou verwachten dat hij van dichtbij zulke dingen meemaakte. Als hij in een ander land had geleefd, zou je hem misschien een nerd noemen of zelfs een moederskindje, maar in de Islamitische Republiek bleef niemands onschuld onaangetast. Iedereen kende wel verhalen zoals deze.
In Syrië had ik het gevoel gekregen dat als het geloof werd aangewend om bepaalde wereldse zaken te verklaren die buiten de cirkel, de ‘compleetheid’ van het geloof vielen –bijvoorbeeld hoe bepaalde rechten of wetten toegepast moesten worden in een moderne maatschappij– men zich blind begon te staren op trivialiteiten.
Ook had ik het gevoel dat het geloof daardoor iets hypocriets kreeg. Maar dat kwam eigenlijk op hetzelfde neer: als het geloof werd toegepast op een wereld die buiten het bereik lag van het geloof, een wereld die soms kwetsend overkwam, maar om redenen die niets met het geloof te maken hadden, dan kon dat ertoe leiden dat de verhoudingen zoekraakten; men concentreerde zich dan op het “goede” in kleine dingen, maar richtte daarmee een groter kwaad aan als je het vanuit een breder perspectief bezag.
In de Islamitische Republiek werd een heel land door de islamitische mal geperst. De nadruk op trivialiteiten, wat leidde tot hypocrisie, was hier geïnstitutionaliseerd. Het was een manier geworden om controle uit te oefenen over de groep mensen die de grootste bedreiging vormde voor de republiek: de jongeren.
In mijn optimisme had ik iets belangrijks over het hoofd gezien. Toen ik zag dat de Iraniërs zich niet langer tot het geloof wendden om hun problemen op te lossen, concludeerde ik dat ze op de goede weg waren, verder waren dan in andere moslimlanden waar ik was geweest. Maar hoewel de moskeeën in Teheran leeg waren en ik bijna nooit een oproep tot gebed hoorde klinken, nooit een volledig gesluierde vrouw zag lopen of mannen met baarden, afgezien van regeringsbeambten, had de revolutie toch een vreselijke uitwerking gehad.
De kinderen van de revolutie waren murw geslagen. In de plaats van religieuze gevoelens ontwikkelden zich nieuwe psychosen. De mensen waren gek gemaakt. Onderweg vanuit het zuiden had ik daar al kleine signalen van opgepikt, maar pas nadat ik in Teheran was aangekomen en de schrille paniek had opgemerkt die daar zomaar kon ontstaan, zag ik in dat de revolutie verschrikkelijke gevolgen had gehad.
Amir was altijd in het zwart gekleed. Hij droeg een wijde zwarte broek met een kraagloze zwarte bloes. Hij had lang haar en een lange baard en liep op blote voeten. We deelden een keer een taxi en de chauffeur had hem toen gevraagd waarom hij eigenlijk zwarte kleren droeg. ‘Wat mij betreft is het elke dag ashura’, antwoordde hij. Hij refereerde aan de tiende, meest bloedige dag van de sjiitische rouwperiode.
Amir was filmregisseur en woonde met zijn mooie vrouw Anahita, een actrice, in een klein huis in een woonwijk in het noorden van Teheran. Het stel maakte deel uit van het collectief dat het meest uitgesproken was in het verkondigen van een afwijkende mening: de filmindustrie. De afgelopen twintig jaar waren hier een aantal films geproduceerd die tot de beste van de wereld gerekend konden worden.
Maar de filmindustrie, die was opgebloeid tijdens de korte periode dat er onder president Khatami meer vrijheid was geweest, werd nu onder druk gezet. De regering van Ahmadinejad had het afgelopen jaar toestemming gegeven voor niet meer dan twee of drie films en de meest recente film van Anahita was in het geheim, zonder toestemming, opgenomen in Koerdistan.
‘Ik heb het gevoel dat ik mezelf nu begin te censureren,’ zei ze, waarbij ze haar amandelvormige ogen opensperde. ‘Mijn manier van denken is aan het veranderen. Ik denk niet meer aan dingen die de censuur verbiedt, want ik weet toch dat die niet mogelijk zijn. Het is verschrikkelijk omdat ik weet dat dat precies is wat ze willen.’
We zaten in hun kleine, propvolle keuken. Door de kleurrijke kastjes, het oventje, de eenzame tafel en het gedempte licht van kaarsen en lampjes, hing er een sfeer van geborgenheid. De deur naar de betegelde veranda stond open; het was een prachtige lenteavond. Anahita droeg haar dikke zwarte haar in een vlecht. Terwijl ze met ons praatte bereidde ze ondertussen een maaltijd van yoghurt, kebab, salade en Indiase gekookte rijst.
Amir schonk rode wijn voor ons in en een nieuw soort cocktail die Whisky Albaloo werd genoemd. Alcohol was verboden in de Islamitische Republiek, maar je kon er vrij makkelijk aankomen via dranksmokkelaars en in supermarkten als ze je eenmaal kenden.
‘De mensen lijden aan een soort schizofrenie,’ zei Amir. ‘Zelfs een klein meisje moet overdag op school haar hoofd bedekken en krijgt les in religie, maar als ze thuiskomt, doet ze haar hoofddoek af; thuis bestaat religie niet.’ Ik besefte opeens dat ik van Abdullah in Istanbul precies hetzelfde had gehoord, maar dan omgekeerd. ‘Bijvoorbeeld,’ had hij gezegd, ‘ik ging naar school en daar was Atatürk, alleen op school. Daarbuiten bestond Atatürk niet.’
‘Heb je de moskeeën gezien?’ vroeg Amir. ‘Die zijn leeg, op een paar mensen na en de Basiji. De mensen gebruiken de moskee als badkamer!’ De Basiji was een militie die bestond uit jonge Iraanse mannen die van het regime de religieuze moraal mochten afdwingen. ‘Ze zijn van een andere soort,’ zei Amir. ‘Als je ze in de ogen kijkt, dan lijken ze van een andere soort te zijn. Wij noemen ze homo islamicos.’
Anahita’s vader was een theaterregisseur wiens stukken door het regime werden gecensureerd. Op een gegeven moment kwamen de censuurambtenaren drie uur voor aanvang van het stuk langs en ze lieten hem het stuk opvoeren, dat ook drie uur duurde. Toen hij klaar was, kwamen ze met voorstellen over wat weggelaten en wat veranderd moest worden. Hij zei dat hij die wijzigingen onmogelijk nu nog kon doorvoeren. Ze zeiden dat het moest, want dat ze anders het stuk zouden verbieden.
De acteurs deden hun best, maar de inspecteurs van het regime waren niet tevreden en tijdens de pauze kwam de eigenaar van het theater zeggen dat de stroom was uitgevallen. De  theaterregisseur had zich toen tot het publiek gewend en gevraagd of men er bezwaar tegen had als de acteurs verder zouden spelen in het donker, met kaarsen en fakkels.
Het publiek gaf luid te kennen dat het daarmee instemde. Maar de eigenaar wees dit voorstel af, zei dat het een gevaar voor de veiligheid kon opleveren. Hij wilde dat de toeschouwers vertrokken en toen ze buiten stonden, zagen ze dat de hele straat licht had, behalve het kleine theater.
Amir vertelde dit verhaal niet om te illustreren dat men in de Islamitische Republiek artistiek werd onderdrukt, maar om duidelijk te maken hoe geraffineerd de methoden waren die het regime hanteerde. ‘Je zegt dat Syrië een politiestaat is’, zei hij. ‘In Iran hebben ze de politiestaat in onze hoofden geplant.’
In het schijnsel van de kaarsen zaten we enigszins bedrukt bijeen door wat Amir en Anahita allemaal vertelden. Ik had medelijden met de jonge Iraniërs die ik ontmoet had. Anahita beschreef Iran als een plek waar ze voor haar gevoel telkens haar hoofd stootte als ze probeerde te groeien als mens: ‘Er is geen enkele waardering voor wat ik hier doe, geen waardering, en daarom zal ik op een gegeven moment hier weg moeten.’
Ik geloofde niet dat ze dat ook daadwerkelijk zou doen, want haar verzet tegen het regime was een soort verslaving. Het zou moeilijk worden voor haar om ergens anders hetzelfde gevoel te hebben dat ze met iets belangrijks bezig was. En afgezien daarvan moest er toch wel enige waardering zijn voor wat ze deed, want iedereen kende haar naam. Voor degenen die geen enkele uitlaatklep hadden, lagen de dingen nog veel moeilijker.
Recensie van De buitenstaander

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2745   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift