Open grenzen voor de werkgevers?

Bij het schrijven van deze bijdrage lijkt het hek helemaal van de dam. De Commissie Binnenlandse Aangelegenheden van de Senaat rondde begin juli 2001 haar werkzaamheden inzake nieuwe immigraties af met een voorstel tot zware versoepeling van het immigratiebeleid, in het bijzonder ten behoeve van werkgevers. Ongeveer tezelfdertijd kwam in Duitsland de Süssmuth-commissie, een expertencommissie van de regering, tot het besluit dat per jaar 50.000 nieuwe immigranten moeten toegelaten worden.
Waarop in Nederland premier Wim Kok aangaf ook voorstander te zijn van een quotumregeling, dit in het verlengde van een gelijkaardig voorstel in het rapport van Rand Europa, in opdracht van de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Wetenschapsbeleid.

Het is tegen die achtergrond dat het ACV, samen met de twee koepels ACW en MOC, begin juli zijn standpunt formuleerde in het debat over nieuwe immigraties. In een eerste deel wordt kort de essentie van dit standpunt weergegeven. In een tweede wordt – gezien het bestek van dit themanummer - beknopt ingegaan op de wijze waarop in dit standpunt de problematiek van de “braindrain” in overweging genomen werd (1).

EERST HET HUMANITAIRE, IN LAATSTE INSTANTIE HET ECONOMISCHE

De ‘baseline’ van het ACV/ACW/MOC-standpunt is vooral een vraag naar andere prioriteiten. Tot voor amper een jaar stond het debat over nieuwe immigraties nog grotelijks in het teken van het vluchtelingenprobleem en in het bijzonder de problematiek van de economische vluchtelingen die, hetzij door een oneigenlijk gebruik van het asielrecht, hetzij via illegale immigratie, het land binnenkwamen. Vandaag lijken de prioriteiten geheel anders te liggen en staat het debat volledig in het teken van de opeenvolgende vragen van werkgeverszijde: eerst Agoria, nadien VEV en recentelijk ook het VBO.

Tegen die achtergrond heeft de christelijke arbeidersbeweging de eigen prioriteiten willen benadrukken (1), met daarin drie centrale elementen:

- een versoepeling van de immigratie om humanitaire redenen;
- een selectief beleid inzake economische immigratie, nadat andere mogelijkheden om voor knelpunten op de arbeidsmarkt een oplossing te bieden, werden uitgeput;
- een immigratiebeleid dat door een volwaardig integratiebeleid geflankeerd wordt.

Meer humanitaire immigratie

Het immigratiebeleid moet versoepelen, maar dan in de eerste plaats op humanitair vlak. De problematiek van asielzoekers en illegale immigratie (en tewerkstelling) van economische vluchtelingen wordt vandaag aangegrepen om meer soepelheid te vragen inzake economische immigraties. Dit biedt geen antwoord op de humanitaire noden, noch op de problematiek van illegale tewerkstelling. De noden van vluchtelingen moeten rechtstreeks een oplossing krijgen. Dat kan onder meer door een correcte toepassing van de Conventie van Genève voor asielzoekers en het recht op gezinshereniging. Maar er moeten ook snelle oplossingen komen voor slachtoffers van interetnische conflicten en burgeroorlogen en de Europese Unie moet een solidaire inspanning doen voor economische vluchtelingen. Gekoppeld aan een volwaardig inburgerings- en arbeidsmarktbeleid draagt dit trouwens bij tot het wegwerken van knelpunten op de Belgische arbeidsmarkt.

Economische immigratie

Economische immigraties moeten niet uitgesloten worden, maar dan slechts als laatste subsidiaire oplossing, wanneer andere mogelijkheden om knelpunten aan te pakken uitgeput zijn, namelijk:

- een actief arbeidsmarktbeleid naar zowel jongeren, werkzoekenden, werknemers als werkgevers, met bijzondere inspanningen ten behoeve van de allochtonen; uit de laatste gegevens van de VDAB (2) blijken 19.7 procent van de mannelijke werkzoekenden allochtonen te zijn en 11.6 procent van de vrouwen (2);
- gerichte motiverende acties – op vrijwillige basis – naar niet-actieven die niet ingeschreven zijn als werkzoekende;
- bevordering van de mobiliteit binnen de Europese Unie, te beginnen bij een betere samenwerking tussen de Gewesten van België en de uitbreiding van het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie tot allochtonen van derde landen (3).

Hierbij moet zeker ook bekeken worden hoe België kan anticiperen op de uitbreiding van Europa door een kortere overgangsperiode voor het vrij verkeer. Dit moet land per land bekeken worden en bilateraal onderhandeld worden, rekening houdend met de snelheid waarmee die landen het Europese sociale ‘acquis’ overnemen, met de effecten op de arbeidsmarkt hier en ginder en met de inspraak van de sociale partners hier en ginder.

Voor knelpunten die zo geen oplossing kunnen krijgen, is er nauwelijks nood aan een versoepeling van de regelgeving voor economische immigraties, integendeel. Het debat is vandaag grotelijks te herleiden tot drie categorieën migraties: hooggeschoolden, leidinggevenden en arbeidskrachten die op de Europese arbeidsmarkt niet beschikbaar zijn.

Voor hooggeschoolden is de regelgeving in 1997 en 1998 al beduidend versoepeld: geen bilateraal akkoord, geen arbeidsmarktonderzoek, tewerkstellingsduur van 4 jaar i.p.v. 1 jaar en een verlaagde inkomensgrens (1.186.000 BEF/jaar, ca 30.000 euro), lager dan de huidige beginweddes voor inlandse of Europese werknemers (dixit Vlaamse administratie) (4) en nauwelijks hoger dan het gemiddelde arbeidersinkomen (dixit Hoge Raad Werkgelegenheid)(5).

Voor leidinggevenden is de regelgeving wel stroever, maar werkgevers omzeilen dat – met steun van de administratie – door omzetting naar de soepele categorie voor hooggeschoolden.

Wat lagergeschoolde vaklui betreft, zijn de mogelijkheden inderdaad beperkt, maar vooral wegens de voorwaarde van het bestaan van een akkoord met het land van herkomst. Met de nieuwe immigratielanden zijn er nauwelijks akkoorden. Ofwel wordt de voorwaarde van een bilateraal akkoord dus geschrapt, ofwel sluit men met meer landen akkoorden. We pleiten voor het laatste. Zo worden de randvoorwaarden gecreëerd voor een geslaagde immigratie, onder controle van de sociale partners hier en ginder, maar vooral ook wordt zo de hersen- en handenvlucht tegengegaan die de ontwikkeling van de landen van herkomst dreigt te hypothekeren.

Er is om al deze redenen niet echt nood aan een versoepeling. Er is integendeel eerder nood aan een verstrenging van de criteria:

- voor hooggeschoolden moet de inkomensgrens opgetrokken worden; als de Duitse ‘green cards’ voor ICT-specialisten model staan, dan moet de Duitse inkomensgrens van ongeveer 50.000 euro ook maar overgenomen worden;
- ook voor hooggeschoolden moet opnieuw een arbeidsmarkttoets worden ingevoerd en moeten grendels voor nefaste hersenvlucht worden ingebouwd;
- een tekort op de arbeidsmarkt is geen voldoende voorwaarde voor immigratie. Van sectoren en bedrijven met tekorten mag ook verwacht worden dat ze een inspanning doen om het knelpunt te voorkomen of te remediëren. Wie daaraan niet meewerkt, moet een arbeidsvergunning worden geweigerd. Zoals van werkgevers ook mag verwacht worden dat ze actief meewerken aan een geslaagde integratie van de nieuwe allochtonen in de Belgische arbeidsmarkt en samenleving;
- de inspraak van de werknemers in het immigratiebeleid moet worden versterkt, op bedrijfsvlak en op sectoraal vlak. Dit om te voorkomen dat, zoals de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid stelt, “de meest kwetsbare werknemers in een nog zwakkere positie terechtkomen” (7). Dat geldt nog het meest voor de hier aanwezige allochtonen. Vooral via sectoraal overleg moet worden bekeken hoe economische immigraties enerzijds kunnen worden voorkomen en anderzijds sociaal kunnen worden omkaderd.

Flankerend beleid

Als er inderdaad een tekort is, dat niet weggewerkt wordt door meer humanitaire immigratie, meer en beter arbeidsmarktbeleid en meer mobiliteit binnen Europa, als de werkgevers meewerken aan een oplossing voor dat tekort, als het risico op nefaste hersen- of handenvlucht voorkomen is en als terdege rekening gehouden is met de belangen van de werknemers hier, autochtoon of allochtoon, dan is een nieuwe economische immigratie voor ACV/ACW/MOC veel minder een probleem. Dan moet zelfs het nut in vraag worden gesteld van aanvullende beperkingen via quota’s of ‘green card’-stelsels. Dan wordt het wel heel belangrijk een flankerend beleid uit te stippelen, gebaseerd op gelijke rechten voor de nieuwe migranten, snelle integratie en bescherming tegen misbruiken.

Onderdelen van dat flankerend beleid zijn:

een versnelde uitvoering van de Europese richtlijnen inzake non-discriminatie door de respectieve overheden;
een evenredige stijging van de middelen voor inburgering (taalopleidingen, toegang tot beroepsopleidin enz);
resolute strijd tegen racisme, xenofobie en discriminatie en actieve bevordering van de verdraagzaamheid;
op termijn verblijfszekerheid (ook voor hooggeschoolden, die daarvan vandaag uitgesloten worden) en recht op gezinshereniging;
gemeentelijk stemrecht na vijf jaar verblijf: wat op de werkvloer bij de sociale verkiezingen al jaren geleden gerealiseerd werd, moet ook politiek kunnen;
een sluitende regelgeving en controle tegen misbruiken inzake internationale arbeidsbemiddeling;
mogelijkheid om van werkgever te veranderen, ook als men een tijdelijke arbeidskaart B heeft;
een sluitend toezicht en krachtig optreden tegen alle misbruiken.
HOE OMGAAN MET BRAIN DRAIN?

Geen lichtzinnigheid

Werkgevers wuiven het argument van de “braindrain” voor de landen van herkomst weg, zonder grondige motivering, eenvoudig op basis van enkele “oneliners”. Ze verschillen daarin overigens weinig van voorstanders van “open grenzen” inzake humanitaire immigraties. Bij werkgevers valt echter op hoe sterk het contrast is met hun houding t.a.v. hersen- en handenvlucht vanuit België. Zie bijvoorbeeld de wijze waarop het VEV tekeer ging tegen de recente wijzigingen aan het Nederlandse belastingregime voor grensarbeiders en het vermeende effect op de aantrekkelijkheid van het werken in België, of ruimer, hoe van werkgeverszijde al jaren wordt gesmeekt op een gunstiger belastingregime voor onderzoekers en kaderleden.

Op dezelfde wijze zien we, bv. in het debat over het vrij verkeer binnen Europa voor de werknemers van de uitbreidingslanden, hoe het de werkgeversorganisaties van de landen van herkomst zijn die uit vrees voor het leegstromen van hun bedrijven, het felst tekeergaan tegen een korte overgangsperiode.

Op basis van het beperkte, beschikbare wetenschappelijke materiaal is duidelijk dat de problematiek van “braindrain” hoe dan ook niet overgedramatiseerd benaderd mag worden. Nadelen moeten tegen voordelen afgewogen worden. Effecten op korte termijn kunnen gecompenseerd worden door effecten op lange termijn. Het is ook een illusie te geloven dat er zonder versoepeling van het immigratiebeleid geen braindrain zou zijn. En tot slot zal de globale balans sterk verschillend zijn van land tot land, met bovendien binnen elk land verschillen tussen regio’s, tussen stad en platteland, tussen sectoren en tussen beroepsgroepen.

Echter, een benadering waarbij alleen maar voordelen in ogenschouw genomen worden en de nadelen onder de mat geveegd, is geheel ongepast. Net zoals een benadering inzake humanitaire immigraties waarbij voor elke categorie van migranten alleen vertrokken wordt vanuit de individuele aspiraties en behoeften van diegenen die hun geluk en/of geld komen zoeken in het rijke Westen, zonder rekening te houden met de gevolgen van de immigratiestromen op de achterblijvers, ondenkbaar lijkt.

Vraag daarbij is ook of empirische evidentie uit het verleden hier echt de raadgever kan zijn. We spreken van nieuwe emigratielanden, die met het oog op hun ontwikkeling vaak zwaar geïnvesteerd hebben in hun human capital en dreigen hun investeringen te zien verdwijnen naar het Westen. We spreken ook van landen waar diverse pushfactoren sterker spelen dan in het verleden. We spreken ook van onvergelijkbaar grotere immigratiestromen dan in de afgelopen dertig jaar, in elk geval stromen die sterk zullen aanzwellen vanwege het immigratieopbod tussen de landen van het geïndustrialiseerde Westen. Tienduizend ICT-migranten in België zullen weinig voelbaar effect hebben op de landen in ontwikkeling of in transitie, maar als elk land evenredig hetzelfde doet, met bovendien onvermijdelijk een gemeenschappelijke oriëntatie op een beperkt aantal landen, betekent dat een enorme verschuiving van menselijk kapitaal.

Niet ten onrechte waarschuwde de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (9) er daarom voor “dat de mogelijke negatieve weerslag van de immigratie voor de landen van herkomst niet lichtzinnig behandeld mag worden” en pleitte deze ervoor dat “net zoals de Europese Unie België ten volle zijn verantwoordelijkheid (zou) opnemen en zich solidair opstellen tegenover de ontwikkelingslanden en zich met de hulp van de internationale gemeenschap inspanningen getroosten om hen te helpen hun ontwikkelingsachterstand in te halen”. Die bekommernis vinden we overigens ook terug in de mededeling van de Europese commissie over het immigratiebeleid: “Daarnaast kan onmogelijk een geïntegreerde aanpak van immigratie uitgewerktworden als de gevolgen van het migratiebeleid voor de maatschappij van het gastland en voor de migranten zelf buiten beschouwing gelaten worden”.

Te vermijden wegen

Vraag is echter hoe je die bekommernis vertaalt in politiek handelen, en in het bijzonder binnen het nationale en/of Europese immigratiebeleid en dit op een wijze die concreter is dan een vaag aandachtspunt in een beleidsnota. Een aantal denksporen worden daarbij best vermeden.

Ten eerste moet vermeden worden enkel oplossingen te zoeken via een parallel beleid van hulpverlening, technische assistentie en ontwikkelingssamenwerking, waarbij vanuit het Westen getracht wordt met de ene hand te repareren wat de andere stukgemaakt heeft. Niet enkel kan de vraag gesteld worden of er echt bereidheid is de gevolgen van braindrain te verzachten door substantiële verhoging van de middelen voor dergelijke programma’s (9). Bovendien leidt het tot het soort ongerijmdheid dat vorig jaar onderstreept werd op de Regionale Conferentie over Brain Drain and Capacity Building in Africa van de Internationale Organisatie voor Migraties (Addis Abeba, 22-24 februari 2000): “It is estimated that about 100,000 foreign experts work in Africa, whilst some 100.000 skilled Africans work in Europe and in North America”, met verwijzing naar bevindingen van Berg (10). Het lijkt wenselijk om ook reeds in het immigratiebeleid zelf voorwaarden te stellen om de nadelige effecten van braindrain te vermijden, en te vermijden dat de beperkte budgetten voor ontwikkelingssamenwerking opgezadeld worden met het remediëren van het onheil dat de minister van Werkgelegenheid, resp. Binnenlandse Aangelegenheden, heeft aangericht. Een dergelijke benadering laat trouwens toe om ook de medewerking van de rekruterende bedrijven te vragen voor acties in het land van herkomst, dit als mogelijke techniek voor “internalisering” van een deel van de maatschappelijke kosten van migratie die bedrijven veroorzaken en als alternatief voor een beleid waarbij alleen de respectieve overheden (hier en ginder) moeten opdraaien voor de kosten van braindrain.

Ten tweede is een egocentrische, paternalistische benadering te vermijden, waarbij unilateraal door de immigratielanden zelf vastgesteld wordt welke de risico’s op braindrain zijn en waarbij op die basis grendels ingebouwd worden. Zo zette Nederland vorig jaar de deur open voor immigratie van verpleegkundigen, maar enkel uit landen waar er kennelijk werkloosheid is onder verpleegkundigen. Op dezelfde wijze circuleren voorstellen om immigratie prioritair te richten op landen waarvoor (vanuit het immigratieland) het risico van braindrain beperkt wordt. In loterijsystemen uit zich dat dan in minder punten, als het land van herkomst dreigt te kampen te krijgen met problemen inzake braindrain. Niet enkel kan – mede gezien de bovenvermelde vaststellingen (lichtzinnigheid enerzijds en gebrek aan wetenschappelijk materiaal anderzijds) – de vraag gesteld worden hoe ernstig een dergelijke unilaterale inschatting kan gebeuren. Bovendien is een benadering waarbij geen enkel beroep gedaan wordt op het inschattingsvermogen van het land van herkomst in beginsel te verwerpen.

Ten derde is een benadering te vermijden waarbij alleen een dialoog met het politieke regime van het land van herkomst aangegaan wordt. Dit geldt des te sterker als geen enkele garantie aanwezig is dat de politieke overheid enige bekommernis toont om de ontwikkeling van het land, en dat zij op een evenwichtige wijze wil of kan rekening houden met de diverse binnenlandse stakeholders in het debat. Met een regime dat graag van zijn kritische intellectuelen af wil, kan bezwaarlijk een zindelijk debat over de nadelige effecten van de braindrain aangegaan worden. Op dezelfde wijze moet vermeden worden dat die politieke overheid zich alleen maar laat leiden door het kortetermijnbelang van de werkgevers van het land van herkomst (die uiteraard geen enkel belang hebben bij bevordering van emigratie, zelfs niet van werklozen, wegens de neerwaartse druk die deze op de lonen uitoefenen).

Ten vierde moet vermeden oplossingen te zoeken voor “braindrain”-dilemma’s door afstand te doen van het recht op duurzame migratie. De arbeidersbeweging heeft altijd afstand genomen van een concept van migratie met absolute terugkeerverplichting, zonder enig perspectief op duurzame integratie met recht op gezinshereniging. In diverse voorstellen, zowel voor meer humanitaire als voor meer economische migratie, duikt deze benadering – door Antonio Vitorino, de voor Justitie en Binnenlandse Zaken bevoegde Europees commissaris, benoemd als “brainpendel” (11)– nochtans op. De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid stelt terecht de vraag of een beleid gericht op tijdelijke en omkeerbare migratie “aanvaardbaar is op ethisch of sociaal vlak” (12).

Migratie in partnership

Vanuit deze eliminatie komt men quasi onvermijdelijk uit op de voorwaarde van een akkoord met het land van herkomst, als voorwaarde voor economische immigratie (13). Deze akkoorden moeten tot stand komen op basis van dialoog met de sociale partners hier en ginder en met voldoende garanties dat de belangen van de diverse stakeholders evenwichtig aan bod komen.

De voorwaarde van een akkoord met het land van herkomst zit vandaag trouwens vervat in Belgische regelgeving inzake economische immigratie, al zijn daarop tal van uitzonderingen voorzien, zoals voor hooggeschoolden en leidinggevenden. Vandaag is die voorwaarde van een bilateraal akkoord in elk geval, veel meer dan de voorwaarde van een voorafgaand arbeidsmarktonderzoek, de belangrijkste rem op economische immigratie van personen van arbeidskrachten zonder opleiding in het hoger onderwijs. Met de nieuwe immigratielanden bestaan vandaag immers nauwelijks bilaterale akkoorden, zelfs niet met de kandidaat-lidstaten voor de Europese Unie. Om die reden wordt de voorwaarde van een akkoord met het land van herkomst meer en meer gecontesteerd, in het bijzonder van werkgeverszijde (14). Om de redenen die hoger aangegeven zijn, lijkt het niet wenselijk deze voorwaarde te schrappen.

Integendeel, ze vormt een uitdaging om met de nieuwe immigratielanden een dialoog aan te gaan en tot klare afspraken te komen, met betrokkenheid van werknemers- en werkgeversorganisaties hier en ginder. En dit overigens niet enkel voor de lagergeschoolde werknemers, maar ook voor de immigratie van hogergeschoolden, gezien de nadelige effecten van braindrain voor deze categorie het grootst zijn.

We moeten daarbij echter ook lessen trekken uit de ervaringen met en evaluaties van vroegere immigratiestromen op basis van bilaterale akkoorden met landen als Italië, Spanje, Marokko en Turkije. Deze kunnen inspiratie bieden, maar zonder dat zij noodzakelijk model moeten staan. De context is vandaag geheel anders. Het gaat om een ander type landen, waarbij de problemen van braindrain zich anders stellen. Het betreft vandaag ook in eerste instantie tekorten aan technisch en technologische competenties i.p.v. de laag- of ongeschoolden die voor de “immigratiestop” van 1974 werden aangetrokken. En vandaag ligt het meer dan ooit voor de hand dat de dialoog met de landen van herkomst in een communautair kader gevoerd wordt, met als eerste optie om bilaterale akkoorden op te tillen tot samenwerkingsakkoorden tussen de Europese Unie en de landen van herkomst.

Het is echter opvallend hoe weinig vandaag nagedacht wordt, ook in de wetenschappelijke wereld, over wat een vernieuwde bilaterale samenwerking kan zijn: hoe komen dergelijke akkoorden best tot stand en wat kan de inhoud zijn? Concreet moeten daarbij vragen aan bod komen als:

welke garanties inbouwen om bij migratie aan weerszijden tot een “win-win”-situatie te komen;
hoe werkt het immigratieland en daarbinnen de werkgever mee aan het vermijden van braindrain;
hoe wordt de immigratie fiscaal en sociaalrechtelijk omkaderd;
welke terugkeerrechten (tijdelijk en definitief) worden voorzien;
hoe worden de migranten in het land van herkomst voorbereid op de immigratie (zonder te vervallen in het onnozele voorstel van ID21 om tot taalonderricht te verplichten in het land van herkomst);
welke garanties worden ingebouwd tegen onbehoorlijk handelen van commerciële tussenpersonen bij immigratie;
welke waarborgen worden ingebouwd inzake gezinshereniging;
hoe worden de sociale partners concreet betrokken bij de bilaterale samenwerking, ook met het oog op de sociale omkadering van de migratie?
Er zijn op dit vlak nog veel onbekenden en het is dus zeker niet de gemakkelijkste weg. Maar het is wel een benadering in dialoog, waarbij de landen van herkomst erkend worden als partner bij migratie en niet louter als reservoir in functie van de kortetermijnbelangen van Belgische werkgevers.

Chris Serroyen is adviseur op de studiedienst van het ACV

NOTEN

1.Een volledig dossier vindt de lezer op de website van het ACV: onder ‘dossier’

2.VDAB, Hoogconjunctuur op de arbeidsmarkt. Delen allochtonen in de pret, in Topic bij het Maandverslag Arbeidsmarkt, mei 2001

3.Een recent advies van de Nederlandse Sociaal-Economische Raad (Arbeidsmobiliteit in de EU, 16 februari 2001) geeft zeer gedetailleerd aan dat er op dit vlak nog heel wat verbeteringspotentieel is

4.MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, Afdeling migratie en arbeidsmarktbeleid, jaarverslag 1999

5.HOGE RAAD VOOR DE WERKGELEGENHEID, Advies betreffende het communautaire beleid inzake migratie en de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie, mei 2001

6.Ibid, blz. 13

7.Ibid, blz. 21

8.EUROPESE COMMISSIE, Mededeling van de Europese Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over een communautair immigratiebeleid, COM (2000) 757 definitief, blz. 5

9.Zie Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, Ibid, blz. 22

10.E. BERG, Rethinking technical co-operation. Reforms for capacity building in Africa, UNDP, Regionaal bureau voor Afrika, New York

11.Verslag namens het federaal adviescomité voor Europese aangelegenheden over het Europees asiel- en immigratiebeleid, Gedr. St. Kamer, 2000-2001, nr. 1283/001, blz. 21

12.HOGE RAAD VOOR DE WERKGELEGENHEID, Ibid, blz. 9-10

13.Dit kan uiteraard niet als voorwaarde gelden voor immigratie van politieke vluchtelingen of vluchtelingen uit oorlogsgebieden en van interetnische conflicten. Voor de opvang van economische vluchtelingen ligt het antwoord ergens tussenin.

14.VERBOND BELGISCHE ONDERNEMINGEN, Immigratiebeleid: houding van het VBO, perscontact 29 juni 2001

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift