Dossier: 

Over anders omgaan met grondstoffen

Waarom de groene revolutie zo traag op gang komt? We zijn te rijk en te lui.

De grondstofvoorraden op onze planeet slinken aan een razendsnel tempo. Steeds meer aardbewoners maken immers aanspraak op een hogere levensstandaard. Als we onze welvaart willen behouden en conflicten om die grondstoffen willen vermijden, is het noodzakelijk efficiënter en verstandiger om te gaan met die schaarse grondstoffen. Dat betekent recyclage, het ontwerp van “slimme” voorwerpen en meer zelfs: twee keer nadenken voor nóg eens een nieuw product op de markt gebracht wordt. MO* sprak over deze “resource efficiency” met Friedrich Hinterberger van het SERI-instituut (Sustainable Europe Research Institute) in Oostenrijk. Hinterbergen sprak op het seminarie over “Resource Efficiency” van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling.

  • Alma De Walsche Friedrich Hinterberger (SERI-instituut Oostenrijk) Alma De Walsche

Wat moeten we ons voorstellen bij dat efficiënt omgaan met grondstoffen? Gaat het over meer dan nieuwe technologie voor minder grondstoffengebruik?

In de brede maatschappelijke context gesitueerd, betekent “resource efficiency” een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven bereiken met zo weinig mogelijk grondstoffengebruik. Dat is de meest brede definitie. Als je dan focust op een specifiek product, speelt technologie en het productieproces een heel belangrijke rol om dat doel te bereiken. Maar daarbij is het even belangrijk om de vraag te stellen of het product op zich wel nodig is, hoe we dat gaan gebruiken, en hoeveel we daarvan gaan nodig hebben. Als je al die criteria met elkaar in overeenstemming brengt, heb je een brede definitie van “resource efficiency”.

Hoe komt het dat die bekommernis nu op tafel komt en niet vijftig jaar geleden, toen het probleem nog niet zo ver was gevorderd?

Vijftig jaar geleden was er totaal geen notie van een mogelijke milieuproblematiek. We gingen ervan uit dat de natuur in overvloedig aanwezig is, en dat ons handelen nauwelijks of geen impact heeft op de natuur. Voor een deel klopte dat, in die zin dat er ook veel minder impact was op het milieu. Toen de eerste tekenen van milieu-impact zichtbaar werden, werden die ook gezien als heel punctueel, veroorzaakt door heel specifieke industrieën, zoals erg vervuilende chemische industrie. Bijvoorbeeld de rampen in de chemische industrie van Seveso en Bophal. Als reactie daarop werden er logistieke maatregelen genomen van command and control, men probeerde de chemische industrie opnieuw onder controle te brengen om te voorkomen dat dergelijke rampen zich zouden herhalen.

Maar dan kwamen er andere problemen opduiken, zoals de gevaarlijke stoffen in de landbouw. En dan stak het klimaatprobleem de kop op. Dat was het eerste globale probleem, met de focus op CO2 en later ook op de andere broeikasgassen. Die problematiek dwong ons voor het eerst om een meer omvattende visie te ontwikkelen. Zo’n twintig jaar geleden kwam dan voor het eerst het idee om die milieuproblematiek te verbinden met het soort economie dat we hebben.

Als je in economische termen denkt, kijk je vooral naar hoeveel er nodig is van een bepaalde stof om een bepaald product te produceren en dat was zeker een stap vooruit. Ook het feit dat de bedrijfswereld bij dit alles betrokken werd. Zo werd naar het hele productieproces gekeken, niet alleen vanuit de technologie maar ook vanuit de economie.

Kan die band tussen milieu en economie een ommekeer in het denken genoemd worden?

Het is echt een paradigmaverandering. Wat er vandaag al gebeurt in de bedrijfswereld is goed maar is niet genoeg. “Resource efficiency” is een globale term die verwijst naar het inzicht dat het de hele economie omvat. Vandaag moet die term nog vertaald worden in heel concrete maatregelen op vlak van technologie, wetgeving, de uitwerking van productieprocessen.

“Resource Efficiency” is wel een zogenaamd “vlaggenschip initiatief” van Europa, een prioritair actieplan, maar in Europa 2020, het visieplan voor Europa’s economie voor de komende jaren, blijft echter groei belangrijker dan groene groei. De ecologische bekommernis weegt niet echt door.

Ik zou ook wel willen dat Europa 2020 verder zou gaan in het vergroenen van onze economie, maar het geeft wel goed weer waar we als samenleving vandaag staan. Het geeft ook een goed beeld van hoe overtuigend wij als NGO’s of onderzoeksinstellingen tot nog toe geweest zijn. De instellingen die werken rond economische groei hebben ook grotere budgetten dan instellingen die bezig zijn met milieuthema’s. Toch is er een substantiële vooruitgang vergeleken met bijvoorbeeld vijf jaar geleden. Toen lagen bepaalde thema’s nog veel moeilijker.

Vijf jaar geleden werd er bijvoorbeeld niet gesproken over andere graadmeters dan bruto nationaal product (bnp) om de economie te meten.

Inderdaad, er is het zogenaamde denken “voorbij bnp”. Wanneer je kijkt naar vroegere “vlaggenschip initiatieven” van de EU, stel je vast dat die meer impact hadden. Toch zijn de initiatieven die nu lopen op dit vlak inhoudelijk sterk en zijn de noties van duurzaamheid, slimme economie en inclusieve groei nu veel prominenter aanwezig dan vroeger. Ik zie wel vooruitgang.

China en Zuid-Korea scoren heel wat beter als het gaat over het vergroenen van de economie. Moet Europa niet wat meer leiderschap tonen? Of remt onze democratie de nodige verandering af?

We moeten inderdaad meer doen. We zijn te rijk en te lui. Waarom zouden we? Ik weet niet hoe het in België is maar in Duitsland en Oostenrijk heeft het accident in Fukushima diepe indruk gemaakt. Het roept opnieuw het debat op van welke energie we willen gebruiken, en vervolgens ook welke grondstoffen. Er is geen enkele grondstof die helemaal gratis is. Alle grondstoffen veroorzaken een impact en hebben hun voor- en nadelen. Dit gaat nog hevige discussies meebrengen in de samenleving. Je kan zeggen: “de leiders doen het niet”, maar de leiders luisteren nauwgezet naar wat de mensen zeggen en durven vaak niet.

Mijn conclusie uit de “mislukte” klimaattop in Kopenhagen was dat de leiders die daar samen waren, voor het eerst beseften dat er een relatie is tussen het reduceren van broeikasgassen en groei. Voorheen domineerde het discours van “win-win” en de opvatting dat groei en milieuzorg kunnen samengaan. In Kopenhagen was er een impliciet begrijpen dat groei en milieu op elkaar een impact hebben en niet zomaar kunnen samengaan. En vervolgens kozen ze voor groei. Ze durfden niet naar hun thuisland terugkeren met de boodschap dat ze hadden toegegeven op groei om de broeikasgassen te reduceren. Ze brachten liever de boodschap dat ze hadden toegegeven op de broeikasgassen, om de economie te beschermen. Het besef dat je niet alle twee kan hebben, is een evolutie.

In Kopenhagen was er een impliciet begrijpen dat groei en milieu op elkaar een impact hebben en niet zomaar kunnen samengaan.
De Britse milieudeskundige Tim Jackson heeft het over “welvaart zonder groei”.

Op SERI maar ook in onze publicaties discussiëren we daar heel intens over. Het is makkelijk om te zeggen “ik ben voor de-growth” of ik ben “post-groei” of wat dan ook. Maar als je dit ernstig neemt, moet je in debat gaan met de samenleving en met de aandeelhouders en moet je met hun bekommernissen rekening houden. Dan moet je hen voor uw zaak kunnen winnen. Als mensen niet voldoende begrijpen dat de planeet begrensd is, is het onze taak om dat beter aan te tonen.

In een democratie gaat het om een meerderheid van de stemmen. Ik weet ook wel dat het om meer gaat dan stemmen. Het gaat ook over macht bijvoorbeeld. Maar dit is de enige arena waarin we dit spel kunnen spelen. Je kan wel zeggen “wij weten het beter”, maar hoe ver kom je daarmee als mensen het niet eens zijn. We moeten het eens zijn, op zijn minst over de vraag. In die zin was Kopenhagen voor mij een stap vooruit. Het was een dieper begrijpen van het probleem, veel dieper dan ooit tevoren. De vraag is nu wat dan de volgende stap kan zijn.

En wat kan dat zijn? Hoe kan je met dat inzicht verder werken?

We hebben in Oostenrijk een project opgezet met de minister van milieu maar ook van sociale zaken, die verantwoordelijk is voor tewerkstelling, en de minister voor onderzoek om te kijken naar scenario’s voor lage groei. We gebruikten daarvoor een bepaalde economische modelering maar moesten vaststellen dat het helemaal niet makkelijk is om “degrowth” als uitgangspunt te nemen. Zelfs in het theoretische model was het helemaal niet zo makkelijk om te gaan zien wat de achterliggende aannames allemaal zijn wanneer men vertrekt van een lage economische groei om te komen tot de-growth.

Een belangrijk fenomeen dat vandaag in Oostenrijk de economische groei stimuleert, is immigratie. Wij hebben meer immigratie dan Duitsland. Immigratie brengt jonge gezinnen mee die willen consumeren, terwijl andere landen kampen met een oudere bevolking die vindt dat ze eigenlijk alles heeft wat ze nodig heeft. Uiteindelijk kwamen we uit bij scenario’s voor de komende 20 jaar voor 0,5 procent groei wat eigenlijk geen groei is. De consequenties voor de tewerkstelling, voor de regering, voor de consumptie bleken negatief te zijn: er gaan jobs verloren, er ontstaan deficits. Dan keken we naar de nodige beleidsmaatregelen. Normaal zou je zeggen in zo’n situatie van werkloosheid en deficits: “groei stimuleren” maar dat wilden we net vermijden. Niet omdat we tegen groei zijn, maar omdat je ziet dat het niet meer verder kan en ook omdat je ziet dat onze regeringen wel van alles doen om groei aan te zwengelen, maar zonder resultaat.

Ook in de Kamer van Koophandel in Oostenrijk hebben we daarover een discussie gehad. Niet omdat we pleitbezorgers zijn van “degrowth”, maar als je – zoals die mensen in de Kamer van Koophandel- verantwoordelijkheid draagt voor het beleid en voor grote en kleine ondernemingen, dan moet je nadenken over wat er kan gebeuren als bijvoorbeeld de energie- en grondstoffenprijzen stijgen of als er een crisis is in een of ander land; als China bijvoorbeeld beslist niet meer te exporteren maar hun goederen in hun eigen land te consumeren. Dat zou onze situatie helemaal veranderen en we zijn daar eenvoudig weg niet klaar voor.

Volgend jaar is het RIO+20, de VN-conferentie over Duurzame Ontwikkeling, twintig jaar na de Aardetop van Rio de Janeiro. De voorbije twee decennia hebben bedroevend weinig opgeleverd. Hoe garanderen dat beterschap voor het komende decennium?

Het probleem met de conferentie van Rio in 1992 was, volgens mij, dat de timing van die conferentie ongelukkig was, hoewel niemand dat zag op dat ogenblik. De Muur was pas gevallen, de globalisering verspreidde zich over de hele wereld en het neoliberalisme kwam op volle snelheid. Dat klimaat stond haaks op de boodschap van Rio, in die zin hebben we twintig jaar verloren.

Intussen hebben we de economische crisis gehad en is er Fukushima geweest. Dat kan helpen om het bewustzijn over het probleem te vergroten. Bovendien hebben we ook landen als China aan onze kant. Op internationaal vlak zijn ze zeker bereid zich in te zetten voor duurzame ontwikkeling. Ze hebben een veel striktere regeringsvorm die de toepassing van bepaalde zaken veel sneller kan laten verlopen. We hebben zeker nog meer rampen zoals Japan nodig, om de ommekeer in de geest van de politiek en de bedrijfswereld te realiseren. Maar je moet optimistisch zijn, in die zin dat je werkelijk ook iets kan doen aan het probleem, je kan dat aanpakken. Je moet niet naïef zijn, maar ook niet fatalistisch zeggen dat het er allemaal niet toe doet. Het doet er wel toe.

Zowel het bewustzijn bij de bevolking als de wetenschappelijke basis voor verandering zijn vandaag veel groter. Op de Aardetop van 1992 was het vooral een overtuiging, vandaag hebben we wetenschappelijke data die dat onderschrijven, het onderzoek is heel sterk ontwikkeld. Ook het besef van verbondenheid is veel groter. Grote schepen willen niet meer naar Japan varen, uit vrees in de problemen te komen door de besmetting. We vragen ons af of onze mobieltjes uit Japan nog wel veilig zijn. We kunnen elkaar niet meer ontlopen.

Wat moet er volgens u op de agenda komen voor RIO +20?

Een nieuw document zoals het Brundtlandrapport, maar dan korter want dat was een dik boek. De “verklaring van Rio +20” mag niet meer zijn dan twee pagina’s, waarin gesteld wordt: we willen de kwaliteit van leven verbeteren, we willen het gebruik van grondstoffen verminderen met een factor x, voor geïndustrialiseerde landen betekent dat zoveel, voor ontwikkelingslanden zoveel, economische groei ligt ergens in het midden maar is geen bepalend criterium voor de beide groepen maar het hangt er wel mee samen. En laat ons daarvan afleiden welke maatregelen er moeten genomen worden.

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.