Over de botsing der beschavingen

In de zomer van 1993 publiceerde het Noord-Amerikaanse tijdschrift ‘Foreign Affairs’ een artikel van Samuel P. Huntington, politicoloog aan de Harvard University. Het artikel zou aanleiding geven tot een heftige polemiek. Het stelt dat na het einde van de Koude Oorlog de bipolariteit van de wereld (twee supermachten die om ideologische motieven tegenover elkaar staan) vervangen zou worden door een multipolaire structuur.
Om de nieuwe internationale toestand te begrijpen, stelde Huntington een nieuw model voor, waarvan de basisidee was dat de relevante, verklarende factoren niet langer van ideologische, maar van culturele (etnische en religieuze) aard waren: mensen identificeren zich en onderscheiden zich door hun culturele identiteit. Daarom zijn het de beschavingen die de nieuwe actoren worden van de internationale scène. De nieuwe conflicten zullen voortkomen uit de breuklijnen tussen beschavingen. Indien er nog een wereldoorlog komt, zal die dan ook tussen beschavingen gevoerd worden. (1)

Na de publicatie van zijn ideeën over de botsing der beschavingen kreeg Huntington een stortvloed van kritische commentaren uit alle hoeken van de wereld. Vier jaren zijn intussen voorbij en, al heeft het debat aan hevigheid verloren, het is ver van uitgeput. In dit artikel willen we een balans opmaken van die ideeën: vanwaar komen ze, welke kritiek kregen ze, wat is hun huidige betekenis?

Wie is Samuel P. Huntington?

Er wordt veel over hem gesproken, maar wat weten wij over zijn persoon? De kennis van zijn professionele loopbaan zal ons helpen de betekenis van zijn ideeën en hun brede verspreiding beter te begrijpen. Huntington kreeg zijn vorming aan de drie meest befaamde universiteiten van de VS (Yale, Chicago en Harvard). Het grootste deel van zijn academisch leven speelde zich af in Harvard waar hij in 1951 doctoreerde. Hij is stichter en mede-uitgever van de gespecialiseerde revue ‘Foreign Policy’ en heeft als onderzoeker en als consultant samengewerkt met enkele van de meest prestigieuze denktanks van zijn land, zoals ‘Brookings Institution’ en ‘Hudson Institute’.

Zijn onderzoek, onderricht en publicaties op het vlak van de politieke wetenschappen situeren zich vooral op drie gebieden:

De militaire politiek, de strategie en de verhouding tussen burgers en militairen (The Soldier and the State, 1957; The Strategic Imperative, editor, 1982);
De analyse van de politiek van de VS en de vergelijkende politiek (Political Power: USA/ URSS, coauteur met Z.Brzerinsky, 1994; The Crisis of Democracy, coauteur met M.Crozier en J.Watanuki, een rapport in opdracht van de Trilaterale Commissie, 1975);
De politieke ontwikkeling en de politiek van de ontwikkelingslanden. Dit is het gebied waar hij het meest bekendheid heeft verworven, omdat het zijn belangrijkste en bekendste werken opleverde: Political Order in Changing Societies (1968) en The Third Wave: Democratization in the late Twentieth Century (1991).
Anderzijds is de band van Huntington met de thema’s van militaire politiek en strategie weinig bekend. Gedurende de tweede helft van de jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig, toen Huntington zich bijna uitsluitend met militaire thema’s bezighield, was hij visiting professor aan de academies van de drie onderdelen van de Amerikaanse strijdmacht: Army War College, Air War College, Naval War College en Industrial College of the Armed Forces. Hij was bovendien consultant van o.m. het Institute for Defense Analysis en van de US Air Force Academy.

Een ander belangrijk en weinig bekend aspect van Huntingtons loopbaan is zijn ervaring als raadgever van de federale overheid, zowel in regeringen van Democraten als van Republikeinen (zoals het een goede establishment-intellectueel past). Hij is bv. raadgever geweest van het Ministerie van Defensie en lid van de National Security Council. In feite schijnt alles erop te wijzen dat, ondanks zijn veelzijdige belangstelling, de studie van de militaire strategie en veiligheid de leidraad van Huntingtons loopbaan is geweest. Zij is het perspectief dat continuïteit en samenhang geeft aan zijn onderzoeksprojecten en aan de posten die hij bekleedde als regeringsraadgever en als consultant bij verschillende denktanks. Het is daarom geen toeval dat het artikel over de botsing der beschavingen een van de eerste resultaten is van een onderzoeksproject van het Olin-Instituut voor Strategische Studies dat als titel heeft ‘The Changing Security Environment and American National Interests’. Kortom, Huntington bekleedt een zeer invloedrijke positie aan de top waar de academische wereld (civiele en militaire), de hoge federale bureaucratie en de denktanks van Amerika’s conservatieve rechterzijde samenvloeien.

Voorlopers van de ‘Botsing der beschavingen’ (2)

Hoe komt Huntington tot de conclusie dat de culturele verklaringsfactoren in de huidige situatie een sleutelpositie innemen? Bij zijn werken van vóór 1993 zijn er twee relatief recente teksten die verhelderend zijn: het essay ‘The Goals of Development’ (3), 1987, en ‘The Third Wave: Democratization in the late Twentieth Century’ (4), 1991.

In de eerste tekst becommentarieert Huntington de voornaamste theorieën over de politieke ontwikkeling in de ontwikkelingslanden en over de doelstellingen die deze theorieën nastreven: economische groei, socio-economische gelijkheid, democratie, politieke stabiliteit en nationale autonomie. Na enkele concrete gevallen met zeer verschillende resultaten ontleed te hebben, besluit de auteur dat om te verstaan waarom processen van politieke en economische ontwikkeling zo verschillende wegen kunnen volgen, men de bijzondere omstandigheden van elk land moet kennen. Met andere woorden: de cultuur wordt in die context ‘een centrale onafhankelijke variabele’. (5)

Al geeft hij toe dat ‘de natie en de natie-staat waarschijnlijk de belangrijkste gehelen zijn voor de analyse en de vergelijking van de cultuur en haar effecten op de ontwikkeling’, (6) toch onderstreept Huntington dat er boven de natie enkele ‘brede culturele families of groeperingen’ bestaan ‘ die dikwijls verscheidene naties omvatten en die dikwijls veel gemeen hebben wat betreft ras en etniciteit, taal, religie en geschiedenis’. (7) Vervolgens suggereert hij dat er minstens negen ‘culturele families’ geïdentificeerd kunnen worden: de Noordelijke, de Latijnse, de Arabische, de Slavische, de Indiase, de Chinese, de Japanse, de Maleisische en de Afrikaanse. Volgende tabel geeft de religies, regio’s en landen aan die volgens Huntington overeenkomen met elk van deze negen culturen.

Tabel 1: culturen en regio’s

Cultuur Voornaamste godsdienst Regio / landen
Noordelijke Protestantisme Noord-West Europa, landen van Britse kolonisatie
Latijnse Katholicisme Zuid-Europa, Latijns-Amerika
Arabische Islam Noord-Afrika, Midden-Oosten
Slavische Orthodoxie Oost-Europa, Sovjetunie
Indiase Hindoeïsme India
Chinese Confucianisme China, Taiwan, Korea, Singapore, Vietnam
Japanse Confucianisme, Boeddhisme/Shintoïsme Japan
Maleisische Islam/Boeddhisme, Katholicisme Maleisië, Indonesië,

Filipijnen

Afrikaanse Christendom/Heidendom Afrika ten zuiden van de Sahara
Bron: S.P.Huntington ‘The Goals of Development’, 1987, p. 24.

De auteur erkent dat deze classificatie niet alle landen van de wereld omvat, maar vindt dat ze geldig is, omdat 85% van de wereldbevolking leeft ‘in nationale maatschappijen die redelijk goed passen in een van deze categorieën’.

Het is interessant zich te herinneren dat in het eerste artikel van 1993 over de botsing der beschavingen Huntington voorspelt dat in de toekomst ‘de wereld in grote mate vorm zal krijgen door de interacties tussen zeven of acht belangrijke beschavingen, waaronder de westerse, de confuciaanse, de Japanse, de islamitische, de hindoeïstische, de Slavisch-orthodoxe, de Latijns-Amerikaanse en mogelijk de Afrikaanse. (9) Bij de vergelijking van deze reeks beschavingen met de lijst culturen van tabel 1 kan men het volgende opmerken:

De concepten ‘culturele families’ of ‘culturen’ van 1987 worden in 1993 ‘beschavingen’, een term die breder en vager is;
in 1987 onderscheidde Huntington negen culturele groeperingen, die hij duidelijk beschreef, terwijl hij in het eerste artikel van 1993 zeven of acht minder duidelijk omschreven beschavingen voorstelt;
er doen zich bovendien drie veranderingen in de classificatie voor:
a) In 1993 krijgt Latijns-Amerika alleen de titel van ‘Latijnse cultuur’, terwijl Zuid-Europa deel gaat uitmaken van de ‘Westerse beschaving’, samen met de landen die voordien de ‘noordelijke cultuur’ vormden;
b) de ‘Maleisische cultuur’ verdwijnt van de kaart: men moet veronderstellen dat de landen die er deel van uitmaakten (Maleisië, Indonesië en de Filipijnen) ondergebracht zijn bij een van de beschavingen zoals aangegeven in 1993;
c) in de tekst van 1987 had de Afrikaanse cultuur een eigen identiteit, op hetzelfde niveau als de andere culturen, maar in 1993 wordt ze een beschaving met twijfelachtig bestaan. (10)
Bovendien vertoont de lijst van culturen en regio’s van 1987 een interessant aspect dat niet meer voorkomt in de volgende teksten: de classificatie vanuit de taalgroep en/of vanuit de fenotypische kenmerken (onder de gemeenschappelijke kenmerken van de ‘culturele familie’ kwam zelfs het ras voor). Deze totaal achterhaalde ordening maakt plaats voor de beschavingen zoals ze in tekst van 1993 verschijnen. Daar worden die gedefinieerd door hun belangrijkste godsdienst.

Ten slotte eindigt Huntington zijn hoofdstuk met twee opmerkingen die we opnieuw zullen tegenkomen in zijn latere teksten: de eerste opmerking is dat het model van de hedendaagse Westerse maatschappij (met welzijn en gelijke verdeling, democratisch, stabiel en onafhankelijk) waarschijnlijk een voorbeeld is dat niet veel zin heeft voor een moderne islamitische, confuciaanse, Afrikaanse of hindoeïstische maatschappij. De tweede herinnert ons aan het verschil tussen modernisering en verwesterlijking. Dit verschil wordt steeds duidelijker in de mate dat ‘de mondiale invloed van de grote westerse machten relatief aan kracht inboet’. (11)

Een meer recente voorloper vinden we in ‘The Third Wave: Democratization in the Late Twentieth Century (1991), waar Huntington in het laatste hoofdstuk het thema van de culturen opnieuw oppakt. Hij deelt de krachten die de democratisering van een land afremmen of bevorderen op in drie categorieën: de politieke, de culturele en de economische. Voor wat de culturele factoren betreft, onderzoekt de auteur de mogelijkheid dat de geloofsovertuiging van de grote culturele tradities van de wereld mede oorzaak kan zijn van de moeilijkheden die bepaalde landen hebben om democratische, politieke systemen te aanvaarden. Eerst betwist hij de geldigheid van de meest enge versie van die uitspraak die meent dat alleen de westerse cultuur een aangepaste voedingsbodem biedt voor de ontwikkeling van democratische instellingen, terwijl de andere culturen daarvoor een onvruchtbaar terrein zijn. Vervolgens bespreekt hij de bredere versie: geen enkele cultuur is speciaal aangepast aan het democratisch functioneren van een maatschappij. Alleen staan sommige culturen uitermate vijandig tegenover de democratie. De culturele tradities die in die zin het meest geciteerd en in detail behandeld worden zijn de confuciaanse en de islamitische (toevallig gaat het over de beschavingen die in het artikel van 1993 ervan beschuldigd worden, tegen het Westen te willen samenzweren). Nochtans rondt Huntington zijn betoog op verzoenende toon af, door verschillende redenen op te sommen die in twijfel trekken dat de islam en het confucianisme een rem zijn op de democratische ontwikkeling van de landen waarin zij leven.

De botsing der beschavingen: de eerste twee artikelen

In 1989 werd aan de universiteit van Harvard het ‘John M. Olin Institute for Strategic Studies’ opgericht, met de bedoeling het studieprogramma over nationale veiligheid van het Center for International Affairs’ uit te breiden en te institutionaliseren. De ‘John M. Olin Foundation’

die het initiatief tot het Olin-instituut nam, dekt zijn basiskosten maar het instituut heeft ook andere inkomstenbronnen, zoals o.m. de ‘Bradley Foundation’, het Ministerie van Defensie van de VS, de ‘Carnegie Corporation’ en de ‘Smith Richardson Foundation’. Zoals boven reeds werd gezegd, kwamen de fundamentele ideeën van de eerste tekst van Huntington over de botsing der beschavingen (The Clash of Civilizations? Foreign Affairs, zomer 1993) tot stand in het kader van een project van het Olin-Instituut. ’12)

Wij laten Huntington zelf aan het woord om deze ideeën op een onbevooroordeelde manier voor te stellen:

‘Dit document stelt de hypothese dat de verschillen tussen de beschavingen reëel en belangrijk zijn; het beschavingsbewustzijn neemt toe; conflicten tussen beschavingen zullen ideologische en andere conflicten vervangen als de dominante vorm van conflicten in de wereld; de internationale betrekkingen die zich historisch gezien afspeelden binnen de westerse beschaving, zullen meer en meer ‘ontwesterd’ worden en zullen een spel worden waarin niet-westerse beschavingen actoren zijn en niet alleen meer objecten; succesvolle politieke, economische en veiligheidsinstituties zullen zich waarschijnlijk eerder binnen dan tussen de beschavingen ontwikkelen; de conflicten tussen groepen van verschillende beschaving zullen frequenter, langduriger en gewelddadiger zijn dan tussen groepen van dezelfde beschaving; gewelddadige conflicten tussen groepen van verschillende beschaving worden waarschijnlijk de gevaarlijkste aanleiding tot wereldoorlogen; de doorslaggevende as van de wereldpolitiek zal de verhouding zijn tussen ‘the West and the Rest’; de elites van sommige verscheurde niet-westerse landen zullen trachten hun landen bij het Westen te doen aansluiten, maar in de meeste gevallen zullen zij op zware hindernissen stoten; de centrale conflicthaard voor de onmiddellijke toekomst zal die zijn tussen het Westen en verscheidene islamitisch-confuciaanse staten. (13)

In zijn tweede artikel (‘If not Civilizations, What?’ Foreign Affairs, september-oktober 1993) verandert Huntington niet van standpunt en brengt hij geen opvallende nieuwigheden aan. (14) Hij wil vooral de wetenschappelijke geldigheid van zijn these benadrukken (hij verdedigt zijn model met het argument dat zijn critici geen alternatief te bieden hebben) en wil wijzen op het gevaar dat schuilt in de ontwapeningsakkoorden die door de westerse landen op gang gebracht zijn.

Door de verspreiding van zijn polemische uitspraken is Huntington een van de heftigste verdedigers geworden van de culturele verdeling van de wereld en van de culturele conflicten in het algemeen. Bij herhaling is gezegd dat zijn wereldvisie haaks staat op de optimistische en triomfantelijke visie van Francis Fukuyama, die in zijn teksten over het einde van de geschiedenis (in de zin van het einde van de ideologische evolutie van de mensheid) stelt dat de wereld één wordt door een proces van economische (kapitalistische) en politieke (democratisch liberalisme) mondialisering. In de praktijk sluiten beide visies van de internationale realiteit elkaar nochtans niet uit. Integendeel, ze schijnen elkaar aan te vullen: sommige actuele conflicten kunnen juist worden uitgelegd door de tegenstelling tussen deze twee dynamieken. Zoals Alain Touraine zegt, moeten wij gewoon worden te leven als personen die tegelijk toebehoren aan een bepaald cultureel erfgoed en deel uitmaken van een mondiaal economisch netwerk.

Voornaamste kritiek op de ideeën van Huntington

De lijst van de analisten die hun stem hebben laten horen in het debat over de botsing der beschavingen geopend door Huntington is zeer lang; we vermelden enkele van de meest bekende namen: Daniel Bell, Pierre Hassner, Jeane J. Kirkpatrick, Hans Küng, William Pfaff en Dan Smith. (15) De grote meerderheid van de auteurs gaat niet akkoord met de stellingen van Huntington en bekritiseert het simplisme van zijn argumenten. De meest bekritiseerde aspecten van zijn teksten zijn o.m.:

Het gebruik dat Huntington maakt van het woord ‘beschaving’: beschavingen definiëren op basis van de religie schept misverstand en verwarring; de classificatie die het aantal beschavingen tot acht herleidt, is meer dan aanvechtbaar; de beschavingen zijn niet zo uniform en compact als Huntington wil doen geloven (en deze bemerking geldt evenzeer voor het Westen als voor de islam): er zijn veel interne splitsingen, ze hebben een lange historische traditie en ze drukken zich uit in etnische en religieuze, maar ook in socio-economische en politieke termen; bovendien omvatten de verscheidene beschavingen meer elementen dan Huntington wil toegeven. Kortom, Huntington heeft een te starre opvatting van de cultuur.
De historische indeling van de Europese conflicten sedert de Middeleeuwen die Huntington voorstelt, is zeer schematisch en laat andere conflicten weg die niet in zijn opdeling passen (dat wil zeggen, die deze opdeling tegenspreken).
Het reductionistisch gebruik van het concept ‘conflict’: er zijn diverse vormen van conflicten, en veel daarvan komen niet tot een open en direct treffen. Huntington erkent dit, maar in zijn teksten zijn de concepten ‘conflict’ en ‘oorlog’ in feite uitwisselbaar. Zo krijgen conflicten een onontkoombaar karakter, alsof er geen onderhandeling en geen akkoord mogelijk zouden zijn.
De verklaring van de werkelijkheid in puur culturele termen (vooral religieuze en etnische) is onhoudbaar. Men moet ook rekening houden met, onder meer, de economische verschillen tussen mensengroepen of met het onderscheid in ras.
De argumentatie die het bestaan wil bewijzen van een confuciaans-islamitisch verbond houdt geen steek, want ze steunt op enkele concrete handelsoperaties die politiek en cultureel weinig te betekenen hebben.
Naast deze kritiek over de inhoud van Huntingtons tekst zijn er enkele auteurs die andere aspecten bekritiseren. De twee meest gehoorde kritieken zijn soms met elkaar verbonden:

De uiteindelijke doelstelling van de tekst van Huntington is niet zozeer wetenschappelijk als wel strategisch. Hij wil een voorstel uitwerken voor de buitenlandpolitiek van de VS (opsporen van potentiële vijanden en bedreigingen, en middelen aanreiken om deze het hoofd te bieden).
De operatie van het lanceren en verspreiden van Huntingtons artikelen is te vergelijken met de operatie die enkele jaren tevoren de ideeën van Fukuyama over het einde van de geschiedenis in circulatie bracht. Voor sommige analisten worden de ideeën van beide auteurs totaal ontkracht door het feit dat ze actief gepromoot werden door privé-stichtingen van conservatieve strekking (met name de John M. Olin Stichting).
Recente stellingnamen

Eind 1996 publiceerde Huntington het boek ‘The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order’ (16), waarin hij de voornaamste argumenten van zijn artikelen in Foreign Affairs uitbreidt en nuanceert. Er zijn geen ingrijpende veranderingen ten opzichte van zijn vorige teksten, maar er verschijnen enkele nieuwe elementen die het Huntingtonmodel complexer maken. Bijvoorbeeld:

De impact die de bevolkingsaangroei kan hebben op de internationale stabiliteit en op het mondiaal machtsevenwicht (met speciale verwijzing naar de overbevolkte confuciaanse en islamitische beschavingen).
Een grotere neiging tot verstandhouding en samenwerking tussen beschavingen en een paradoxale einduitspraak: ‘In de komende tijd zijn conflicten tussen beschavingen de grootste bedreiging voor de wereldvrede, en een internationale orde die steunt op de beschavingen is de zekerste beveiliging tegen een wereldoorlog’. (17)
De beschavingen hebben geen politieke organisatie; hoe kan men dan hun optreden op de internationale scène regelen? Huntington stelt voor dit te doen langs wat hij de kernstaat (core state) van elke beschaving noemt (de Verenigde Staten voor het Westen, Rusland voor de Slavische, China voor de confuciaanse beschaving, enz.) De functie van de kernstaat is, de andere staten van zijn beschaving te vertegenwoordigen en in hun voordeel te bemiddelen in geval van conflict met een staat van een andere beschaving.
Huntington bekritiseert de verschillende vormen van Westers universalisme, stelt voor dat het Westen zijn pretenties laat varen om andere beschavingen naar zijn model te hervormen en herinnert het Westen eraan dat – in een wereld van meerdere beschavingen – zijn belangrijkste verantwoordelijkheid is, de verdediging en de vernieuwing van die kenmerken die van het Westen een unieke (geen universele) beschaving maken: de klassieke erfenis, het westerse christendom, de Europese talen, de scheiding van de wereldlijke en de kerkelijke macht, de rechtsstaat, het sociaal pluralisme, de vertegenwoordigende instituties en het individualisme.
Eindbalans

Vooral dient gezegd dat men niet te lichtzinnig moet oordelen over de ideeën van Huntington. Aanhangers van links hebben dikwijls de neiging om auteurs of boeken die ze van rechtse sympathieën verdenken, resoluut en zonder ernstige argumenten te laten vallen. Maar nadat we in een eerste hoofdstukje de ideologische achtergrond van Huntington hebben nagegaan en nadat we vervolgens vastgesteld hebben dat zijn ideeën niet dwaas zijn en dus ernstig te nemen zijn, willen we een korte, voorlopige balans opmaken van wat ons in zijn teksten waardevol lijkt en wat ons als overbodig voorkomt.

Huntington heeft goed begrepen dat het gebied van de cultuur (de aspiraties van de gemeenschap) op dit ogenblik een sleutelpositie inneemt in de opbouw van de toekomstige maatschappij. Vanuit verschillende perspectieven heeft men inderdaad vastgesteld dat we op dit ogenblik in volle overgang zitten van één beschavingsmodel naar een ander. (18) De traditionele pijlers zijn in crisis en er bestaat nog geen nieuwe sociale consensus over de waarden die structuur zullen geven aan de maatschappij van morgen. Wij beleven diepgaande verschuivingen en we weten niet waarheen ze ons zullen voeren. De sociale ideeën en instituties zijn niet in staat een antwoord te geven op de ingewikkelde situatie van vandaag.

Anderzijds hebben wij op het vlak van de politieke filosofie een voortdurende ontwikkeling gezien van de rechten van de burgers die in een democratisch staatsbestel leven: politieke, sociale en culturele rechten. De evolutie van het democratische liberalisme, van het einde van de 18e eeuw tot nu, heeft bestaan in de geleidelijke erkenning van de eisen tot onbevooroordeelde behandeling van de sociale sectoren die tot dan toe uitgesloten waren van die rechten. Na decennia van hevige strijd hebben de arbeidersorganisaties van de liberale regeringen rechten verkregen die ons nu even evident lijken als het algemeen stemrecht en het recht op vereniging.

Daarna was er de strijd voor sociale rechten die na de Tweede Wereldoorlog uitmondde in de welvaartsstaat.

In de jaren tachtig was er een nieuwe politieke stem te horen, die van de culturele minderheden. Daardoor staan de huidige democratieën voor de uitdaging de culturele rechten te regelen die zoals al de vorige collectieve rechten tot dan toe niet erkend waren door het traditionele liberalisme. De culturele minderheden (waarvan de belangrijkste zijn, die van de migranten en ontheemden, de nationalismen die niet samenvallen met de staat, de vrouwenbewegingen, de homoseksuelen en de inlandse volkeren) stellen eigen erkenningsproblemen die de traditionele ideologieën in verlegenheid brengen. (19)

Men kan dus zeggen dat Huntington in de roos schiet voor het ‘wat?’ (het thema waarover het gaat) maar niet voor het ‘hoe?’ en voor het ‘waarom?’ (de probleemstelling en haar historische rechtvaardiging). Op zijn extreem culturalistisch perspectief kan men twee kritieken formuleren. De eerste is dat door zo sterk de nadruk te leggen op de centrale rol van de culturele identiteit (met bijzondere aandacht voor etniciteit en religie) om de huidige realiteit te begrijpen, zijn perspectief uitmondt in een nieuw determinisme. (20) Door één enkele verklaringsfactor aan te wenden en de andere te vergeten, ontwerpt Huntington een ééndimensionele, vlakke visie van de werkelijkheid. Men mag niet uit het oog verliezen dat de realiteit multidimensioneel is en dat zowel de reacties van culturele identiteit, als de crisis van de welvaartsstaat ‘en van de natie-staat) en de teloorgang van een groot deel van de culturen (zowel in het Noorden als in het Zuiden) hun oorsprong hebben in de mondialisering van de economie, in de verpletterende triomf van het economische en het financiële. In feite is dat een extreme versie van de liberale ideologie die meent dat het nodig is alle sociale en culturele verschillen neer te halen ten gunste van de grote markt, de enige bron van welvaart en van vrijheid voor het individu.

De tweede kritiek is dat Huntington zo geobsedeerd is door de logica van de macht (wie de wereld beheerst, de potentiële vijanden van het Westen, de oorlog, bondgenootschappen, herbewapening) dat hij de cultuur ondergeschikt gaat maken aan strategische en politieke belangen. De vaagheid van de culturele factoren en de moeilijkheid om ze te analyseren, maken een goed deel van hun theoretische kracht uit. Veel van de overtuigingskracht van Huntingtons teksten schuilt in de politisering van de cultuur. Juist daarin, in de afhankelijkheid van de cultuur ten opzichte van de doelstellingen van de buitenlandse politiek van de VS, kan men het duidelijkst zien hoe de interesse van Samuel Huntington samenvalt met de belangen van de conservatieve denktanks, van de diplomatie en van de federale overheid van de Verenigde Staten.

Naast de punten van kritiek op Huntington en om zijn ‘hypothese’ van de botsing der beschavingen moet men ook zijn ‘voltreffers’ durven erkennen:

De vernieuwing die erin bestaat, belang te hechten aan verklaringsfactoren van culturele aard in het domein van de strategische studies en van de internationale betrekkingen. Dit is misschien niet helemaal nieuw, maar ten tijde van de Koude Oorlog was dit allesbehalve gewoon.
Men kan het ‘paradigma’ van Huntington ook beschouwen als een lofwaardige poging om het domein van de cultuur te bevrijden uit zijn traditionele ondergeschiktheid aan de economische interpretatie van de menselijke geschiedenis.
De waarschuwing dat de westerse cultuur terrein aan het verliezen is in de mondiale cultuurmarkt en dat daarom, willen of niet, de interculturele dialoog steeds noodzakelijker wordt, vanwege het toenemende gewicht van de andere culturele tradities (vooral de Aziatische en de islamitische).
Zijn nadruk op het belang een model van de internationale werkelijkheid ter beschikking te hebben dat de prioriteiten en de werkwijze aanduidt voor het handelen van de staten, van de bedrijven, van de organisaties van de civiele maatschappij en van het individu.
Dit nieuwe model, dat nog niet bestaat, is vandaag meer dan ooit onmisbaar, omdat de grote uitdagingen een mondiale dimensie hebben en dus een mondiale oplossing vereisen. Voorbeelden hiervan zijn legio: de economische onevenwichten en de toenemende onderlinge afhankelijkheid tussen de landen, veroorzaakt door de globalisering van bedrijven en kapitalen; zo ook de gewelddadige conflicten, die internationale interventieakkoorden vereisen om de humanitaire hulp aan de burgerbevolking te verzekeren; eveneens de luchtvervuiling en de andere agressies op het milieu, die klaarblijkelijk een klimaatsverandering met onvoorspelbare gevolgen teweegbrengen, de interne en internationale migraties die overbevolking veroorzaken in de ene regio en in de andere ontvolking en desertificatie; de nucleaire dreiging die latent blijft bestaan omdat men de kernwapens niet onschadelijk gemaakt heeft, enz.

Sommige auteurs, zoals Pierre Hassner (21) geloven dat de ‘explosie van de paradigma’s’, dat wil zeggen de huidige onmogelijkheid om een model van internationale relaties te ontwerpen en uit te werken dat uniek, globaal en overheersend is, wellicht een van de karakteristieken van onze tijd is. In elk geval kan het ontbreken van een algemeen plan geen excuus zijn om geen multilaterale akkoorden af te sluiten over de bovengenoemde thema’s. De internationale instituties, op voorwaarde dat ze grondig hervormd worden om het overwicht van de grootmachten te vermijden, zouden het ideale kader zijn om daarover te onderhandelen. Maar boven de uitwerking van modellen en naast de beslissingen van de staten, zijn wij als burgers verantwoordelijk voor onze gemeenschappelijke toekomst. Terwijl wij oplossingen zoeken voor de bovenvermelde mondiale uitdagingen moeten wij het eens geraken over welke toekomst wij willen en welke de meest geschikte weg daarheen is.

En dan moeten wij op stap gaan langs die weg.

Noten:

Na het eerste artikel van Huntington ‘The Clash of Civilizations’ (zomer 1993, vol. 72, n° 3, pp; 22-49) zorgde Foreign Affairs voor een tamelijk kritische antwoord door zeven bekende specialisten (september-oktober 1993, vol. 72, n° 4). In het volgende nummer antwoordde Huntington op zijn critici met de tekst ‘If not Civilizations, What? Paradigms of the Post-Cold War World’ (november, december 1993, vol. 72, n°5, pp; 186-194).
Wij hebben het over precedenten in het vroeger werk van Huntington zelf. Over voorgaanden in het werk van andere auteurs citeert Huntington de naam van andere analisten die het hadden over een wereld opgedeeld in beschavingen, als was het met een andere oriëntatie: o.m. Johan Galtung, Barry Buzan, William S. Lind, Donald J. Puchala en Mahdi Elmandjra, Zie S.P.Huntington ‘The Clash of Civilizations and the World Order’ New York, Simon & Schuster, 1996, p. 324, nota 18.
Samuel P. Huntington ‘The Goals of Development’ in Myron Weiner en S.P Huntington (eds.) Understanding Political Development: An Analytic Study, Harper Colins, 1987, pp.3-32.
Ik heb de Spaanse vertaling van het boek gebruikt: S.P.Huntington, ‘La tercera ola: la democratización a finales del siglo XX, Barcelona, Paidós, 1994, pp.266-277.
Huntington: The Goals… op. cit., p. 22.
Huntington, o.c. p. 23.
Ibidem.
Ibidem.
Huntington, ‘The Clash of Civilizations?’ o.c., p. 25.
In het bovengenoemde boek van 1966 breidt Huntington de lijst van beschavingen uit tot negen (zoals in 1987). Hij besluit uiteindelijk tot het bestaan van een Afrikaanse beschaving en voegt een nieuwe beschaving toe, de boeddhistische die Thailand, Myanmar (ex-Birma), Cambodja, Laos, Mongolië, Nepal en Tibet omvat.
Huntington, ‘The Goals…’ o.c. p. 26.
Vooraleer in Foreign Affairs te verschijnen, werden deze ideeën voor de eerste maal publiek gemaakt in een Bradley conferentie van 1992, in het American Enterprise Institute van Washington.
Huntington, ‘The Clash…’ o.c. p.48.
Daarom is het van weinig belang dat de meerderheid van de auteurs die aan de polemiek deelnamen, enkel het eerste artikel van Huntington hebben gelezen dat de grootste internationale verspreiding kende.
De bijdragen van deze auteurs en van andere minder bekende auteurs werden samengebracht in een volume, gesteld in het Catalaans, uitgegeven door de auteur van dit artikel: Marc Dueñas (ed.) Xoc de civilitzacions: a l’entorn de S.P.Huntington i el debat sobre el nou escenari internacional, Barcelona, Centre d’Estudis de Temes Contemporanis/Proa, 1997.
Cf. noot n° 2.
Huntington, ‘The Clash…’ o.c. p. 321.
In dit geval duidt het concept ‘beschaving’ niet op de grote religieuze en culturele aggregaten, zoals Huntington het bedoelt, maar wel op de culturele evolutie (die noodzakelijk rechtlijnig is en op vooruitgang gericht) met een dynamisch en universeel karakter.
Deze volgt van nabij de argumentatie van Ferran Requeso, ‘Democracias interculturales’, El Pais, 20 november 1997, suplemento Cataluña, p. 2.
De schaarse reacties van de antropologen op de polemische uitspraken van Huntington, die op een rigide cultureel determinisme steunen, wekken verwondering. Zij zijn schijnbaar in verwarring gebracht door het feit dat een buitenstaander van hun discipline, een politicoloog, een beroep doet op de cultuur als belangrijkste sleutel om de wereld van na de Koude Oorlog te begrijpen. Zulke overmoed zou niemand onder hen hebben durven tonen.
P. Hassner, ‘Un Spengler pour l’après-guerre froide?’ Commentaire, 66, zomer 1994.

De auteur studeerde culturele antropologie aan de Universidad Autonoma de Barcelona en is momenteel werkzaam bij het CIEMEN in Barcelona, een NGO die zich bezighoudt met vraagstukken over minderheden en volkeren zonder staat. Hij redigeerde een bundel essays van Europese en Noord-Afrikaanse auteurs over Huntington en zijn theorie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift