Overheid en ngo's: één front?

De minister van Ontwikkelingssamenwerking en de Belgische ontwikkelings-ngo’s hebben een akkoord gesloten over hoe ze samen de Belgische ontwikkelingssamenwerking kunnen verbeteren. Dat is een primeur. Wat het echt zal veranderen, moet nog blijken.
In het akkoord belooft Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking, dat hij ernaar zal streven dat ook zijn collega-ministers van Handel, Milieu, Defensie… rekening houden met de noden van ontwikkelingslanden. De ngo’s van hun kant aanvaarden dat ze hun efficiënter moeten opereren door hun activiteiten te concentreren in een kleiner aantal landen en dat ze hun onderlinge samenwerking moeten verbeteren als ze met verschillende ngo’s in één land werken. Ngo’s en regering verbinden zich ook tot een permanent overlegproces in de landen waar ze samen actief zijn. Dat alles lijkt vanzelfsprekend, maar is het minder als je de geschiedenis van de sector bekijkt.

Een complexe verhouding


In de meeste landen die zich met ontwikkelingssamenwerking inlaten, loopt die hulp niet enkel via de regeringen. Sinds de jaren zestig is in elk van die landen ook een heel weefsel gegroeid van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die zich toeleggen op ontwikkelingssamenwerking.
De verhouding tussen de regering en de ontwikkelings-ngo’s was altijd al een complexe aangelegenheid waarin wederzijdse kritiek en geldstromen hand in hand gaan. De ngo’s zijn immers niet alleen actief in ontwikkelingslanden, ze proberen ook de bevolking in het Noorden bewust te maken van de noodzaak van ontwikkelingshulp en van de politieke en economische oorzaken van de ontwikkelingsproblemen.
Tot die oorzaken horen beleidskeuzes die de rijke landen maken. Niet zelden hebben ngo’s de rijke landen bijvoorbeeld bekritiseerd voor oneerlijke handelspraktijken of machtsmisbruik in internationale instellingen. Veel ngo’s zien het als een van hun belangrijkste doelen om het regeringsbeleid inzake ontwikkeling kritisch te bekijken en daarover lawaai te maken in de samenleving. Om dat goed te kunnen doen, is onafhankelijkheid vitaal. Elke vorm van betutteling vanwege de regering ligt daarom erg gevoelig.
Het merkwaardige is evenwel dat heel wat ontwikkelings-ngo’s meer dan de helft van hun middelen van die zelfde overheid ontvangen. Ze worden dus geacht de hand te bijten die hen voedt.

Meer coherentie


Het lag in die constellatie dus gevoelig dat minister Michel in juli 2008 een nota op tafel legde die de ngo’s verplichtte in maximaal tien landen actief te zijn, met minstens 500.000 euro per land. De nota bepaalde bovendien dat de ngo’s minstens dertig procent van hun kosten zelf zouden financieren, tegen twintig procent nu. Die nota verwekte grote onrust in ngo-land, onder meer omdat ze het einde zou betekenen voor sommige ngo’s die erg van overheidssteun afhankelijk zijn.
‘Wij vinden het normaal dat de regering vragen stelt over onze efficiëntie, maar we vinden de kwaliteit van het ontwikkelingsbeleid even belangrijk en die hangt niet alleen af van de efficiëntie van de ngo’s’, aldus Bogdan Vandenberghe van 11.11.11, de koepel van Vlaamse ontwikkelings-ngo’s.
Daarom legden de ngo’s de eis om meer samenhang of coherentie in het regeringsbeleid op tafel: alle ministers moeten meer rekening houden met de noden van ontwikkelingslanden. Daarop ontspon zich een lang onderhandelingsproces tussen overheid –de minister en het Directoraat-Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking (DGOS)– en de vertegenwoordigers van de ngo’s.
‘De minister is meegegaan in die vraag om meer coherentie. Al wees hij ons erop dat hij alleen voor ontwikkelingssamenwerking bevoegd is. Hij is echt gaan praten met de andere ministers om te zien hoever die zich wilden engageren’, vertelt Johan Cottenie van Coprogram, de organisatie die de belangen van de ngo’s verdedigt, maar tevens de kwaliteit van het ngo-werk wil verbeteren.
Het resultaat is dat een minister nog nooit zo’n uitgesproken en concrete verbintenis inzake coherentie van het ontwikkelingsbeleid op papier heeft gezet. Zo stelt het akkoord dat Michel de strijd tegen belastingparadijzen in internationale organisaties zal bevorderen en voor extra middelen voor het klimaatverdrag zal ijveren.
‘Sommige zaken bleken onhaalbaar. Zo wilde de minister van Financiën niet dat de Tobin tax (die het wisselen van geld zeer licht belast) als dusdanig vermeld werd in het akkoord, ook al stemde het Belgische parlement een wet die ons land tot de Tobin tax verbindt. De minister verbindt er zich ook toe dat de middelen voor ngo’s elk jaar met 3 procent stijgen, en dat ons land tegen 2010 0,7 procent van zijn inkomen aan hulp zal besteden. Ook de ngo’s hebben een beperking van hun vrijheid in geografische concentratie en gemiddelde besteding per land aanvaard, zij het dat de aanvankelijke eisen wat werden afgezwakt. In die zin stelde Michel terecht dat het een akkoord zonder precedent is.

Uniek?


Toch moeten we het gewicht van de tekst juist beoordelen, zegt Johan Cottenie van Coprogram. ‘Het gaat om morele verbintenissen, juridisch heeft zo’n akkoord geen waarde. Als er een andere minister komt, hoeft hij met dit akkoord geen rekening te houden.’ Anders wordt het als delen van het akkoord worden opgenomen in koninklijke en ministeriële besluiten, en die kans bestaat.
‘Het akkoord bevat enkele zeer schuchtere aanzetten, maar lijkt hoofdzakelijk een niet-aanvalspact. De administratie wenste geen grondige hervorming, de meeste ngo’s wilden evenzeer een status-quo en de minister heeft zich daarbij neergelegd’, zegt een stem uit de academische wereld.
Bogdan Vandenberghe vindt het positiefste ‘dat de administratie DGOS en de ngo’s elkaar hebben leren kennen. Ik hoop dat daarmee de basis is gelegd van een volwassen relatie.’ Hij vindt dat de ngo’s een aantal zaken als sector beter zelf kunnen doen. ‘Het lijkt me voor de hand te liggen dat ngo’s beter met elkaar samenwerken als ze in hetzelfde land actief zijn. Ik pleit ervoor dat we met een proefproject beginnen, bijvoorbeeld in Congo, waar veel Belgische ngo’s werken. Tweede punt is dat we als ngo’s onze schoolactiviteiten beter kunnen stroomlijnen. Moeten we niet streven naar eindtermen inzake mondiale vorming?’
Leen Nijs, onderzoekster aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (Universiteit Antwerpen), past het Belgische akkoord in een bredere Europese tendens in: ‘Ngo’s kunnen niet meer allees doen wat ze willen. Daartegenover staat dat ze wel de kans krijgen om het geld op een minder rigide manier te gebruiken en zo hun rol beter te vervullen.’
Een mogelijk gevolg van die grotere resultaatgerichtheid is volgens Nijs wel dat ngo’s minder risico’s durven te nemen, en kiezen voor eenvoudige dienstverlening, waarvan de resultaten veel zekerder zijn.
Het volledige akkoord is te lezen op www.coprogram.be  

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur