(Over)leven op de Congolees-Oegandese grens

Getergd door decennia oorlog en armoede storten steeds meer Congolezen zich in de bloeiende grenshandel, tussen de corrupte ambtenaren en smokkelaars op de grens met Oeganda. Terwijl bij Goma het leger een hevige strijd voert met generaal Nkunda, vliegen hout, koffie en goud er vlotjes over de toonbank. Welkom in Kasindi, waar Osama Bin Laden en Bob Marley de beste vrienden zijn.
Kivu zit weer in een dip. Ondanks de succesvolle verkiezingen en democratisering van twee jaar geleden doemen de oude spoken weer op. Het wordt stilaan een oud verhaal: plaatselijke milities vechten, aangestuurd door nationale en regionale grootmachten, als honden voor een been, en de bevolking lijdt als nooit tevoren. Sinds maanden vecht het nationale leger in Noord-Kivu samen met lokale Mayi Mayi- en Hutumilities een bittere strijd uit met de dissidente generaal Laurent Nkunda, die met zijn militie annex politieke partij een deel van de politieke koek opeist. Zoals steeds staat een machteloze VN-missie erbij en kijkt ernaar. 
Omwille van de constante aanvallen en plunderingen vluchtten honderdduizenden mensen naar het noorden, in de hoop op wat veiligheid en een inkomen. Spijtig genoeg lijdt de landbouw daar onder een nijpend productiegebrek omwille van voortdurende onveiligheid en overbevolking. Bij wijze van alternatief storten gezinnen zich daarom massaal op de grenshandel, waarmee ze alsnog wat hopen te verdienen.
Tijdens marktdagen voltrekt zich op de grens tussen Congo en Oeganda een schouwspel van rennende moedertjes die, achternagezeten door de douanebrigades, flesjes frisdrank en bier proberen te smokkelen. Per trip verdienen ze duizend shilling (veertig eurocent), via tussenhandelaars die uiteraard een meervoud opstrijken voor deze sluikhandel. De meesten doen het om te overleven, zegt een moedertje terwijl ze een zak vol flesjes op haar rug sjouwt. Voor twee trips kunnen ze een kilo djoro djoro kopen, het afval van Tanzaniaanse nijlbaarzen dat hier noodgedwongen als “vis” wordt verkocht.
Vele vrouwen hebben geen andere keuze dan hier te werken, want thuis heerst altijd wel één of andere militie. Kavira is bijvoorbeeld zo’n dame die helemaal tot hier is gevlucht, meer dan tweehonderd kilometer te voet, met haar kinderen op de rug of aan de hand. Hier probeert ze te overleven. De politie en douanebeambten vragen haar daarbij steeds een kidogo kidogo –een kleine geste die haar recht geeft op haar verboden handelswaar. ‘Als ik het niet geef, riskeer ik alles kwijt te raken’, zegt ze terwijl ze de laatste flesjes in haar tas stopt.

Overlevingskunst


De oorlog heeft van de sluikhandel in Kasindi een echt systeem gemaakt. De eersten die aan de sluikhandel verdienen, zijn uiteraard de buurlanden. In 2002 en 2004 kende Oeganda tot twee keer de exportprijs toe aan een bedrijf dat goud exporteert hoewel het land amper reserves bezit van dit edelmetaal. Als gevolg van de scheefgegroeide handelsverhoudingen tussen beide landen brengt Oeganda sinds jaren Congolese koffie als Oegandese waar op de markt, voor een veelvoud van de Congolese prijs. Het grootste smokkelproduct in Kasindi blijft echter hout, dat met tienduizenden kubieke meter tegelijk vanuit het Congolese regenwoud naar Oegandese zagerijen wordt gesleept. Volgens de Congolese ngo Great Lakes Human Rights Program worden 500.000 hectaren bos in Lubero illegaal ontgonnen. Het meeste hout gaat onmiddellijk naar buurland Oeganda.
Maar ook aan Congolese kant wordt gretig gescharreld. Deze zomer bijvoorbeeld bracht een lokale krant grootschalige autosmokkel aan het licht op naam van belangrijke ambtenaren en functionarissen. Handelaars betalen in Kasindi per vrachtwagen een slordige 2000 tot 2500 dollar smeergeld aan verschillende staatsdiensten die zich als roofdieren op deze handel storten: de douane, provincie, nationale veiligheid, politie en militairen. Sinds kort heeft ook het parket haar eigen “anti-fraudecel”, waarmee het de smokkelaars een officiële fooi afhandig probeert te maken.
De houding van ambtenaren en politie zorgt bij de Kasindiens voor heel wat wrevel. Terwijl de Congolezen overal bekend staan voor hun overlevingskunst –lokaal noemen ze dit ‘système D’, van débrouillardisme– zijn het vandaag vooral de douane- en veiligheidsdiensten die zich proberen recht te houden. Meestal gebeurt dit op kap van de paupere bevolking. Getuige hiervan zijn de jonge gehandicapten uit de omliggende steden en dorpen, die hier elke marktdag heen- en weerrijden met hun bakfietsen. In ruil voor een schamel loon ondergaan ze constant pesterijen, scheldpartijen en fysieke mishandeling door de aanwezige politiediensten, die in hen een welkom slachtoffer zien om snel buit te verzamelen. ‘Zie je al die trafiek hier? Dat is de schuld van de douane’, vertelt Jaguar me, een poliopatiënt. ‘Deze mensen dwingen ons gewoon te smokkelen.’

Robin Hood


Voor mensen als Jaguar vormt grenssmokkel ook een verdoken vorm van verzet, in de eerste plaats tegen de corrupte politieke elite die hier al decennialang de bevolking tot armoede doemt. Een man die hier bijvoorbeeld steevast als held wordt opgevoerd, is Kambale Kisoni, bijgenaamd Kidubai. Deze plaatselijke Robin Hood wordt in betrouwbare onderzoeksrapporten aangeduid als dé grootste goud- en wapensmokkelaar uit de regio, met contacten in Congo, Oeganda en de Verenigde Arabische Emiraten (vandaar zijn bijnaam Ki-Dubai). Vorig jaar werd Kisoni op spectaculaire wijze vermoord in zijn woning in Butembo, vermoedelijk door twee Oegandese huurmoordenaars.
Terwijl organisaties als Human Rights Watch en Amnesty International hem afschilderen als een halve oorlogscrimineel, verheerlijken de Congolezen Kidubai als een voorbeeld van zelfredzaamheid, die met zijn durf en populariteit de corrupte politici wist te verschalken. Dankzij een systeem van voorfinanciering, waarbij rebellen in ruil voor smeergeld forse verminderingen boden op importbelastingen, konden handelaars als Kisoni zich tijdens de oorlog opwerpen als plaatselijke weldoeners.
Met hun premies bouwden ze ziekenhuizen en elektriciteitsnetwerken ten voordele van de stedelijke bevolking. Hoewel zakenlui en politici in Oost-Congo elkaar vandaag dus de zwarte piet blijven doorspelen, komt deze chaos hen duidelijk beiden ten goede: de huidige provinciegouverneur van Noord-Kivu vertelt aan iedereen die het horen wil dat het goed samenwerken is met de zakenlui uit de streek.

Meer geblaat dan wol


De laatste tijd lijkt de liefde tussen zakenlui en politici echter wat bekoeld, zeker nu president Kabila beloofde een einde te maken aan de grensoverschrijdende corruptie. Vorige zomer zond Kabila de directeur van de douane naar Kasindi, die er terstond de hele ploeg de laan uitstuurde. Aanleiding was de instorting van de brug die Congo met Oeganda verbindt. Die begaf het in april vorig jaar onder het gewicht van een vrachtwagen beladen met illegaal gekapt hout uit het Congolese regenwoud. Sindsdien passeert het grensverkeer over een gammel bruggetje, van waarop Congolese beambten en soldaten met gescherpte messen de voorbijkomende handelswaar kunnen controleren.
Naast deze plotse administratieve “hervorming” zocht Kabila een internationale firma aan die de grenshandel onder handen zou nemen: Bivac International, een Frans bedrijf gespecialiseerd in electronische vrachtbrieven met 600 kantoren over de hele wereld. Volgens een buitenlandse ondernemer uit Oost-Congo kunnen we over dit bedrijf heel kort zijn: ‘Er is niets. Ze hebben overal bureaus, dat wel. Maar verder gebeurt er niets.’ Sinds de firma zich heeft geïnstalleerd, weigeren douanediensten met Bivac samen te werken, zogezegd omdat hun facturen te hoog zijn. De onderliggende reden is natuurlijk dat deze controle het hele systeem van voorfinanciering als een kaartenhuisje in elkaar zou doen klappen. En dat kunnen noch de douane, noch de smokkelende handelaars in Kasindi verkroppen.
Bij nader inzien heeft de hele douanehervorming in Kasindi dan ook meer geblaat dan wol opgeleverd. De enige verandering die je voorlopig kan merken, is de houding van de douanebrigades in Kasindi, die vandaag veel agressiever de moedertjes en gehandicapten aan de grens belagen. Nu ze dreigen hun belangrijkste inkomstenbron te verliezen, storten ze zich maar op de kleintjes: ‘Waar we vroeger een halve dollar per bak betaalden, eisen de brigades nu het dubbele. En daarna komen de militairen ons nog eens in de opslagplaats uitpersen,’ zegt Jaguar, terwijl een agent van de presidentiële garde aan de ingang staat te popelen. Een handelaar in frisdranken voegt eraan toe: ‘Er heerst een echt conjunctuurprobleem… Met al die zogezegde diensten die je wekelijks geld afhandig maken gaan onze investeringen telkens in rook op. Ik weet niet of het de moeite loont nog te blijven.’

Nu Europa en de VS zich beginnen te moeien met de Congolese douanehervorming, keert de sfeer zich steeds meer tegen de buitenlanders.
Osama Bin Laden


Het Westen was in ieder geval al niet populair in Oost-Congo, getuige het groeiende protest tegen de Verenigde Naties in Nkunda’s oorlogsbastion, waar de blauwhelmen nu ook al onder vuur liggen van het nationale leger. Nu Europa en de Amerikanen zich bovendien beginnen te bemoeien met de Congolese douanehervorming, keert de sfeer zich steeds meer tegen de buitenlanders, die in de ogen van vele Congolezen achter de huidige crisis schuilen. Aan de plaatselijke taxistand merk ik een aantal jongeren op die, luid joelend, naar wat reggae staan te luisteren. Fier pronken ze met hun armbandjes en T-shirts in de rastadriekleur, hét symbool van het anti-imperialisme. De laatste jaren is de rastafari tot een hechte beweging uitgegroeid hier in het oosten, wat valt te merken aan de vele verwijzingen naar Babylon, Haile Selassie en Bob Marley.
De cultuur is vooral in trek bij de jonge smokkelaars en débrouillards die aan de stoffige grens hun brood verdienen. ‘Zoals je weet gaat het met ons land een beetje slecht: veel te veel barrières, veel te veel pesterijen,’ zegt een plaatselijke reggaezanger: ‘Daarom is onze beweging hier ook zo zichtbaar.’ ‘Sommigen schuiven hiervoor de schuld op het Westen,’ zegt een andere, ‘maar er zijn ook Afrikanen die onze rijkdommen daar verkwisten, terwijl hun bevolking van armoede omkomt.’ Even later voegt hij eraan toe: ‘Maar als iemand een oorlog tegen de Amerikanen wil beginnen, zal hij hier zeker een goed voorbereid terrein vinden. Want voor ons lijkt het onmogelijk dat een klein land als Rwanda of Oeganda ons zomaar kan leegzuigen. Daarvoor zijn veel grotere machten nodig.’
Juist of niet, het lijkt er sterk op dat deze analyse snel aan populariteit wint in Oost-Congo. Je moet in Kasindi maar een kantoortje of plaatselijke kiosk binnenlopen of er hangt wel een poster van Saddam Hoessein aan de muur, die samen met zijn zoon Qusay en ‘Chemical Ali’ de Amerikaanse bezetter bevecht. Op de markt in Kasindi is bijvoorbeeld een dvd te koop met de titel Osama Bin Laden versus African Mafians (sic), waarin de terrorist op één lijn wordt gezet met verzetsstrijder Patrice Lumumba. Dat het hier grotendeels om een lokale projectie gaat, hoeft niemand te betwijfelen: Saddam en Osama staan symbool voor het Congolese “verzet” tegen de “buitenlandse” inmenging.
Toch moeten we zulke symbolen niet onderschatten, zegt een professor sociologie die al jaren de informele economie onderzoekt: ‘Waarom zouden de Congolezen de veroordeling van een man als Kidubai moeten accepteren wanneer westerse bedrijven zélf volop goud en grondstoffen smokkelen?’ Het laatste VN-rapport lijkt de professor gelijk te geven: verschillende internationale (inclusief Belgische) bedrijven belandden opnieuw aan de schandpaal voor hun blijvend aandeel in de vermoedelijke financiering van Oost-Congolese milities.
Maar deze oorlogseconomie is volgens de meesten niet de belangrijkste factor voor Osama’s succes hier. Veel beduidender is de boodschap van bevrijding die zijn strijd teweegbrengt in de ogen van Congolese jongeren, die de oorzaak voor hun lijden steeds meer bij het Westen leggen. En deze strijd zet zich meer en meer om in daden. In het Rwenzorigebergte tussen Congo en Oeganda is bijvoorbeeld een militie actief die zich gedeeltelijk laat inspireren door de Tablighi Jamaat, een Soennibeweging met onder meer takken in Engeland.
Na een jarenlange campagne van onderdrukking in Oeganda doopte deze zich om tot een belangrijke politieke drukkingsgroep met als doel een islamitisch kalifaat op te richten. Tegenwoordig leven haar militieleden in Congo vooral van de smokkel van ivoor, grondstoffen en drugs – zoals cannabis die ze op de flanken van de Rwenzori telen. Alles wordt me duidelijk wanneer ik in een winkeltje een broeksriem zoek met de beeltenis van Bin Laden. Mij een foto van Bob Marley toeschuivend, antwoordt de verkoper: ‘Mais Osama, c’est aussi un Bob.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift