Palestijnse producenten worstelen met Chinese concurrentie

De verwerkende nijverheid in Palestina blijft krimpen. Dat heeft te maken met de blokkade van de Palestijnse Gebieden door Israël, maar ook met de toevloed van Chinese producten. Daardoor wordt de toekomstige Palestijnse staat op drijfzand gebouwd.

Volgens de Wereldbank nam het bruto binnenlands product van de Westelijke Jordaanoever, het economisch sterkste deel van de Palestijnse gebieden, vorig jaar met 7,6 procent toe. De werkloosheid daalde eind 2010 tot 16,9 procent. De Gazastrook, die nog altijd gebukt gaat onder oorlogsgeweld en een totaal exportverbod, groeide vorig jaar volgens cijfers van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) nog sneller, al bedraagt de werkloosheid daar nog ongeveer 40 procent en zit 70 procent van de bevolking onder de armoedegrens.

De Wereldbank waarschuwt dat de economische groei op de Westelijke Jordaanoever vooral in de hand wordt gewerkt door de hulpactiviteiten van donorlanden en eigenlijk “het herstel weerspiegelt van de erg lage cijfers tijdens de tweede intifada.” Tijdens die Palestijnse opstand van 2000-2005 raakte het economisch leven op de Westelijke Jordaanoever zwaar ontregeld.

Nabloes

Duurzaam is de groei op de Westelijke Jordaanoever nog altijd niet te noemen, zegt de Wereldbank, en de verregaande exportbeperkingen die Israël nog altijd oplegt, vormen een belangrijke belemmering. Een veeg teken is dat lang niet alle sectoren het goed doen. De bouwnijverheid floreert, maar de industriële productie daalde vorig jaar met bijna 6 procent en zit nog altijd meer dan 10 procent onder het niveau van 1999.

In de winkels en op de markten van Nabloes, een stad in het noorden van de Westelijke Jordaanoever, is het behoorlijk druk. Op zaterdagen komen er ook veel Palestijnse Israëli’s winkelen. “Maar het is niet zoals voor de intifada”, zegt Basel H. Kanaan, de voorzitter van de plaatselijke Kamer van Koophandel. In de winkelstraatjes van het oude stadscentrum, waar eeuwenlang dure kleren uit Damascus en Cairo en betaalbare spullen van plaatselijke naaiateliers werden verkocht, is het nu het nog veel goedkopere textiel uit China dat de toon aangeeft.

“De Chinese import maakt ons kapot”, klaagt Kanaan. Lokale producenten hebben het volgens hem heel moeilijk om tegen de Chinese concurrentie op te tornen. Voor Nabloes kunnen de gevolgen dramatisch zijn. In en om de stad werkt een groot deel van de 65.000 mensen die de Palestijnse textiel- en kledingsector werk verschaft. De sector is goed voor 15 procent van de industriële productie van de Westelijke Jordaanoever. Van massaproductie is geen sprake. De meeste naaiateliers tellen minder dan tien werknemers.

Israël enige markt

Moaz Hlihil heeft een naaiatelier met vijftien mensen in het oude stadscentrum. “Onze mogelijkheden zijn erg beperkt”, zegt Hlihil. “Israël is onze enige markt.” De meeste Palestijnse ateliers werken voor Israëlische kledingbedrijven. Die besteden arbeidsintensieve productiestadia als stikken, wassen, strijken en verpakken uit aan bedrijven op de Westelijke Jordaanoever omdat de lonen daar veel lager liggen.

Hlihil ontwerpt ook zelf kleren en snijdt de stoffen waaruit ze gemaakt worden, maar de export moet ook hij overlaten aan Israël. Ook tijdens de intifada bleef hij ondanks alle moeilijkheden produceren. Het Israëlische leger kondigde in 2002 bijna tweehonderd dagen lang een uitgaansverbod af in het roerige Nabloes, en grendelde burgers en bedrijven nog langer van de buitenwereld af. Veel bedrijven gingen daardoor over de kop. Dat is verleden tijd, maar veel verbetering heeft Hlihil sindsdien niet gezien. “Onze situatie was slecht, wordt niet beter en blijft slecht”.

Concurrentie uit China

De werknemers van Hlihil verdienen 14 euro per dag – op de goede dagen. “Het is heel eenvoudig”, zegt Hlihil: “Als er werk is, verdienen we geld.” Als er helemaal geen opdrachten binnenkomen, moeten zijn mensen andere klusjes vinden om de eindjes aan elkaar te knopen. Voor de planning is dat een nachtmerrie.

“Voor de intifada hadden we elke dag werk” zegt Mohammad al-Aghbar, een van de arbeiders van Hlihil. “En we hielden ook meer over, want de prijzen waren lager.”

Kanaan, de voorzitter van de Kamer van Koophandel van Nabloes, is blij dat er sinds het einde van de intifada weer meer handelsrelaties ontstaan tussen Israëlische bedrijven en Palestijnse producenten. Dat de Palestijnen meestal de rol van onderaannemer vervullen, vindt hij geen probleem. Meer zorgen maakt hij zich over het feit dat Nabloes steeds meer handelaars en minder ondernemers telt. “Er wordt weinig toegevoegde waarde geproduceerd.” Alleen de meubelmakers doen het volgens hem goed. Maar ook die meubelmakers klagen over concurrentie uit China.

 Hogeresolutiebeeld beschikbaar op http://ipsnews.net/pictures/IMG_0138.jpg.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2925   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift