Partners in ontwikkeling?

De EU benadrukt graag hoezeer ze met ontwikkeling begaan is. De manier waarop de Unie nieuwe overeenkomsten met haar nauwste partners in het Zuiden onderhandelt, wordt een lakmoestest.

Het ABC van ACS en EPA


De betrokkenen: De Europese Unie onderhoudt sinds de jaren zeventig bijzondere relaties met de zogenaamde ACS-landen. Dat zijn 79 landen uit Afrika (48), de Caraïben (16) en de Stille Oceaan (15). Aanvankelijk probeerde de Unie om de ACS-landen via grondstoffenakkoorden min of meer stabiele prijzen te bieden voor hun grondstoffen. Later kregen de ACS-landen betere toegang tot de Europese markt –en soms zelfs betere prijzen– dan andere ontwikkelingslanden.
Het probleem: Die betere markttoegang en hogere prijzen bleken eind jaren negentig niet verenigbaar met de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Die laat wel toe dat een WTO-lid onderscheid maakt tussen rijke landen, ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen maar tolereert geen onderscheid binnen die categorieën. De EU kreeg een voorlopige opschorting van haar verplichting om alle WTO-leden gelijk te behandelen, maar die waiver vervalt eind 2007. De EU wil geen verlenging aanvragen. De Europese Commissie stelt immers dat betere markttoegang de ACS-landen economisch niet echt vooruit heeft geholpen: de ACS-landen zagen hun aandeel in de Europese invoer dalen van 6,7 procent in 1976 naar 3 procent in 2002.
Het antwoord van de EU was het Cotonou-akkoord van 2000. Centraal daarin staan de zogenaamde Economische Partnerschaps Akkoorden tussen de EU en ACS-regio’s. EPA’s worden vrijhandelszones zoals de WTO die definieert: zones waar de in- en uitvoerheffingen en handelsbeperkende regels geëlimineerd worden voor zo goed als alle handel.
De aanpak De 79 ACS-landen worden voortaan ingedeeld in zes regionale groepen: Caraïben, West-Afrika, Centraal-Afrika, Oost-Afrika en enkele landen uit Zuidelijk Afrika, de rest van zuidelijk Afrika, en de 15 eilanden van de Stille Oceaan. Elk van die regio’s zal een EPA afsluiten met de EU. Concreet zou dat betekenen dat sommige van de economisch zwakste landen van de wereld in één vrijhandelszone worden gestopt met de EU, een der sterkste handelsblokken ter wereld. Dat is merkwaardig, want in de WTO vechten ontwikkelingslanden voortdurend voor een aparte behandeling die hen toelaat hun markten minder te openen dan rijke landen. Die asymmetrie moet ontwikkelingslanden toelaten  eerst sterke bedrijven te ontwikkelen vooraleer ze aan concurrentie worden blootgesteld. (jvd)

Afrika is niet klaar


Marc Maes volgt voor de koepel van de Noord-Zuidbeweging 11.11.11. de internationale handel op de voet. Hij vindt het zinvol dat de regionale integratie van ACS-landen gestimuleerd wordt: ‘Pas als die integratie goed gevorderd is, zijn die regio’s rijp om hun grenzen meer te openen voor producten uit de EU. Die opeenvolging staat bijvoorbeeld in de EU-akkoorden met Centraal-Amerika en de Andes, maar die duidelijkheid vind je nergens in de teksten over de Economische Partnerschaps Akkoorden. Die EPA’s verwijzen naar artikel 24 van GATT, de voorganger van de WTO. Dat artikel is duidelijk: het gaat om vrijhandel voor zo goed als alles. Dat kan niet.
Volgens de EU moet er tegen eind 2007 zowel een akkoord zijn over de regionale integratie als over de geleidelijke liberalisering van de handel met de EU. Dat is veel te snel. Het zou ook veel beter zijn indien toezeggingen over liberalisering er pas komen als men effectief kan vaststellen dat de regionale integratie de landen er klaar voor heeft gemaakt.’
Half april plaatste ook de Afrikaanse Unie een resem vraagtekens bij de EPA’s. De AU vindt dat er niet aangetoond is dat deze vrijhandelszones bijdragen tot ontwikkeling. Het is ook niet duidelijk of de handelscapaciteit van de ACS-landen erdoor zal vergroten. Bovendien werpt de EU tegelijk nieuwe handelsbelemmeringen op door de kwaliteitseisen die ze aan producten stelt.
Patrick Gomes, ambassadeur van Guyana, wil achter de woorden en clichés kijken: ‘Als de EU zegt dat we de kansen van de wereldmarkt moeten zien, dat we zo snel mogelijk uit bananen en suiker moeten stappen, dan vraag ik: hoe moeten we dat doen en hoe snel? Het antwoord daarop blijft voorlopig al te wazig.’
Paul Goodison van de Vlaamse ontwikkelings-ngo FOS wijst erop dat sommige ontwikkelingslanden een derde van hun belastinginkomsten uit invoertarieven halen. ‘Een vrijhandelszone schaft die inkomsten af, creëert op die manier een begrotingstekort en werkt zo privatisering in de hand. BTW als alternatieve inkomstenbron voor de overheid is minder evident dan het lijkt. BTW veronderstelt dat bedrijven een juiste boekhouding voeren. Dat is in Afrika dikwijls niet het geval, al was het maar omdat een groot deel van de economie informeel is.’
Geert Laporte van het European Centre for Development Policy Management werkt geregeld aan capaciteitsopbouw bij ACS-landen. Hij wijst erop dat de EPA’s alvast de regionale integratie in die zes blokken een duw in de rug hebben gegeven. ‘Dat is positief. Er moest iets gebeuren. Daar staat tegenover dat het evenwicht in het onderhandelingsproces totaal zoek is. De EU weet zeer goed wat ze wil –eigenlijk wil ze dat die landen permanent onder haar invloedssfeer blijven– terwijl de Afrikanen soms zelfs moeite hebben om te begrijpen waarover het gaat. Zij hebben meer tijd nodig om te weten welke aanpak in hun belang zou zijn. Zullen ze die tijd krijgen?’ (jvd)
www.fos

België in de voorhoede


Minister van Buitenlandse Zaken en Handel Karel De Gucht, minister van Ontwikkelingssamenwerking Armand De Decker en staatssecretaris voor Europese Zaken, Didier Donfut: alledrie de excellenties hebben te maken met de Economische Partnerschaps Akkoorden. Marc Maes van 11.11.11 stelde vast dat vooral Donfut zich het voorbije jaar met het dossier ging bemoeien: ‘Het kabinet van Donfut leek alleszins meer bezorgd om de ontwikkelingsdimensie van het dossier dan het kabinet van minister De Decker.’
Philippe Detheux is adviseur op het kabinet van Didier Donfut (PS): ‘Aanvankelijk zat België op de lijn van de Europese Commissie, die in dit soort dossiers van nature gericht is op liberalisering. Later zijn we er vanuit de ontwikkelingshoek in geslaagd de Belgische houding bij te sturen. We zitten nu op de lijn van Groot-Brittannië en Zweden, die de EPA’s echt willen afstemmen op de ontwikkelingsnoden van de ACS-landen.’
Ook Michel Lastschenko van het kabinet De Decker vindt dat ‘de EPA’s moeten worden toegesneden op de noden van elk ACS-land’. Op 6 februari 2006 verdedigde België een standpunt in die zin binnen de EU. België drong ook aan op een formeel en compleet onderzoek van de onderhandelingen om een duidelijk zicht te krijgen op de commerciële kansen en ontwikkelingsperspectieven die de EPA’s werkelijk bieden.
De Raad van Ministers van de EU van 10 april 2006 zat min of meer op die lijn. Marc Maes is er niet gerust in: ‘Ik neem aan dat België zijn taalgebruik heeft gewijzigd, maar we zullen afwachten wat dat concreet betekent. Hoe lang mogen de ACS-landen de liberalisering afhouden? Hoeveel geld komt er om de infrastructuur of de instellingen op te bouwen?’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur