Patenten op levende materie

Voor CIDSE was de start van het jubeljaar 2000 een geschikte gelegenheid om de aandacht te vestigen op het vraagstuk van de voedselveiligheid, meer bepaald op wat voor arme boeren en inheemse volkeren de gevolgen zijn van het nemen van octrooien of patenten op levende materie. Zij zijn de eerste slachtoffers van de honger in de wereld en CIDSE bepaalt zijn standpunten vooral in functie van de belangen van die armen.
Honger is een dagelijkse realiteit voor 830 miljoen mensen, die voor de overgrote meerderheid leven in de ontwikkelingslanden. Iedere 3 tot 4 seconden sterft iemand van honger. Drie vierde van deze hongerdoden zijn kinderen die jonger zijn dan vijf jaar. De grootste schande is dat er genoeg voedsel in de wereld is om iedereen te voeden. Het voortduren van armoede en honger vormt daarom in de eerste plaats een politieke en ethische uitdaging voor ons allen.

In november 1996 werd op de tweede Voedseltop het thema ‘Voedsel voor allen’ gelanceerd. Het actieplan voorzag een halvering tegen het jaar 2015 van het aantal mensen dat permanent honger lijdt. Maar als de huidige trend voortgezet wordt, zullen er in dat jaar nog steeds 580 miljoen mensen honger lijden.

Tegelijk beweren multinationale ondernemingen dat de biotechnologie, met inbegrip van het patenteren van zaden en het gebruik van de nieuwste technologie voor het wijzigen van het genetisch materiaal, een oplossing voor het voedselvraagstuk biedt. Hun woordvoerders zeggen dat de techniek de opbrengsten van de oogsten zal vergroten en de kwaliteit van het voedsel zal verbeteren, dat alles tegen lagere kosten.

CIDSE betwist deze stelling. Het staat daarin niet alleen, maar wordt gesteund door vele andere organisaties en door zijn partners uit het Zuiden. Door de concentratie van macht en winst bij enkele agrochemische multinationals, die ook de markten voor genetisch gewijzigde zaden voor basisproducten zoals tarwe, rijst en maïs controleren, is er geen enkele zekerheid dat de armen voordeel zullen halen uit het toekennen van patenten op levende materie. Op dit ogenblik zijn 80 procent van de patenten in handen van 13 ondernemingen,en de vijf grootste agrochemische bedrijven controleren vrijwel de volledige markt voor plantenzaden. Kleine boeren in het Zuiden, meestal vrouwen of landbouwers die verenigd zijn in kleine coöperaties, moeten concurreren met de agro-industrie en met zwaar gesubsidieerde boeren uit het Noorden. Sommigen spreken daarom over de killing fields, de velden van de dood.

Grote ondernemingen maken zich schuldig aan ‘biopiraterij’, door traditionele kennis van generaties van kleine boeren in hun laboratoria om te vormen, en dan patenten te nemen om deze kennis en investering juridisch te beschermen. CIDSE is niet per definitie gekant tegen wetenschappelijk onderzoek. Het kan leiden tot verbetering van de gewassen, en daardoor tot het vergroten van de voedselzekerheid. Maar de groeiende concentratie van de macht over de voedselvoorziening in de wereld, vormt een gevaar voor het algemeen belang.

Daarenboven denkt CIDSE dat monopolistische vormen van agro-industrie de noodzakelijke innovatie in de landbouw niet zullen bevorderen, maar integendeel afremmen. De voordelen van de ‘groene revolutie’ gingen vooral naar de grotere en rijkere boeren. Het patenteren van de eeuwenoude kennis van kleine boeren, betekent dat de armen uiteindelijk zullen moeten betalen voor het gebruik van zaden (genetisch materiaal) dat zij zelf gedurende vele generaties beschermd en verbeterd hebben. In deze ‘genetische revolutie’ moeten er beleidsmaatregelen ten voordele van de zwakkere boerengroepen genomen worden.

De wereldhandel in voedsel wordt beheerst door enkele grote groepen uit een beperkt aantal landen. Handelsovereenkomsten tussen ongelijke partners kunnen niet evenwichtig zijn. Bovendien moeten kleinere landen rekening houden met dreiging door grote landen, om de geschillenregeling (Disputes Settlement Mechanism) van de Wereldhandelsorganisatie te gebruiken. De Europese Unie en de Verenigde Staten kunnen veel meer gewicht in de schaal leggen bij het dreigen met tegenmaatregelen. Paus Johannes Paulus II zei hierover: “Al te dikwijls komen de vruchten van het wetenschappelijk onderzoek niet de ganse mensheid ten goede, maar versterken of bestendigen ze de ongelijkheid. De katholieke kerk heeft altijd voorgehouden dat het privé-eigendom sociale begrenzingen heeft. Dat concept moet nu ook toegepast worden op kennis en intellectueel eigendom. De wet van de winst kan niet almachtig zijn, als het gaat om de strijd tegen honger, ziekte en armoede.” Vanuit dit perspectief moet voedselzekerheid voorrang hebben op patenten en winsten.

Voor CIDSE zijn handelsbeleid en voedselzekerheid op de eerste plaats vraagstukken van rechtvaardigheid en mensenrechten. Voedsel is geen product zoals een andere koopwaar, maar het leven zelf. In veel landen is voedsel sterk verbonden met de cultuur, en de beschikking over aangepast voedsel en productietechnieken maakt daarom deel uit van de culturele rechten van volkeren en lokale gemeenschappen. CIDSE verwerpt het patenteren van levende materie, als daardoor een tegenstelling ontstaat met de opdracht van de mens als behoeder van de schepping en haar rijkdommen. Pas nu beginnen we de waarde van die schepping te ontdekken, te begrijpen en te waarderen.

De lidstaten van de Europese Unie moeten zich bewust blijven van de verbintenissen die aangegaan werden tijdens opeenvolgende conferenties van de Verenigde Naties. Het behoud van de biologische diversiteit, het bevorderen van duurzame ontwikkeling, het verminderen van de armoede en het bestrijden van de honger in de wereld, al deze opdrachten moeten voorrang krijgen op de eisen van het bedrijfsleven tot bescherming van intellectueel eigendom. De biologische rijkdom van de wereld moet op een duurzame manier gebruikt worden, en de opbrengsten van de uitbating van deze rijkdommen moeten rechtvaardig verdeeld worden. Internationale handelsregels moeten in dienst staan van internationale ontwikkelingsdoelstellingen. Het Europese beleid inzake genetische rijkdom mag de maximalisering van de winst niet als hoogste doelstelling hebben. De Europese Unie moet zich integendeel richten op het beschermen van het algemeen belang, op de bescherming van de zwakkeren, en op de vrijwaring van het gebruik door allen van het genetisch patrimonium van de mensheid.

ONZE BASISPRINCIPES

Het private eigendomsrecht wordt beperkt door het algemeen belang.


De kerk heeft het recht op privé-eigendom altijd krachtig verdedigd. Maar tegelijk leert zij in Populorum Progressio (paragraaf 22): “God heeft de aarde en alles wat erop leeft, gegeven aan alle mensen en volkeren. Alle individuele rechten, met inbegrip van het eigendomsrecht en het recht op vrije handel, zijn daaraan ondergeschikt.”


De kerk heeft ook altijd voorgehouden dat, wanneer twee ongelijke partijen met elkaar onderhandelen, de absolute vrijheid voor elke partij om het eigenbelang onbeperkt na te streven, onvermijdelijk betekent dat de zwakste partij aan het kortste eind trekt. “Wanneer de posities van de partijen die een overeenkomst afsluiten, zeer ongelijk zijn, is de instemming van de partijen (met het resultaat van de onderhandelingen) nog geen waarborg voor de rechtvaardigheid van de overeenkomst … vrijhandel is enkel rechtvaardig als hij ondergeschikt is aan de eisen van sociale rechtvaardigheid.” (paus Leo XIII, geciteerd in Populorum Progressio, paragraaf 59). Wanneer ontwikkelingslanden de akkoorden van de Wereldhandelsorganisatie ondertekenen, aanvaarden zij alle onderdelen van het basischarter. Zij hebben evenwel meestal niet de onderzoeks- en onderhandelingsmogelijkheden om alle onderdelen van het charter grondig te onderzoeken. In de praktijk hebben heel wat ontwikkelingslanden grote bezwaren tegen artikel 27 van het akkoord over de rechten op intellectueel eigendom, de zogenaamde Trade-Related Intellectual-Property Rights of TRIPS.


De voorkeuroptie voor de armen
Wij moeten nagaan of het vastleggen van een intellectueel-eigendomsrecht op levende materie (door het nemen van patenten) de armen niet extra kwetsbaar maakt en benadeelt.


Een biotechnologie die rekening houdt met de rechten van iedereen
Er moet respect en rechtvaardigheid zijn voor allen, niet enkel voor de rijken en machtigen. Het wijzigen en verbeteren van het erfelijk materiaal van planten, is van cruciaal belang voor de leefbaarheid van de landbouw. In vele ontwikkelingslanden is de landbouw de voornaamste economische activiteit en dus de eerste bron van inkomen: landbouw is hier ‘productie door de massa’. In het Rapport over de Menselijke ontwikkeling (Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties of UNDP,1999) lezen we dat het nieuwe patentrecht niet of nauwelijks aandacht heeft voor de traditionele kennis van inheemse volkeren. Die volkeren hebben geen verhaal tegen de juridische aanspraken (patentaanvragen) van goed georganiseerde derden. “Het resultaat is diefstal van eeuwenoude kennis en het verdwijnen van die kennis naar de industrielanden.” (UNDP, 1999).
Eigendomsrechten zijn belangrijk, maar ze zijn ook sociaal begrensd, en moeten uitgeoefend worden in het kader van het algemeen belang. Iedereen heeft de plicht om de rechten van anderen te respecteren en te beschermen, en aldus bij te dragen tot dat algemeen belang. Maar als het uitoefenen van het eigendomsrecht van een persoon of onderneming gebruikt wordt als een hefboom om macht te verwerven over anderen, of om de toegang tot de rijkdommen van de schepping voor bepaalde groepen te beperken, ontstaat er een conflict. Wanneer het toekennen van patenten op levende materie leidt tot nadelen en grotere kwetsbaarheid voor de armen in de ontwikkelingslanden, dan beantwoordt de juridische constructie van het patent niet langer aan minimale ethische criteria.

UITZONDERINGEN OP DE REGELS VAN DE WERELDHANDELSORGANISATIE MOETEN DE ALGEMENE REGEL WORDEN

Het akkoord over de TRIPS erkent het recht van landen om beperkende maatregelen te nemen voor de bescherming van de openbare gezondheid en het algemeen belang. Deze maatregelen beperken dan de volledig vrije uitoefening van het privé-eigendomsrecht. Volgens CIDSE moeten deze beperkingen van het eigendomsrecht niet alleen van toepassing zijn in uitzonderlijke omstandigheden, ze moeten integendeel het hart van de overeenkomst gaan uitmaken.

De normen voor het recht op intellectueel eigendom zijn afgeleid van de wetgeving in de industrielanden, die hun normen een mondiale toepassing willen geven. Maar in de industrielanden zijn deze normen en regels veel strenger dan in de ontwikkelingslanden.

Een belangrijk twistpunt is dat er geen wetenschappelijke, legale en ethische grondslag is voor het onderscheid tussen de verschillende vormen van leven en van natuurlijke processen. Dat onderscheid wordt wel gemaakt in artikel 27.3(b) van het Tripsverdrag. Volgens CIDSE is dat onderscheid strijdig met een basisprincipe van het patentrecht in vele landen, te weten dat op ‘ontdekkingen’ geen patenten kunnen genomen worden. Het kunstmatige onderscheid tussen ontdekkingen en uitvindingen, dat door de Wereldhandelsorganisatie gemaakt wordt, is enkel ingevoerd in het belang van het bedrijfsleven. Grote ondernemingen kunnen nu juridische bescherming aanvragen voor producten en productieprocessen, die gebaseerd zijn op een wijziging van de erfelijke samenstelling van genetisch materiaal in een laboratorium. Dit onderscheid leidt ook tot het toekennen van patenten met een zeer breed effect d.w.z. niet op één product of proces, maar op alles wat daarvan afgeleid kan worden.

Ook plantenvariëteiten moeten volgens het Tripsverdrag juridische bescherming krijgen, door middel van het patentrecht of een gelijkaardige maar effectieve sui generis regeling. Maar het is niet mogelijk een duidelijk onderscheid te maken tussen planten en plantenvariëteiten.

BIOPIRATERIJ: HET STELEN VAN KENNIS BIJ TRADITIONELE CULTUURVOLKEREN

In vele culturen, en zeker bij de inheemse volkeren, is kennis eerder van collectieve aard, en wordt ze van de ene generatie op de andere overgedragen. Niemand, zelfs geen nationale regering, heeft het recht om het eigendomsrecht op deze kennis te verkopen of over te dragen aan derden. De traditionele kennis van de biodiversiteit is collectief bezit en wordt vrij overgedragen van generatie op generatie. Het instellen van een recht op intellectueel eigendom beperkt de collectieve aard van de kennis en de vrije overdracht ervan. Het eigendomsrecht is dan tegenstrijdig met de basiskenmerken en de verdere ontwikkeling, en zelfs het overleven, van die traditionele kennis.

Patenthouders beroven de werkelijke vernieuwers, d.w.z. de kleine boeren, van hun kennis door levende materie in hun laboratoria te ‘bewerken’ en om te vormen. Het resultaat van eeuwen zorgvuldige cultivering en selectie wordt miskend. Een bedrijf of persoon die één kleine stap aan dit proces toevoegt, wordt onder het Tripsverdrag de wettelijke eigenaar van het resultaat van een proces dat eeuwen in beslag nam. Intellectueel-eigendomsrechten op levende materie gaan daarom in tegen de belangen van de armen en de zwakkeren en miskennen de rechten van inheemse volkeren.

De kerk is bekommerd om het onrecht dat schuil kan gaan achter overeenkomsten tussen partijen van ongelijke sterkte. Ook een eigendomsrecht dat op wettelijke wijze tot stand komt, kan onrechtvaardig zijn. De rechtmatigheid of onrechtmatigheid van internationale overeenkomsten moet ook in dit licht beoordeeld worden.

Bedrijven beweren dat zij financiële verliezen zullen leiden, als hun recht op intellectueel eigendom niet beschermd wordt. Dit argument is wel bijzonder ironisch, als men bedenkt dat de traditionele geneeskunde de onderzoekers op het spoor gezet heeft van 75 procent van alle moderne medicijnen. Als we een vergelijking maken tussen de verliezen die bedrijven kunnen lijden door het niet-betalen van rechten op door hen gepatenteerde geneesmiddelen en meststoffen en bestrijdingsmiddelen voor de landbouw, en de verliezen die ontwikkelingslanden lijden door het niet-betalen van een vergoeding voor de zorg waarmee boeren eeuwenlang de natuurlijke verscheidenheid hebben bevorderd, dan heeft het Noorden een gigantische ‘genetische schuld’ aan het Zuiden.

In een wereld waarin economische vooruitgang de alfa en de omega is, zullen machtige ondernemingen en grote landen, als zij het recht krijgen om patenten te vestigen op levende materie, proberen de controle over de biodiversiteit over te brengen van de velden en bossen waar gemarginaliseerde boeren werken naar de laboratoria in de rijke landen. Deze evolutie maakt de zwakkeren voor hun levensonderhoud nog meer afhankelijk van externe hulpmiddelen. Deze gang van zaken is vanuit een christelijke visie niet te verdedigen. Welbegrepen eigenbelang moet ons doen inzien dat vrede en stabiliteit niet opgebouwd kunnen worden op verregaande miskenning van de basisbehoeften van velen, terwijl een minderheid in overvloed leeft. Rekening houden met de belangen van alle volkeren en landen op deze aarde, is een ethische en juridische plicht.

EEN BEDREIGING VOOR ONZE GEMEENSCHAPPELIJKE TOEKOMST

CIDSE vreest ook dat de huidige toepassing door de privé-sector van het recht op intellectueel eigendom, een rem zal zijn op landbouwonderzoek dat het algemeen belang dient. In de Verenigde Staten zijn er aanwijzingen dat patenten genomen worden met geen enkele andere bedoeling dan andere ondernemingen te beletten om op dat terrein verder onderzoek en ontwikkeling te doen. Uit studies blijkt dat bedrijven patenten gebruiken om hun marktaandeel te vergroten, om concurrenten te beletten actief te worden op bepaalde markten, of als pasmunt om bij onderhandelingen bepaalde toegevingen af te dwingen.

De Wereldbank heeft haar bezorgdheid uitgesproken over de mogelijke innovatieremmende impact van sommige patenten. Patenten en andere rechten op intellectueel eigendom zijn niet de enig denkbare weg om research te belonen en innovatie te stimuleren. Belastingverminderingen kunnen gebruikt worden om investeringen in publieke goederen te bevorderen, bv. om een vaccin tegen AIDS te ontwikkelen. De uitdaging bestaat erin om creatieve manieren te bedenken om innovatie te belonen en investeringen in het voortbrengen van publieke goederen te bevorderen.

Maar er is meer! Goed wetenschappelijk landbouwonderzoek moet steunen op een zo ruim mogelijke basis van genetisch materiaal. We moeten dus iedereen steunen die deze basis in stand houdt, in het bijzonder de inheemse volkeren in het Zuiden, zeker nu de biodiversiteit van de aarde bedreigd is. We moeten de verscheidenheid van het genetisch materiaal van planten bevorderen, eerder dan massaal over te stappen op een klein aantal variëteiten van planten die gebaseerd zijn op gepatenteerde zaden. Biodiversiteit zal mee een dam vormen tegen de opwarming van de aarde, een van de grootste uitdagingen van de eenentwintigste eeuw.

Paus Johannes Paulus II heeft de aandacht gevestigd op het belang van het behoud van de biodiversiteit: “Het ethische karakter van het begrip ‘ontwikkeling’ betekent ook dat wij respect opbrengen voor de levende wezens die deel uitmaken van de natuur. De mens kan deze levende wezens niet geheel naar eigen goeddunken gebruiken, alleen maar om er economisch voordeel uit te halen (Solicitudo Rio Socialis, paragraaf 34). Helaas hebben wij in onze rush naar ‘ontwikkeling’ reeds een groot deel van de biodiversiteit van de aarde vernietigd.

Meer dan 90 procent van de overblijvende vormen van leven zijn te vinden in de tropische en subtropische gebieden van Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Vandaar dus de wereldwijde strijd om de controle over deze rijkdommen. Omwille van het belang van deze rijkdommen, wordt er geprobeerd patenten te nemen op levende materie. Het gaat dus duidelijk om veel meer dan een sociaal-economisch probleem. De zorg om het behoud van de natuurlijke verscheidenheid in de wereld en van culturele en spirituele waarden, is onlosmakelijk verbonden met de manier waarop voedsel in vele delen van de wereld geproduceerd wordt. Het zijn ook centrale elementen van het welzijn en de waardigheid van de mens.

BESLUITEN EN AANBEVELINGEN

Biotechnologie en plantengenetica zullen in de eenentwintigste eeuw van uitzonderlijk belang zijn. Ze zullen vele beleidsdomeinen beïnvloeden: voedselveiligheid, landbouw, rurale ontwikkeling, volksgezondheid en bescherming van de verbruikers. Verschillende internationale instellingen zijn erbij betrokken: De Wereldhandelsorganisatie, de Wereldorganisatie voor Intellectueel Eigendom, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en de Europese Unie. Er kunnen contradicties in het beleid optreden. Beslissingen moeten voorafgegaan worden door ruim overleg en debat, ook met de niet gouvernementele organisaties.

CIDSE doet volgende aanbevelingen.

1. De bepalingen van artikel 27.3(b) van het Tripsverdrag moeten herschreven worden. Het patenteren van levende materie moet uitgesloten worden. In afwachting van een nieuwe tekst van dit artikel, moeten de huidige bepalingen buiten werking gesteld worden.

2. De bepalingen van de Conventie over de Biologische Diversiteit (Rio de Janeiro, 1992) moeten voorrang hebben op de bepalingen van het Tripsverdrag.
De conventie over de biologische diversiteit voorziet in het behoud van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de natuur en een rechtvaardige verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik van natuurlijk genetisch materiaal. Genetische verscheidenheid laat landbouwers in ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen toe, de soorten planten en dieren die het best aangepast zijn aan klimaatsveranderingen en de druk van de sociaal-economische omgeving te kiezen. Die verscheidenheid is van vitaal belang voor het verzekeren van de voedselproductie en voor de voedselveiligheid. Maar vele zogenaamde ‘verbeteringen’ in voedselgewassen beperken de biodiversiteit en marginaliseren de gewassen die voor de armen van levensbelang zijn, maar volgens de agro-industrie niet winstgevend.
CIDSE is van mening dat de eerste plicht van de mens erin bestaat de schepping te behoeden en te vrijwaren. Deze opdracht houdt ook in dat de biodiversiteit beschermd wordt. De mens heeft het vermogen de schepping te wijzigen, maar het gebruik van deze rationele en technische mogelijkheden is ethisch enkel te verantwoorden als hij daarbij de schepping respecteeert. Bij dubbelzinnigheid of twijfel, moet de conventie over de biologische diversiteit de bovenhand halen op het Tripsverdrag. Dit is van belang om de rechten van de boeren en de voedselzekerheid te vrijwaren, zowel in het Zuiden als in het Noorden.

3. Traditionele kennis moet beschermd worden.
Traditionele kennis kan omschreven worden als ‘het geheel van kennis, innovaties en technieken van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen, waarin de traditionele levenswijze tot uitdrukking komt, en die belangrijk zijn voor het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit van de aarde’. CIDSE benadrukt dat het patentrecht leidt tot het monopoliseren van kennis, terwijl de traditionele kennis, die vastligt in natuurlijke plantensoorten, de basis vormt van de wetenschappelijke teelt van planten.

4. Kleinschalige landbouw moet bevorderd worden, overeenkomstig de internationaal aanvaarde ontwikkelingsdoelen.
Landbouwersgemeenschappen in het Zuiden zijn afhankelijk van traditionele plantenvariëteiten met een mix van erfelijke kenmerken, waardoor deze planten in moeilijke klimatologische omstandigheden kunnen overleven en een beperkte oogst opleveren. De commercialisering van de landbouw drukt deze plantenvariëteiten uit de markt, en maakt de boeren afhankelijk van gestandaardiseerde variëteiten. De grootschalige commerciële landbouw ondermijnt de kleinschalige en op overlevingslandbouw afgestemde productiesystemen. Deze negatieve processen worden door éénzijdige kredietsystemen versterkt, omdat de kredietverleners weigeren leningen toe te staan voor investeringen in de traditionele technieken. Dit alles vormt een reusachtige bedreiging voor de kleinschalige landbouw, voor de traditionele levenswijzen die op deze landbouwsystemen gebaseerd zijn, en voor de voedselveiligheid van miljoenen armen.

5. Ook in het Tripsverdrag moet de mogelijkheid tot een gedifferentieerde behandeling van landen voorzien worden.
De akkoorden en het charter van de Wereldhandelsorganisatie voorzien dat landen die onderling sterk van mekaar verschillen, ook een gedifferentieerde behandeling krijgen, en soms in hun beleid van de algemene akkoorden mogen afwijken. Dat is het principe van de ‘bijzondere en gedifferentieerde behandeling’. Dat principe is echter niet voorzien in het Tripsverdrag. Landen kunnen enkel wat meer tijd en technische bijstand krijgen voor de aanpassing van de nationale wetgeving aan de eisen van het Tripsverdrag. De mogelijkheid tot een bijzondere en gedifferentieerde behandeling moet dus ook in het Tripsverdrag komen.

6. De akkoorden van de Wereldhandelsorganisatie moeten vervolledigd worden met een strenge wetgeving op de ongeoorloofde beperking van de concurrentie (anti-trustwetgeving).
Het vestigen van patenten kan leiden tot het beperken van de concurrentie. Dat is het geval wanneer een patent de dominante positie van een marktleider versterkt. Als een bedrijf een ‘pool’ van patenten voor een bepaalde deelmarkt controleert, krijgen concurrenten geen kans, en wordt verdere technologische innovatie afgeremd. Volgens CIDSE is het toekennen van een patent ethisch niet verantwoord als daardoor alleen het belang van een minderheid beschermd wordt. Dat is zeker het geval als fundamentele mensenrechten van grote groepen mensen in het geding zijn, in het bijzonder het recht op voedsel en voedselveiligheid.
Multinationale ondernemingen kunnen naar eigen goeddunken prijzen vastleggen en patenten aanvragen, dure juridische procedures instellen, en wetenschappelijk onderzoek in hun eigen belang beïnvloeden. Kleine boeren beschikken niet over al deze financiële en andere middelen, bv. om de diensten van gespecialiseerde juristen te kopen. Daarom vraagt CIDSE dat aan de verdragen van de Wereldhandelsorganisatie strenge anti-trustwetten toegevoegd zouden worden, om misbruiken van monopolieposities door grote ondernemingen te beperken.

7. Omdat onderhandelingen tussen ongelijke partners tot onrechtvaardige overeenkomsten leiden, moet het onderhandelingsproces in de Wereldhandelsorganisatie volledig doorzichtig gemaakt worden, en moeten machtsonevenwichten bestreden worden.
Alle belanghebbenden moeten kunnen deelnemen aan onderhandelingen over beslissingen die hun leven beïnvloeden. Dat geldt met nog meer kracht voor de armen en zwakkeren. Op dit ogenblik worden de internationale handelsonderhandelingen tussen zeer ongelijke partijen gevoerd. De Minst Ontwikkelde Landen vertegenwoordigen slechts een klein percentage van de totale wereldhandel. Het is voor deze landen onmogelijk om tegelijkertijd op verschillende fronten te onderhandelen over zeer technische en gecompliceerde materies zoals de handel of de verlichting van de buitenlandse schuld. De ongelijkheid berust niet enkel op machtsverschillen. De Minst Ontwikkelde Landen hebben ook niet de financiële en intellectuele hulpbronnen die nodig zijn om op voet van gelijkheid aan internationale handelsbesprekingen deel te nemen.

Maura Leen is beleidsadviseur bij de Ierse vastenactie TROCAIRE en gespecialiseerd in de dossiers van de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie.

Deze tekst werd namens CIDSE gepresenteerd op een consultatie tussen de Europese Unie en de ‘civiele maatschappij’ op 28 juni 2000. CIDSE is een netwerk van 14 katholieke ontwikkelingsorganisatie uit Europa en uit Canada. Voor ons land maken Broederlijk Delen en Entraide et Fraternité ervan deel uit. Het internationaal secretariaat is gevestigd in Brussel.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift