PKK-moeders willen hun kinderen terug

In Koerdisch Turkije zagen tienduizenden vrouwen met lede ogen aan hoe hun kinderen zich aansloten bij de PKK. Nu de vredesonderhandelingen tussen Öcalan en de Turkse regering vergevorderd zijn en de eerste strijders zich al terugtrekken, hopen ze hen snel terug te zien. Maar voor sommigen komt de vrede veel te laat.

  • Marielle Van Uitert Iedereen in Amed (Dyaribakir) mist wel iemand die bij de PKK is gegaan: Simed verloor haar zus Fatma, en van haar twee broers heeft ze al jaren niets meer vernomen. Marielle Van Uitert
  • Marielle Van Uitert Een moeder aan het graf van haar in de strijd omgekomen dochter (volgende foto): 'Belkiz, waarom heb je me verlaten? Ik mis je zo erg, Belkiz. Zie je dan niet hoe erg ik lijd?' Marielle Van Uitert
  • Marielle Van Uitert Belkiz. Marielle Van Uitert

Voor de een is hij een vrijheidsstrijder, voor de ander een terrorist, maar in Diyarbakir in Zuidoost-Turkijewordt de besnorde PKK-leider Abdullah Öcalan door tienduizenden aanhangers voornamelijk als een held gezien. Het is dan ook deze stad waar de meeste vreugde heerste toen eind maart bekend werd gemaakt dat de strijders hun wapens zouden neerleggen. Want hier in Diyarbakir, of Amed, zoals het door de Koerden wordt genoemd, loopt het conflict letterlijk door gezinnen, weet Perihan als geen ander. ‘Iedereen heeft hier wel iemand verloren die bij de PKK is gegaan: kinderen, familieleden of kennissen. Onpartijdig zijn we niet, maar we hopen wel op vrede.’

Samen met andere Koerdische vrouwen heeft zij Mothers of Peace opgericht, een organisatie voor vrouwen die hun kinderen in de bergen hebben verloren. Ze praat vaak over haar dochter Fatma (22), het meisje dat zo mooi kon zingen en liederen voor Öcalan maakte. “Nadat haar vader door de Turkse regering in de gevangenis werd gegooid, sloot Fatma zich aan bij de PKK. Mijn man was een vrijheidsstrijder, kwam op voor de rechten van ons Koerden. Toen hij vrijgelaten werd, brak hij. Mijn dochter, toen zeventien jaar, wilde in de bergen verder vechten. Ik wilde niet dat ze ging, maar op een dag was ze spoorloos verdwenen’, vertelt Perihan. Vijf jaar later kwam Fatma op de Turks-Iraakse grens samen met vijftien andere guerrillero’s om tijdens een bombardement van de Turkse regering.

In de kamer waar de moeders bij elkaar komen, hangt een grote foto van haar dochter. Fatma draagt groene PKK-kleding, heeft een brede lach en een strakke paardenstaart. Perihan is bang dat ze hier binnenkort nog twee portretten van haar zonen Ali en Sadek naast moet hangen. Ze heeft al jaren niets meer van hen gehoord, want ook zij hebben zich bij de Koerdische afscheidingsbeweging aangesloten.

Het enige kind dat nog thuis woont is Sinem. Terwijl haar moeder de herinneringen deelt, stromen de tranen over haar wangen. Perihan ziet het en gaat door met haar verhaal. ‘Sinem ziet haar zus als een held. Als zij ooit besluit een PKK’er te worden, pleeg ik zelfmoord. Ik kan niet nog meer kinderen verliezen.’

De Koerdische Arbeiderspartij (PKK) begon in 1984 onder leiding van Öcalan met een gewapende strijd tegen de Turkse staat, die ondertussen 40.000 mensen het leven heeft gekost. Vandaag zijn de Koerden, met 40 miljoen mensen verspreid over Turkije, Irak, Syrië en Iran, het grootste volk zonder eigen land. In Zuidoost-Turkije wonen meer dan 15 miljoen Koerden, die een moeilijke relatie onderhouden met de Turkse regering.

De Vrede van Lausanne in 1923, die de grenzen van het moderne Turkije vastlegde, repte met geen woord over de Koerden. Toen Abdullah Öcalan zijn partij oprichtte, streefde hij naar een eigen staat, Koerdistan, maar tegenwoordig zet de partij zich voornamelijk in voor de verbetering van de rechten van de Koerden in het land. Plaatsen zoals Diyarbakir, Cizre en het bergdorp Roboski zijn vaak arm en achtergesteld en in de rest van Turkije worden de Koerden nog altijd gediscrimineerd.

Begraafplaats voor pkk’ers

Sinds 1984 vertrokken tienduizenden Koerden naar de bergen om zich aan te sluiten bij de afscheidingsbeweging, veelal jonge mannen en vrouwen die een periode van onderdrukking gekend hebben. In Diyarbakir hebben de moeders hun kinderen aan de PKK verloren, want Turken wonen hier amper. Verbonden door het leed steunen de ‘moeders van de vrede’ elkaar, maar soms is dat niet genoeg.

Op de begraafplaats staat Kibar huilend aan het graf van Belkiz. Haar betraande lippen kussen het marmer. In iedere zin die ze uitspreekt, klinkt de naam van haar dochter. ‘Belkiz, waarom heb je me verlaten? Ik mis je zo erg, Belkiz. Zie je dan niet hoe erg ik lijd?’ Perihan slaat een arm om haar heen en fluistert troostende woorden. Ook haar dochter ligt hier begraven, net als honderden andere PKK’ers.

De man van Kibar was werkzaam voor de pro-Koerdische politieke partij BDP. In 2004 werd hij door de Turkse regering opgepakt wegens ‘terroristische activiteiten’. Tijdens zijn gevangenschap werd hij gemarteld en toen hij eindelijk naar huis mocht, stierf hij aan zijn verwondingen. De toen 26-jarige Belkiz, die als ingenieur voor de regering werkte, stopte met haar baan en werd uit wraak activist.

‘Twee keer heeft ze in de gevangenis gezeten omdat ze demonstreerde tegen de staat. In 2010 kwam de zaak echter opnieuw voor en toen hing haar een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd. Bang voor hetzelfde lot als haar vader, besloot ze te vluchten. Ik heb haar nooit meer gezien’, vertelt Kibar, die kort geleden zelf ook te horen kreeg dat ze niet lang meer te leven heeft.

Ze laat een foto van haar gesluierde dochter zien. Belkiz droeg alleen een hoofddoek omdat ze gezocht werd door de politie. Het is een heel ander gezicht dan de foto die Kibar anderhalf jaar geleden op een Koerdische nieuwszender voorbij zag komen.

‘Na mijn chemotherapie lag ik op bed tv te kijken. Opeens kwam mijn dochters gezicht voorbij. Zij en 37 andere medestrijders waren door een gifgasaanval om het leven gekomen’, zegt ze en begint weer te huilen. ‘Toen ik haar moest identificeren, bleek ze van top tot teen verbrand te zijn. Ik herkende haar niet eens meer.’

Allemaal voor Öcalan

De moeders zijn trots op hun kinderen, maar hopen wel dat zij die nog steeds in de bergen zitten zo snel mogelijk thuiskomen. Nu de onderhandelingen tussen de Turkse regering en de PKK in volle gang zijn en Öcalan de eerste strijders al liet terugtrekken, lijkt dat ook echt te gaan gebeuren.

In de bus richting Cizre is echter niets van de onderhandelingen te merken. De meer dan zestig vrouwen zingen, klappen en zwaaien met hun PKK-sjaals. ‘Koerdistan, dat is ons land. Öcalan, u bent onze oom. Wij zullen blijven strijden, voor altijd.’

Ze komen net van een bijeenkomst in Diyarbakir, waar Öcalan zijn partij ooit oprichtte. Hier spraken zij met honderden andere vrouwen over het verlies van hun geliefden, kinderen en andere familieleden die omkwamen tijdens de 29 jaar durende strijd.

Het eveneens Koerdische Cizre, dat op de grens met Syrië ligt, leeft al jaren op gespannen voet met de Turkse overheid. De laatste maanden zijn er wekelijks protesten in de binnenstad, soms met dodelijke afloop. Jongeren gooien met stenen naar de politie, die vervolgens reageert met traangas en rubberen kogels. Protesten, gevechten en huiszoekingen zijn aan de orde van de dag. Hierdoor wordt de PKK nog altijd gesteund, zo ook door Ayse.

Hij heette ook Abdullah, net als Öcalan, en werd een paar jaar geleden vermoord, fluistert de 35-jarige Koerdische zachtjes. Het verhaal heeft ze nooit eerder aan buitenstaanders verteld, want ze is bang dat ze dan weer in de problemen komt.

‘Mijn man was taxichauffeur en vervoerde mensen door de bergen. De Turkse geheime dienst bezocht ons huis vaak, maar vond nooit iets. Ze verdachten hem ervan wapens naar de PKK-strijders te brengen, want hij betuigde steun aan een Koerdische activistengroep. Op een dag kwam hij niet meer thuis. Drie dagen later vond een herder hem in de bergen. Mijn man was door zijn hoofd geschoten.’

‘Wij voelen de pijn van deze moeders, maar beseffen tegelijk dat het zo niet langer kan. De spanning op straat is om te snijden. Er hoeft maar dát fout te gaan en de bevolking ontploft.’
De daders zijn nooit gepakt en bewijs heeft ze niet, maar Ayse weet zeker dat de Turkse regering erachter zit. ‘Mijn man had geen vijanden. Het was een goed mens.’

De neefjes en nichtjes van Ayse hebben zich inmiddels bij de PKK-militanten in de bergen aangesloten. Ze vertelt dat het traditie is om in ieder gezin één persoon naar de gewapende organisatie te sturen. Dat er tijdens de strijd ook onschuldige Turkse jongens vermoord worden, beaamt ze. ‘Maar ons volk lijdt ook, erger zelfs, al tientallen jaren. Het dorp van mijn ouders werd twintig jaar geleden gebombardeerd door Turkse F-16’s. Mijn opa en oma, het gezin van mijn oom en tientallen andere dorpsgenoten kwamen om omdat Turkije dacht dat het PKK’ers waren. Op één dag werden er drie dorpen gebombardeerd. Onschuldige ouderen, baby’s en kinderen. Wij kunnen dit niet vergeten’, vertelt Ayse en trekt haar witte hoofddoek recht.

De vrouw naast haar knikt. Bayram (70) heeft ook veel meegemaakt. Toen haar kleinzoon op de universiteit in Istanboel studeerde, werd hij door zijn medestudenten in elkaar geslagen omdat hij Koerdisch was. De geschiedenis herhaalt zich continu, want haar zoon werd door de autoriteiten twintig jaar geleden zonder duidelijke reden opgepakt en verminkt. Haar dochter kwam om tijdens een bombardement van de Turkse regering.

Wantrouwen

De familieleden van de omgekomen strijders hebben het gevoel dat de Turkse staat iets tegen Koerden heeft. Zij eisen dat hun rechten verbeterd worden, hoewel er onder het premierschap van Recep Tayyip Erdogan al veel veranderd is. Sinds een aantal jaren mogen zij hun eigen taal weer spreken op universiteiten, in instituten en zelfs de op staatstelevisie. Ook kregen zij toestemming om Koerdische feesten, zoals het nieuwjaarsfeest Newroz, te vieren.

De bevolking ziet de reactie van Turkije op de terugtrekking van de PKK-troepen uit de bergen echter met wantrouwen tegemoet. Het is niet de eerste keer dat er onderhandelingen plaatsvinden tussen de PKK en de Turkse regering. Menigmaal werden er wapenstilstanden beloofd en soms hielden die jaren stand. De Turkse regering, de pers en de politici zijn dit keer hoopvol over een einde van de lange oorlog, maar veel Koerden zijn bang dat de teruggetrokken strijders alsnog gestraft of vermoord worden.

In het partijgebouw van de BDP zijn honderden vrouwen bij elkaar gekomen om over het verlies van hun geliefden te praten. De meesten dragen sjaaltjes in de kleuren rood, geel en groen, de kleuren van de PKK, en houden foto’s van overleden dierbaren vast.

‘Wij voelen de pijn van deze moeders, maar beseffen tegelijk dat het zo niet langer door kan gaan. De Koerdische, en ook de Turkse bevolking, ziet de onderhandelingen als een laatste oplossing’, zegt een woordvoerder van de BDP bezorgd. ‘De spanning op straat is om te snijden. Er hoeft maar dát fout te gaan en de bevolking ontploft.’

Een paar meter verderop rijden Turkse legerwagens door de straten en ook in de lucht wordt meer activiteit van Turkse vliegtuigen waargenomen. De PKK liet in een verklaring weten dat dit het proces negatief beïnvloedt en de basis legt voor provocaties en gevechten en behoudt zich daarom het recht voor om zich te verdedigen als haar strijders tijdens de terugtrekking worden aangevallen door het Turkse leger.

De 55-jarige Gülsüm hoopt niet dat het zover komt. In haar hand glimt een portret van haar zoon Mehmet. Twee jaar geleden vertrok hij naar de bergen en sindsdien ontbreekt ieder spoor van hem. Ze hoopt hem snel weer in de armen te sluiten, nu de eerste lichting al uit de bergen vertrekt en in Noord-Irak een onderkomen vindt.

‘Wat kan ik zeggen? Ja, ik ben voor Öcalan, maar snak naar vrede. Het verlies van een kind is het ergste dat een vrouw kan overkomen. De Turkse moeders denken er hetzelfde over, dat weet ik zeker’, besluit Gülsüm en trekt haar groen-geel-rode sjaal recht.

Ongelukkige grenzen

Op de grens met Irak ligt Roboski, een bergdorp waar de bewoners geen familieleden binnen de PKK hadden, maar waar de vrouwen al meer dan anderhalf jaar rouwen om het verlies van hun zonen, neefjes en kleinkinderen.

Leyla geeft de bloemen op het graf van haar omgekomen zonen Serwan (19) en Serhat (17) water. Het is al zeventien maanden geleden dat ze hen begroef, maar rust heeft ze nog niet gevonden. Iedere dag trekt ze een zwarte jurk aan, net als de meeste vrouwen in Roboski.

Bruiloften vinden er sinds 28 december 2011 ook niet meer plaats. Op deze koude winterdag kwamen 34 jonge smokkelaars om het leven door een bombardement op de Turks-Iraakse grens, omdat zij door de Turkse regering aangezien werden voor PKK-strijders. De meeste slachtoffers waren tussen de dertien en de achttien jaar. Zij liggen naast elkaar begraven.

Smokkelaar zijn is een traditie, vertelt Leyla, want normaal werk is er niet. Als klein meisje mocht ze wekelijks met haar vader mee. Aan de ene kant van de berg ligt Irak en aan de andere Turkije. De Koerdische bergbewoners in Roboski kennen echter geen grenzen. Al eeuwen pendelen ze op ezels van het ene land naar het andere. Voor de handel in sigaretten en dieselolie, maar ook om familieleden te bezoeken.

Zo ook op de dag dat veertig jongens terugkeerden uit Irak en door twee Turkse F-16 straaljagers gebombardeerd werden. De meeste slachtoffers kwamen uit dezelfde familie, de familie Encü. ‘In één klap ben ik elf familieleden kwijtgeraakt. Ooms, neven en mijn lieve zoon Sehit. Hij was nog maar dertien’, vertelt de moeder van Sehit, een andere jongen die is omgekomen.

Op het graf staat een portret van een jonge knul met een hip kapsel en pretogen, precies zoals hij volgens zijn moeder was. ‘Die zelfde dag was hij nog naar koranles geweest. Een onschuldige jongen die graag voetbalde. Toen ik hoorde dat hij dood was, stortte mijn wereld in.’

Turkse straaljagers bombarderen voortdurend op en over de grens vanwege de militanten van de PKK, die zich in de bergen verschuilen. Premier Erdogan suggereerde een complot. Iemand had ze verteld dat de jongens op ezels geen smokkelaars, maar PKK-strijders waren. Het bombardement sterkte de bergbewoners echter in hun overtuiging dat de Turkse staat iets tegen Koerden heeft.

Achter Leyla prijkt de Turkse vlag op een berg en boven haar vliegt een gevechtsvliegtuig door de lucht. ‘Elke dag hoop ik dat ze alsnog hun excuses aanbieden’, zegt ze en laat nogmaals een foto van Serwan en Serhat zien. ‘Wij rouwen tot de daders achter slot en grendel zitten. Dat zijn we onze kinderen verschuldigd.’

Al maanden wachten de dorpelingen op een heropening van het dossier, maar vooralsnog blijft het akelig stil. Ze willen dat de daders gestraft worden en gaan de zaak aanhangig maken bij het Europese gerechtshof.

Hebben de bergbewoners echt geen familieleden in de PKK? Leyla kijkt zorgelijk. ‘Voorheen niet, maar sinds het bombardement heeft een aantal kinderen zich uit wraak bij de troepen in de bergen gevoegd. Ik hoop dat we hen ooit nog terugzien.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift