Politiek geweld blijft een hoge tol eisen onder indianen

Tussen januari en mei van dit jaar zijn in
Colombia 106 indianen vermoord door rebellen, paramilitaire groepen en
soldaten, de partijen in het gewapend conflict dat Colombia al 40 jaar
verscheurt. Dat blijkt uit cijfers van de Defensor del Pueblo, de
Colombiaanse ombudsman. Inheemse groepen die in strategisch belangrijke
regio’s leven, worden volgens de waarnemers van het Hoog Commissariaat voor
de Mensenrechten van de VN in Colombia het slachtoffer van intimidatie,
blokkades, verdrijvingen en moordpartijen. De voorbije maanden vonden weer
bijzonder gruwelijke moorden plaats.


In Colombia leven ongeveer 1,5 miljoen indianen op een totale bevolking van
42 miljoen. Zowat vier vijfde van de Colombiaanse inheemsen leeft in
afgelegen gebieden in de bergen en het Amazonewoud, waar ze op papier een
verregaande autonomie genieten. Maar de Colombiaanse staat is buiten de
grote steden zo goed als machteloos; linkse rebellen en rechtse
paramilitaire groepen controleren grote delen van het uitgestrekte land. Op
sommige plaatsen heeft het Colombiaanse leger tijdelijk de overhand, maar
dat leidt er enkel toe dat de rebellen weer in andere regio’s opduiken. In
gebieden waar de strijdende partijen de confrontatie aangaan, zijn de
rechten van de plaatselijke bevolking meestal van geen tel meer.

De Nationale Inheemse Organisatie van Colombia (Onic) verwijt zowel het
leger, de rechtse paramilitaire groepen en de linkse guerrilla dat ze “de
territoriale rechten van de inheemse volken schenden en geen respect
opbrengen voor de traditionele gezagsstructuren.” Het geweld tegen de
Colombiaanse indianen is meestal te verklaren vanuit conflicten rond
landeigendom of bodemschatten. Inheemse groepen hebben uitgestrekte
gebieden toegewezen gekregen, en die worden soms opeens strategisch
belangrijk voor een van de Colombiaanse conflictpartijen of voor een
onderneming die er de natuurlijke rijkdommen wil uitbaten. Dat
belangenconflict loopt in Colombia steevast uit op geweld.

Een recente moord in het noordoostelijke departement Arauca, een olierijke
streek aan de grens met Venezuela, illustreert de wreedheid die daarbij
soms te pas komt. Op 1 mei werd in het indianenreservaat van Parreros een
16-jarig Sikuan-meisje ontvoerd voor de ogen van de hele gemeenschap.
Omaira Fernández was zeven maanden zwanger; ze werd verkracht en daarna
opengesneden. De daders sneden het ongeboren kind en de moeder in stukken
en dumpten die in een rivier. Diezelfde dag verdwenen er nog drie andere
Sikuans; volgens de Onic gaan hun familieleden ervan uit dat ze ook aan
stukken werden gesneden. De man van Fernández was al vermoord op 31
december, haar tweejarige zoon Nilson is vermist. De voorbije jaren zijn al
43 indianen uit het reservaat van Parreros ontvoerd.

De Onic zegt dat de moorden van 1 mei het werk waren van “soldaten die
insignes van de AUC en de ACC droegen.” De AUC (Verenigde
Zelfverdedigingsgroepen van Colombia) is de koepel van de rechtse
paramilitaire eenheden in Colombia; de ACC (Boerenzelfverdedigingseenheden
van Casanaré) is een plaatselijke paramilitaire groep. Volgens Colombiaanse
en internationale mensenrechtenorganisaties zijn er geheime banden tussen
het leger en de paramilitaire groepen in Colombia. De directeur van het
VN-Mensenrechtenbureau in Colombia, Amerigo Incalcaterra, zegt dat er
bewijzen zijn dat dit ook in Arauca het geval is en eist dat dit aspect
deel uitmaakt van het onderzoek naar de moorden van 1 mei. Volgens hem
heeft dat onderzoek ongegronde vertraging opgelopen.

Het conflict in Arauca draait om olie. De linkse rebellen hebben de
installaties van buitenlandse ondernemingen die de olievelden in de regio
exploiteren tot militaire doelwitten uitgeroepen. President Alvaro Uribe
heeft een speciale legereenheid in het leven geroepen die met Amerikaanse
steun de olievelden en pijpleidingen moeten beschermen. De indianengroepen
in de streek zitten tussen twee vuren: ze worden door beide kampen verdacht
de tegenpartij te helpen. Honderden indianen zijn op grond van dergelijke
verdenkingen al uit hun dorpen verdreven. Het leger, dat eigenlijk geacht
wordt een neutrale positie in te nemen, lijkt naar de kant van de
paramilitairen te neigen. Volgens de Onic heeft kolonel Montoya Sánchez, de
adjunct-commandant van de legerbrigade in Arauca, verklaard dat de
verdreven indianen en boeren in de regio “orders kregen van het ELN”. Het
ELN is de op één na grootste guerrillabeweging in Colombia.

Waarnemers stellen dat de paramilitairen in sommige regio’s veel minder
geweldplegingen doen optekenen sinds ze vredesgesprekken hebben aangevangen
met de Colombiaanse regering. Maar de Onic klaagt dat bij die gesprekken
nog geen woord is gevallen over de ontvoering van indianenleider Kimy
Pernía Domicó door de AUC, nu al 26 maanden geleden. Pernía Domicó is de
spirituele leider van de Embera-katío in Tierralta en de kleinzoon van de
grote Embera-sjamaan Jaibaná. Zijn ontvoering bracht de hele inheemse
gemeenschap in Colombia in beroering. De kidnapping wordt in verband
gebracht met het protest van de Embera-katío tegen de bouw van de grote
Urrao-dam op de rivier de Sinú in het departement Córdoba. In Córdoba is
ook het hoofdkwartier van de AUC gevestigd.

Politiek geweld treft niet alleen indianen in Colombia: ook onder linkse
politici, vakbondsmedewerkers, mensenrechtenactivisten en journalisten
vallen er veel slachtoffers. Maar volgens Armando Valbuena, de voorzitter
van de Onic, wegen de moorden op sommige indianen bijzonder zwaar. Colombia
telt 86 verschillende inheemse groepen, en sommige daarvan zijn erg klein.
“Als er een Siona vermoord wordt, heeft dat een belangrijke weerslag, want
dat volk telt maar 1.400 leden. De Sáliba’s zijn met nog minder een moord
op iemand van hen heeft een heel andere politieke betekenis.”

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift