Portret Palestijnse regisseur Elia Suleiman

Regisseur Elia Suleiman (49) reist de wereld rond. Parijs is zijn standplaats en in Cannes werd voor hem de rode loper uitgerold –twee keer ging hij er met de juryprijs aan de haal. De regisseur van The time that remains verschijnt als een afstandelijke dandy, maar daarachter schuilt een ontembare rebel.
  •  Lisa Develtere Elia Suleiman Lisa Develtere
‘Mijnheer! Waar ga je naartoe?’, vraagt een man op een caféterras. ‘Ik ga Tabaria bevrijden’, antwoordt de soldaat in kaffiya en legeruniform. ‘Maar Tabaria ligt aan de andere kant’, merkt de man op. De soldaat begint in de tegenovergestelde richting te stappen. ‘Mijnheer!’, roept de man opnieuw.
‘Tabaria is al bevrijd’, en hij nodigt de soldaat –die uit Irak blijkt te komen– uit om mee aan tafel te zitten. Op dat moment begint het pamfletten te regenen en worden de inwoners vanuit een onzichtbare luidspreker opgeroepen de wapens neer te leggen en witte vlaggen te hijsen. Het land is namelijk bevrijd. Het is de beginscène van The time that remains, de film van Elia Suleiman die in 2009 de juryprijs won op het filmfestival van Cannes.
De semi-autobiografische film is geen klassiek verhaal met een begin, midden en einde, maar veeleer een aaneenschakeling van scènes. Elia Suleiman heeft de gebeurtenissen gereconstrueerd op basis van notities van zijn vader en van zijn eigen herinneringen. De plot begint in 1948. Israël is gesticht en Nazareth, waar voornamelijk christelijke Palestijnen wonen, hoort voortaan bij de gloednieuwe staat. Foad, de hoofdrolspeler, zit in het verzet en kiest ervoor om niet te vluchten. De regisseur is ook een acteur. Op een bepaald moment speelt hij zichzelf, de zoon van Foad. Maar als regisseur grijpt hij niet in. Hij is slechts een observator. Een toeschouwer die mee naar de gebeurtenissen kijkt.
**
‘Ik weet niet hoe het komt maar ik was altijd geïnteresseerd in wat er in de marge gebeurt’, zegt Suleiman. ‘Vaak zegt dat veel meer over het centrale verhaal dan het centrale verhaal zelf. Ik vind de marge ook poëtischer.’ Vandaar zijn interesse voor het alledaagse en voor het detail in dat alledaagse.
En soms is zwijgen ook vertellen. De stilte is een terugkerend element in het werk van de regisseur. ‘Ik wil de kijker de kans geven om zelf de leemte in te vullen. Ik wil hem laten participeren’, zegt hij. Absurditeit en ironie zijn ook vaste waarden in The time that remains. Dat was ook het geval in de vorige films, zoals in Divine Intervention (2002) waarvoor hij ook de juryprijs van het filmfestival in Cannes kreeg. ‘Humor is eigen aan het leven in het getto’, zegt hij. ‘Het is een manier om te overleven’.
Elia Suleiman kent zijn vak en weet waar hij naartoe wil. Nochtans is hij met proza noch met poëzie groot gebracht en heeft hij geen schitterende schoolcarrière achter de rug. ‘Ik was een straatjongen. Ik heb wat uitgespookt in mijn tienerjaren’, zegt hij. ‘Ik deed dat omdat ik heel nieuwsgierig was naar het leven van de Israëli’s’.
De cineast was ook geen cinefiel, wel ging hij toen hij zeventien, achttien jaar was vaak naar de bioscoop in de naburige stad Haïfa. ‘Niet om films te zien maar om naar de joodse meisjes te kijken, zeker in de zomer’, glimlacht hij. ‘In ons stadje gebeurde niets en na zes uur ’s avonds waren er geen meisjes op straat te bespeuren. Vaak zat ik samen met vrienden zonnebloempitten te eten. En als we een meisje te zien kregen, dan was het één dat van haar moeder naar haar tante ging of van haar tante naar huis terugkeerde’, lacht hij.
Het straatleven bracht Suleiman in de problemen. ‘Er was een politierapport over mij. Ik werd beschouwd als hoofd van een bende en blijkbaar werd ik er ook van verdacht lid te zijn van de communistische partij terwijl ik dat niet was. Ik wilde niet opgepakt en opgesloten worden. Ik ben gevlucht’, vertelt hij. Na één jaar kwam hij terug naar Nazareth om opnieuw te vertrekken.
‘Deze keer naar New York, al wist ik bij god niet wat New York voorstelde of waar het precies lag.’ Het is uiteindelijk in New York, waar hij zonder verblijfsvergunning drie jaar lang gewoond en gewerkt heeft, dat Suleiman van film is beginnen houden. Bevriende studenten sluisden hem de bioscoop binnen. Dat wekte ook zijn interesse voor literatuur op. De eerste keer dat hij een camera gebruikte, filmde hij geiten. ‘In Nazareth was ik bevriend met een herder. Ik ging met hem mee en bleef urenlang kauwende geiten observeren en filmen. Dat is mijn begin als cineast’, grijnst hij.
**
Suleiman laat zich inspireren door zijn eigen omgeving. Maar dat doet hij niet om politieke of ideologische redenen. Deel uitmaken van het verhaal is bijna onvermijdelijk, het is als het ware zijn lot. ‘Als ik eerlijk tegenover mezelf wil zijn, dan moet ik putten uit mijn eigen omgeving’, zegt hij. ‘Toevallig ben ik een Palestijn en één die van ’48 is.’ Spreken over identiteit doet Suleiman niet graag. Hij gelooft niet in zoiets als identiteit. Hij spreekt liever in termen van identificatie. Met de staat Israël kan hij zich in ieder geval niet identificeren. ‘Israël is er, of ik nu dat wil of niet. En ik heb Israëlische vrienden, heel goede vrienden zelfs, maar me met Israël identificeren kan ik niet. Hoe kan ik me identificeren met een staat die moordt en een heel volk op de vlucht gedreven heeft?’, vraagt hij retorisch. ‘Ik wil niet de neger spelen, de slaaf die bovendien dank u moet zeggen aan de bezetting.’
De Palestijnen van ’48 –het is een benaming die een lange weg heeft afgelegd. In Israël wordt gesproken over de Arabische minderheid. ‘Het woord Palestijn was taboe’, zegt Elia Suleiman. ‘Het is pas vanaf de Oslo-akkoorden dat er over de Palestijnen wordt gesproken en dan alleen over diegenen die in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever wonen’. In de Arabische wereld heeft men lang met argusogen gekeken naar die Palestijnen die een Israëlische pas hebben. Ze werden gezien als verraders of op zijn minst mensen die zich niet verzet hebben en zich snel naar de nieuwe werkelijkheid hebben geplooid. Dat is ondertussen veranderd.
Maar voor Suleiman houdt de identificatie daarmee op. ‘Vroeger had ik een soort sentimentalisme tegenover Arabische landen. Dat komt door de gemeenschappelijke taal, denk ik, en ook door de gemeenschappelijke geopolitieke context. Maar dat is gelukkig al een poos verdwenen’, zegt hij. Het was ook via het filmfestival van Cannes dat hij daar bekend werd. Maar zijn films werden niet altijd begrepen, zeker niet in het begin. Zijn christelijke naam hielp ook niet echt. ‘Sommige critici vonden het schandelijk dat ik humor gebruikte. “Hoe kun je ironisch zijn over de Palestijnse zaak?”, zeiden ze dan.
Het is alsof ze meer Palestijns zouden zijn dan de Palestijnen zelf’. Ook de schaarse dialoog en de stilte werden niet geapprecieerd. ‘Men is in de Arabische landen nog altijd in de ban van de melodramatische soaps. Sommigen kunnen niet met de stilte om.’ De kritiek veranderde later in lof. ‘Diegenen die me van verraad hebben beschuldigd, hebben me later heldhaftigheid toebedeeld. Ze hebben er niets van begrepen.’
**
Suleiman wil overtuigen noch mensen voor zijn zaak spannen. Maar als zijn films de Palestijnse zaak zouden dienen, dan moeten ze alle Palestijnse zaken in de wereld dienen. ‘Ze moeten de mijnarbeiders in Peru dienen en de onderdrukte vrouwen in de Arabische landen. Anders zal ik niet tevreden zijn’, zegt hij. ‘Wij Palestijnen staan in het midden van de conflicten tussen de verschillende machtsverhoudingen. Er is achteruitgang. De wereld is “gepalestijniseerd”. De mondialisering heeft veel mensen in armoede gestort. Er is meer honger. Er zijn nieuwe soorten en vormen van kolonisatie. Bedrijven beslissen nu over het lot van grote gebieden in de wereld en over hele bevolkingsgroepen.’
Of Suleiman universaliteit wil bereiken? Voor hem is de zoektocht naar de waarheid, naar de waarschijnlijkheden van de waarheid, op zich universaliteit. ‘De waarheid glijdt telkens weer uit. Er zit zelfs een stuk spiritualiteit in die zoektocht. Vragen als: ‘Waarom praat, denkt en moordt de mens? Waarom is hij voortdurend op zoek naar geluk en slaat hij dat geluk tegelijkertijd kapot?’ zijn vragen waarop de mens nog altijd geen antwoord heeft.’
Voor Suleiman is de mens het meest beestachtige wezen op aarde. ‘Er is dringend nood aan een nieuwe definitie van het woord menselijkheid.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift