Professor Paul Collier: ‘Hoop maakt armoede draaglijk’

Professor Paul Collier was maandagavond te gast bij Iday, een internationaal netwerk van organisaties uit de civiele samenleving die werken rond onderwijs. Hij deed er voor de aanwezigen zijn standpunten over ontwikkelingshulp uit de doeken.
Collier is een grote naam in het ontwikkelingsdebat. Hij is verbonden aan de faculteit economie aan de universiteit van Oxford. Van 1998 tot 2003 stond hij aan het hoofd van de Development Reseach Group van de Wereldbank. In 2007 publiceerde hij het boek ‘The Bottom Billion: Why the poorest countries are failing and what can be done about it’.
Collier: “Neem een gezin uit China en een uit Tsjaad die volgens de gangbare indicatoren even arm zijn. In de tellingen van het aantal armen wereldwijd zullen beiden in dezelfde categorie terecht komen. Hoop maakt echter het verschil. De Chinese ouders kunnen er vanuit gaan dat hun kinderen in een meer welvarend land zullen opgroeien dan zij. Voor de familie uit Tsjaad is die hoop er niet. Onze taak is hoop te brengen aan wie niet mee kan.
Twintig jaar geleden lagen de kaarten nog anders. Eén miljard mensen had het geluk in het rijke Westen te leven, de rest viel uit de boot.  Nu wonen er van die vijf miljard toenmalige armen zo’n vier miljard in groeilanden als China en India. Niet dat deze landen geen armoede meer kennen, integendeel. Maar er is de hoop dat morgen beter zal zijn dan vandaag. Voor één miljard mensen in zo’n 60 landen is die hoop er niet. Daar ligt de nieuwe tweedeling van onze tijd, tussen groei en stagnatie.
Waarom hebben sommige landen de boot gemist terwijl de rest het Westen bijbeent? Twee decennia geleden was de loonkloof tussen het Westen en de rest van de wereld zo groot geworden dat het erg aantrekkelijk werd om industriële productie naar lageloonlanden over te brengen. Eens begonnen viel dit proces niet meer te stuiten. Industriële productie heeft immers de neiging zich in clusters te groeperen om de kosten te drukken. Dat stelt laatkomers voor een groot probleem. Wanneer nieuwe clusters gevormd zijn, is het moeilijk nog op de kar te springen. De recepten die groeilanden zoveel vooruitgang hebben gebracht, vallen dus niet zonder meer toe te passen.
In al die jaren is er massa’s hulp naar de ontwikkelingslanden gevloeid. Zonder veel resultaat, zo lijkt wel. Het falen van ontwikkelingshulp is al door-en-door geanalyseerd, maar de manier waarop is steeds dezelfde. Telkens wordt er één bepalende factor naar voren geschoven als verklaring. Daar moeten we vanaf. Er zijn verschillende manieren om te falen, er is ook geen eenduidige oplossing.
Het loont de moeite eens te kijken wanneer ontwikkelingshulp wel ernstig genomen werd, want dat gebeurt nu niet. Daarvoor moeten we terug naar 1949. Europa lag uitgeteld in de touwen na WO II, en de groeiende invloed van de Sovjet-Unie stelde de VS voor een serieus probleem. Het isolationisme dat het land vroeger ophield werd overboord gegooid. In plaats daarvan opteerden de VS voor een totaalaanpak van het probleem Europa. Er kwam hulp in de vorm van het Marshallplan, maar dat was maar een klein deel van de oplossing. Belangrijker was dat de VS hun markt opengooiden voor Europese producten om het continent er economisch weer bovenop te helpen. Veiligheid werd voortaan een gedeelde zaak na de geboorte van de Navo. Juist de volledigheid van de aanpak van de VS maakte de wederopbouw van Europa een succesverhaal.
We zijn momenteel echter niet in 1949 maar in 1919. Er ontbreekt een ‘sense of urgency’. De problemen zijn wel duidelijk maar de risico’s van niets doen nog niet. Nochtans moeten we er geen doekjes om winden. Europa kan het zich niet permitteren een gefaald continent als buur te hebben.
Hulp heeft zijn waarde maar zal de problemen van de wereld niet oplossen. Toch is er een positieve evolutie. De oude tegenstelling tussen de puur economische aanpak van instituties als het IMF (Internationaal Monitair Fonds) en ngo’s met een ideologische achtergrond lijkt te vervagen. Nieuwe vormen van ontwikkelingssamenwerking, de ‘social enterprises’, combineren zakelijkheid en betrokkenheid wat hen organisatorisch erg sterk maakt.
De rol van de civiele samenleving kan niet genoeg in de verf worden gezet. Ze vormt de motor achter ontwikkeling. In vele landen is er een immens bestuurlijk probleem. Corruptie heeft er alle lagen van de overheid aangetast. De golf van democratisering van de jaren 90 in Afrika is deels daarop stukgelopen. We hebben vanuit het Westen te sterk geroepen om verkiezingen zonder aandacht te hebben voor de zwakte van de lokale instituties. Enkel de civiele samenleving kan dit probleem van bestuurlijke zwakte van onderuit keren.
Maar ook ons eigen huis moeten we op orde stellen. Nog te veel beleidsmaatregelen in de VS en Europa hebben een negatieve impact op de armste landen. We zouden deze landen tijdelijk een bevoorrechte markttoegang moeten toestaan. Zo kan hun economische en industriële ontwikkeling een kickstart nemen. Dat is nodig opdat ook zij de eerste tredes kunnen beklimmen op de ladder naar meer welvaart.”
Website IDAY

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3205   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift