Professor Richard Wilkinson over inkomensongelijkheid

Inkomensongelijkheid heeft niet alleen een negatieve invloed op de sociale samenhang maar ook op de gezondheid van arm én rijk. Dat bewijst Richard Wilkinson in het boek The Spirit Level. MO* sprak met Wilkinson over die spectaculaire vaststelling.

  • Jan Pypers Professor Richard Wilkinson Jan Pypers

De analyse in Wilkinsons boek is van groot belang omdat de inkomensongelijkheid de voorbije dertig jaar in de meeste landen sterk is toegenomen. Dat hing samen met de neoliberale mondialisering. Richard Wilkinson en Kate Pickett, Britse professoren in de epidemiologie, maken daar dus kanttekeningen bij, niet aan de hand van een ideologisch traktaat maar met heel veel cijfermateriaal.
Telkens weer vergelijken ze de rijke landen en de vijftig staten van de Verenigde Staten (VS) en hun besluiten zijn verbazend. Wilkinson: ‘Hoe groter de inkomensverschillen in een samenleving, hoe meer moorden er gebeuren, hoe meer mentale ziektes, vetzucht, kindersterfte en tienerzwangerschappen er zijn, hoe minder lang mensen er gemiddeld leven, en hoe lager de sociale mobiliteit er is. Dat blijkt zowel uit vergelijkingen tussen rijke landen –waar uiteenlopende landen als Japan, Zweden of België goed scoren– als uit vergelijkingen tussen de vijftig VS-staten.
Opmerkelijk is bovendien dat niet enkel de armen het slachtoffer zijn van grote inkomensongelijkheid: zowat iedereen in de betrokken samenlevingen is slechter af. Onderzoek wijst er ook op dat het om een causaal verband gaat: inkomensongelijkheid is minstens een van de factoren die de verschillen verklaart.’

Hoe verklaart u die samenhang?
Wilkinson:
De omvang van de inkomensongelijkheid bepaalt de kwaliteit van de sociale relaties en de angst. In een samenleving met grote inkomensongelijkheid vergroot de angst dat anderen ons slecht zullen evalueren. Ongelijkheid schept afstand, minder contact, waardoor er minder vertrouwen, verenigingsleven en samenhang is. In meer gelijke samenlevingen is er meer vertrouwen tussen mensen en is het verenigingsleven rijker. De angst om niet te voldoen, is er kleiner.
Dat verklaart ook waarom er veel meer mensen in de gevangenis zitten in ongelijke samenlevingen. Niet alleen is er meer geweld maar de straffen zijn er ook veel langer. Er is veel meer “wij” en “zij”. Dat ligt dan weer aan het feit dat mensen zich minder in elkaar kunnen inleven en banger zijn van andere mensen. Juist omdat hun inkomens zo zeer verschillen, leven ze in heel andere werelden, is de afstand veel groter en de empathie veel kleiner.
 
U baseert zich op honderden onderzoeken. Waarom het zo lang heeft geduurd vooraleer iemand het verband tussen ongelijkheid en gebrek aan maatschappelijk geluk zag?
Ik ben dertig jaar mee bezig met dit soort cijfers en ik vraag me ook af waarom ik het niet zag. Ik heb altijd de intuïtie gehad dat inkomensongelijkheid niet zonder gevolgen was maar ik heb nooit geloofd dat je dit met data hard zou kunnen maken.

Bij momenten komt uw visie erg deterministisch over: als je niet genoeg vrienden hebt, ga je sneller dood. 
Dat is even deterministisch als beweren dat veel vet eten ongezond is.

Het klinkt anders… 
Ja, maar het zijn feiten. Het vereiste kennelijk de opmerkelijke studies die bewezen dat baby’s sneller bijkomen als ze meer geknuffeld worden, om hard te maken hoe reëel onze sociale noden zijn. Maar vertellen we daarmee iets nieuws? Samenlevingen weten al eeuwen dat ongelijkheid gevolgen heeft. Niet voor niets eiste de Franse revolutie vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Die vrijheid was vrijheid van de almacht van de adel en dus eigenlijk een roep om meer gelijkheid, minder statusverschillen. De broederlijkheid verwijst naar het sociaal kapitaal waarop samenlevingen drijven en de gelijkheid is een voorwaarde voor de twee andere.

U stelt dat mensen ontstaan zijn in jagers-plukkersgroepen die egalitair waren. Is dat wel zo zeker? 
Zeker is dat het soort dierlijke hiërarchieën waarin het dominante mannetje eerst mag eten en alle anderen moeten wachten bij de mens niet voorkomt. Voedsel werd gedeeld, giften uitgewisseld. De reden is dat fysieke macht of dwang niet volstaat bij de mens. De mens is immers intelligent: een leider kan ook met gif of een list worden uitgeschakeld en dus heeft hij er belang bij om het vertrouwen te winnen door goede relaties. Je ziet ook dat mensen zich verzetten tegen al te dominante leiders, desnoods door zich te verenigen. Dat is de strategie van de antidominantie.

U fixeert zich op inkomensongelijkheid, maar is dat wel het hele verhaal? Is het niet zo dat de ongelijkheid dezer dagen andere vormen aanneemt zoals mediabekendheid of professionele status? 
De inkomensverschillen vormen het materiële raamwerk waarop al die andere culturele en sociale verschillen zich enten. Adel die in de achttiende eeuw zijn rijkdom verkwistte, bleef misschien nog een generatie adel en dan was het gedaan, hoe cultureel hoogstaand ze zich ook bleven gedragen.

Neem nu uw wereld: professoren hebben hetzelfde inkomen maar hun status kan sterk variëren naargelang hun bekendheid of erkenning. Dat leidt soms tot enorme spanningen.
Competitie is sterk natuurlijk: mannen doen het via status, bij vrouwen ligt de nadruk meer op schoonheid. Dat zit erg diep maar de mens heeft ook een andere kant: hij kan zich ook inleven in anderen, hen helpen… Het milieu, waaronder de mate van inkomensongelijkheid, bepaalt welke van die twee dominant wordt.

Media creëren mensen die bijna een goddelijke status hebben: sportfiguren, artiesten… 
Dat klopt. Enerzijds geeft dat aan hoezeer mensen gewaardeerd willen worden. Wie aan de top staat, wordt gewaardeerd. Wie werkloos is, voelt zich ondergewaardeerd, heeft het moeilijk. Anderzijds geeft het ook aan hoe krachtig sociale statusverschillen wel kunnen zijn. Maar stel je voor dat die sterren niet rijk zijn en leven zoals iedereen; dat zou hun uitstraling verminderen. Die sterren definiëren hoe mensen kunnen leven, en zetten daarmee een onhaalbare consumptiestandaard.

Uw collega-hoogleraar Richard Layard zegt daarover in zijn boek Waarom we niet gelukkig zijn dat rijke mensen eigenlijk schade aanrichten aan het milieu en bij de andere mensen omdat ze een onnavolgbare norm stellen, en dat ze daarvoor moeten worden belast. 
Akkoord. Ongelijkheid vuurt de consumptie sterk aan. In ongelijke samenlevingen als de VS of het Verenigd Koninkrijk wordt er meer besteed aan publiciteit. Mensen werken er beduidend langer en ze gaan veel meer schulden aan om toch maar te kunnen consumeren. Dat droeg bij tot de zeepbellen die leidden tot de financiële crisis. Dat alles heeft te maken met de drang om gelijke tred te houden met diegenen die meer verbruiken dan jij. In gelijke samenlevingen halen mensen verhoudingsgewijs meer plezier uit hun sociale relaties.

‘In meer gelijke samenlevingen is er meer vertrouwen tussen mensen en is het verenigingsleven rijker.’

 

U zegt dat de ongelijkheid de voorbije dertig jaar toenam tussen mensen, maar op mondiaal niveau verandert de opkomst van China en India toch het verhaal?Als het gaat om aantallen mensen nam de ongelijkheid mondiaal inderdaad wat af. Tegelijkertijd zijn heel wat landen almaar verder achtergebleven. Maar vergeet niet: mijn werk gaat over inkomensongelijkheid binnen landen.

 

 

Kunnen ontwikkelingslanden iets leren uit uw boek?
Absoluut. Dat naast economische groei ook een goede inkomensverdeling belangrijk is als ze gunstige sociale en gezondheidsresultaten willen boeken.

Levert u daarmee fundamentele kritiek op het Internationaal Muntfonds en de Wereldbank, die daaraan weinig aandacht hebben besteed in hun omgang met de ontwikkelingslanden? 
Zeker. Temeer omdat meer gelijkheid niet ten koste hoeft te gaan van economische groei, zoals de Scandinavische landen bewijzen. Egalitaire landen scheppen verhoudingsgewijs ook meer patenten.

Het is één zaak om te wijzen op de negatieve gevolgen van inkomensongelijkheid, een andere zaak is te weten hoe je tot meer gelijkheid komt. 
Ik pleit niet per se voor big government. Japan is een zeer gelijk land, niet omdat de rijkdom er via veel belastingen sterk wordt herverdeeld maar omdat de marktinkomens er erg gelijk zijn. Zweden is dan weer een voorbeeld van een land waar inkomensgelijkheid via hoge herverdelende belastingen wordt gerealiseerd.

U denkt dat er nood is aan een beweging om verandering te krijgen? Ziet u al iets bewegen? 
Zeker, in de recente Britse verkiezingen zetten alle partijen zich af tegen de bonuscultuur van extreem hoge salarissen voor bankiers en bedrijfsleiders. De conservatieve leider David Cameron heeft gezegd dat de overheid daar afstand van moet nemen en dat de loonverschillen in publieke dienst niet meer dan één op twintig mogen bedragen. De Libdems (Liberaal-Democraten) benadrukten sterk de eerlijkheid van de belastingen: wie veel verdient, moet meer betalen en wie weinig verdient, moet minder bijdragen.
Weet je, ongelijkheid werd uit het oog verloren. In de jaren dertig was er nog echt honger. Toen vond men het niet kunnen dat sommigen heel rijk waren terwijl anderen stierven van de honger. Toen de rijkdom dusdanig werd dat iedereen het minimum had, leek het irrelevant dat sommigen erg rijk waren en werden ze minder belast. Nu weten we dat dit niet klopt: die enorme rijkdom heeft grote psychosociale gevolgen. Daar moet je dus iets aan doen.

Een pleidooi voor rijkdombestrijding? 
Inderdaad, ontvangers van die bonussen moeten zich beginnen schamen voor wat ze krijgen. De mensen beginnen dat ook te uiten: sommige luxewagens worden tegenwoordig beschadigd. Bij een bankier werd in zijn tuin het pondteken uit zijn grasperk gesneden. We hebben nood aan een eigentijdse versie van de strategie van de antidominantie.

Wat kunnen regeringen doen? 
Met de bestrijding van inkomensongelijkheid krijgen ze een hefboom die kan inwerken op een reeks problemen. Eerder dan te werken met psychotherapie tegen mentale ziektes, diëtiek tegen de vetzucht of strengere straffen tegen criminaliteit, beschikken ze over een massieve hefboom die op al die dingen tegelijk inwerkt.

U wil ook de rol van de non-profitsector en de coöperaties vergroten om zo afstand te nemen van de inkomensverschillen in grote commerciële bedrijven. Dat wordt weggelachen in economische kringen.
Laat ze maar lachen. Als we onze economie milieuvriendelijker willen maken, moet ze meer worden gelokaliseerd en dan komt ze automatisch meer onder controle van de werknemers.

Betekent die lokalisering dat we uit de Wereldhandelorganisatie moeten stappen? 
Ik ben geen economist. Daar wil ik dus liever niet op antwoorden. Maar één ding weet ik wel: als we met de gegevens in dit boek rekening willen houden, én de CO2-uitstoot en de consumptie willen verminderen, dan vergt dat een nieuwe samenleving. Dat zal enkele decennia vergen. Maar de houdingen zijn nu al enorm veranderd. De Britse conservatieve leider David Cameron moest enorm naar links gaan om verkozen te kunnen worden. De slinger keert terug.

Tijd voor links? 
Het probleem van links is dat ze hun richting kwijt zijn. Tussen 1930 en 1970 hadden ze een sociaal project. Het marxisme leerde hen dat een betere samenleving mogelijk was. Nu is dat er niet meer. Er is dus nood aan een nieuwe empirische analyse die een samenleving uittekent, met meer gelijkheid en meer duurzaamheid en dus ook een andere economie. Ons boek levert een klein deel van zo’n alternatief. Er is dus meer nodig dan alleen maar zeggen dat het hoogste belastingtarief met vijf procent moet stijgen. Dit is geen kleine hervorming maar een ander soort van samenleving. 

Een nieuwe utopie? 
Juist niet. Het gaat om een analyse gebaseerd op feiten en ervaringen. Ik denk overigens niet in termen van partijen. De partijen volgen de mensen. Cameron is veel linkser dan Thatcher: zijn rechterhand Michael Gove heeft gezegd dat ik gelijk heb. Daarmee zegt hij dus eigenlijk dat zijn voorgangster Thatcher ongelijk had. Die zei immers: ‘There is no such thing as society.’ Het kan verkeren.

De timing van uw boek lijkt niet slecht. 
We hebben extreem veel geluk met de timing. Door de financiële crisis staan mensen open voor nieuwe ideeën. Door de klimaatverandering moeten we leren minder consumeren en meer gelijkheid kan dat makkelijker maken: ongelijkheid bevordert statuscompetitie en zet zo mensen aan tot consumeren.

U trekt de wereld rond met uw boek?
Ik heb 200 lezingen gegeven het voorbije jaar, dikwijls voor nogal welgestelde mensen. Verbazend genoeg reageerden ze meestal erg enthousiast, ook in de VS. Velen waren blijkbaar verborgen egalitaristen die altijd al de intuïtie hadden dat er iets niet klopt met te grote ongelijkheid. Ze kunnen en moeten zich nu outen. Ik heb het gevoel dat we, intellectueel en intuïtief, een missend puzzelstukje leveren voor nogal wat mensen. Een puzzelstukje dat aangeeft dat er wel degelijk een alternatief is. TINA, zei Thatcher destijds, ‘There Is No Alternative’. Welnu, TINA is dood.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur