Radicale religieuze politiek: De laatste utopie

We zijn nog maar een paar jaar ver in de 21ste eeuw en nu al beweren sommigen dat deze eeuw gekenmerkt zal worden door religieuze politiek. Anderen menen dat politici zoals Mahmoud Ahmedinejad en George Bush de religieuze tak afzagen waarop hun macht rust. Een beschouwing bij een actueel fenomeen dat tot voor kort in de nevelen van de geschiedenis leek te verdwijnen.
  • Bart Vanacker Op zoek naar Utopia: niet alle religieuze utopie Bart Vanacker

Religieuze politiek is overal. In de Indiase deelstaat Gujurat, waar hindoenationalisten een pogrom tegen moslims organiseerden. In Israël, waar religieuze zionisten het alleenrecht opeisen om het “Heilig Land” te bewonen.

In de Verenigde Staten, waar een uiterst machtig netwerk van fundamentalistisch christelijke organisaties de binnen- en buitenlandse politiek dicteert. In Sri Lanka, waar boeddhistische scherpslijpers mee verantwoordelijk zijn voor de escalatie van de etnische conflicten en de langdurige burgeroorlog.

In Rusland, waar de orthodoxe kerk ongegeneerd in bed is gekropen met het nieuwe Russische nationalisme dat de slachtingen in Tsjetsjenië goedpraat. In Spanje, waar meer dan zestig bisschoppen een betoging tegen de regering Zapatero aanvoeren omdat die via een onderwijshervorming het machtsmonopolie van de rooms-katholieke kerk bedreigt.

In Nigeria, Indonesië, Pakistan, Algerije, Libanon, maar ook in Groot-Brittannië, Frankrijk, Canada, Turkije en Thailand, waar islamitische meerderheden of minderheden de gehele of gedeeltelijke invoering van de sharia eisen. De lijst met voorbeelden van religieuze politiek reikt van hier tot in de hemel. Of tot in de hel, zoals velen vrezen.


‘De vooruitgang heeft ons zover gebracht dat onze problemen vandaag opnieuw lijken op die van de zestiende eeuw, nu we weer verwikkeld zijn in conflicten over concurrerende openbaringen, dogmatische zuiverheid en goddelijke plicht.’ Met die woorden begint Mark Lilla het essay The Politics of God, dat op 19 augustus in het zondagsmagazine van de New York Times is gepubliceerd. Volgens Lilla is het niet mogelijk een eenvoudig antwoord te geven op de vraag waarom religie opnieuw zo sterk op de politieke voorgrond getreden is.

Alle pogingen om met name de islamitische politieke theologie te begrijpen, lopen stuk op een globaal onvermogen om de geschiedenis en de actualiteit van moslimlanden en –culturen te verstaan. Lilla probeert inzicht te krijgen door de Europese geschiedenis van de scheiding van kerk en staat na te trekken. Voor veel Vlaamse lezers volstaat het om even terug te keren naar de vroege jaren 1980.


‘Met diep respect voor je humanitaire werk. Mijn broer zou zeker van je gehouden hebben.’ Dat schreef Maureen Carney in mijn exemplaar van het boek over haar broer, padre Jim Guadelupe Carney (1985), To be a revolutionary. The explosive autobiography of an American priest, missing in Honduras. Op pagina 441 staat de “geloofsbelijdenis” van padre Carney: ‘Wij, in deze moderne tijd, zullen moeten leren wat echt communisme had kunnen zijn –een echt christelijke samenleving, het koninkrijk van God, dat ik zo vaak beschreven heb in dit boek. Het socialisme waarnaar we verlangen, is een noodzakelijke stap op weg naar dit christelijke communisme. In de twintigste eeuw bestaat er geen “derde weg” tussen christen zijn en een revolutionair zijn. Christen zijn ís revolutionair zijn. Wie geen revolutionair is, is geen christen! Ad Majorem Dei Gloriam! Tot meerdere glorie van God!’


De taal en de ideeën van deze Amerikaanse jezuïet klinken twintig jaar later volkomen buitenaards, maar in de context van de Midden-Amerikaanse strijd van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig van vorige eeuw waren ze vrij gewoon. Christenen in beide Amerika’s en in Europa koppelden toen radicale geloofsovertuigingen aan al even radicale socialistische ideeën. Al die radicaliteit zetten ze om in daden, niet zelden door de wapens op te nemen tegen de onverzettelijke dictaturen van die tijd.

Religieuze en politieke taal woonden vanzelfsprekend samen in een discours gericht op de omverwerping van de bestaande –brutaal onrechtvaardige- machtsorde. In de brochure voor de Goede Vrijdag Aktie van 1982 stond te lezen: ‘Dat is, ruw geschetst, de politieke context waarbinnen Jezus optrad: een maatschappij die door ongelijkheid in inkomen de ongelijkheid van eigendom gedoogde, en daardoor de klassetegenstellingen tussen de niet-bezitters (van zowel productie- als consumptiegoederen) en de bezitters bestendigde en liet aangroeien.’

Opstand en opstanding, bevrijding en verlossing waren voor de radicale christenen van een kwarteeuw geleden inwisselbaar. Daarom keek ook niemand op van de beelden die cameraman Jan Van Bilsen en journalist Dirk Vandersypen in 1984 maakten van een eucharistieviering in Esteli, Nicaragua. De viering werd voorgegaan door de Vlaamse priester Ludo Vandevelde en had als thema vrede voor Nicaragua. Bij de offergaven werd niet alleen brood en wijn op het altaar gezet, maar ook een kalasjnikov. De Sandinistische revolutie verdedigen was immers een christelijke plicht. Wie geen revolutionair was, kon geen christen zijn.


Fast forward naar 2007. ‘De verdrukker kan slapen, maar de onderdrukte waakt de hele nacht en aanroept de Ene die nooit slaapt. De onderdrukte hoopt op de overwinning van God, terwijl de verdrukker wacht op de afrekening voor zijn daden.’ De stijl en de inhoud van de boodschap lijken in vijfentwintig jaar nauwelijks veranderd. De herkomst ervan, en de westerse publieke reactie op de boodschap zijn dat wel.

Het citaat hierboven komt van Abdulilah Rabah Lahmami uit Al Madeenah, Saoedi-Arabië, en hij poste het oude Arabische spreekwoord op www.salafitalk.net, een website die de strenge interpretatie van de islam op niet-gewelddadige wijze wil uitdragen. Ook de Iraanse president Mahmoud Ahmedinejad put voor zijn messianistische politiek uit hetzelfde taalvat. In een brief aan George Bush schreef Ahmedinejad vorig jaar in mei: ‘Of we er blij om zijn of niet, de wereld wordt aangetrokken in de richting van de Almachtige en de gerechtigheid, en Gods wil zal zegevieren over alle dingen.’


Ahmedinejad is, net als de ideologen van Al Qaeda, een zegen voor iedereen die politieke moslims wil afdoen als gevaarlijke gekken die de wereld terug naar de middeleeuwen willen voeren. Tussen haakjes: dat middeleeuwenbeeld verwijst dan vooral naar de situatie in het stilaan christelijke Europa van voor 1200, niet naar de islamitische wereld uit die tijd, waar wetenschap en wereldhandel toen hoogtij vierden. Voor de meeste mensen beperkt de islamitische politieke theologie zich tot de bommenleggers die zich met Al Qaeda associëren.

Maar het spectrum is veel breder. Er zijn religieuze denkers die af willen van de corrupte en onrechtvaardige regimes in het Midden-Oosten. Er zijn de historische dogmatici die ervan overtuigd zijn dat de principes van een rechtvaardige moslimstaat te vinden zijn in de ervaringen van Medina, de historische utopie van een gemeenschap die door de profeet zelf georganiseerd werd en dus wel in overeenstemming moet zijn met de openbaring.

Er zijn mystieke denkers die het politieke handelen van moslims duidelijk willen scheiden van hun godsdienst, omdat ze uit ervaring weten dat de noodzakelijke onzuiverheid van de politiek besmettelijk is voor de religie die er zich mee identificeert. Er zijn maatschappelijke denkers die in de kernwaarden van hun geloof aanknopingspunten vinden voor een –religieus gemotiveerde en geformuleerde- politieke praktijk. Enzoverder.
De meeste commentatoren erkennen en overzien de de breedte van het spectrum zelden, maar zelfs degenen die dat wel doen, lijken vaak niet in staat om religieuze politiek of politieke theologie te begrijpen. Ze schrijven de terugkeer van God op het mondiale politieke forum vaak toe aan een achterstand in maatschappelijke ontwikkeling (‘Zij hebben dringend behoefte aan hun Verlichting’) of zien het in het beste geval als een hartekreet van armen en hongerigen die zal verdwijnen zodra die massa’s deel krijgen aan de welvaart die ook in Europa de secularisering gevoed heeft.

De uitsluiting speelt zeker mee, maar er is meer aan de hand. In een speciaal rapport over geloof en politiek (The new wars of religion) schrijft The Economist begin november dat de opleving van politieke theologie veel te maken heeft met het feit dat religies op een wereldmarkt van ideeën terechtgekomen zijn. ‘Zoveel te meer mensen hun religie kiezen in plaats van haar te erven, zoveel te groter de kans dat ze daar rumoer over zullen maken.’

Dat gaat alvast op voor de evangelische christenen in de VS, maar ook voor jonge allochtonen in Europa, twee groepen die de voorhoede vormen van de religieus gemotiveerde politiek vandaag. Elders in de wereld vormt de –overgeleverde- religie voor miljoenen mensen een schuilhut waarin ze hopen beschutting te vinden tegen de anonieme en overweldigende krachten van de economische wereldmarkt. In beide gevallen domineert het gemeenschappelijke geloof de individuele identiteiten, en de gelovigen ervaren dat niet als verdrukking maar als versterking van wie ze zijn. Geen wonder dat ze die zelf gekozen identiteit ook willen uitdrukken op het publieke forum, in politieke projecten en in utopieën die alleen maar waarde hebben als er hard geprobeerd wordt ze om te zetten in reële revoluties.


De utopie die in godsdiensten besloten ligt, komt voor veel Europeanen bedreigend over nu ze gedrenkt is in islamitische overtuigingen en beeldspraak, en ingezet wordt als instrument voor de emancipatie van een onderklasse die geen historische wortels in Europa heeft. Toen de religieuze utopie de vorm had van een antisocialistische massabeweging, of later van de christelijke bevrijdingstheologie, was de reactie veel minder paniekerig.

De bevrijdingstheologie mobiliseerde zowel in Latijns-Amerika als in Europa jonge, hooggeschoolde gelovigen uit middenklassekringen voor een revolutionair project. Daaruit zou men alvast kunnen leren dat beter onderwijs, meer bestaanszekerheid en reële mogelijkheden tot deelname aan een representatieve democratie onvoldoende zijn om de mobilisatiekracht van een politiek-religieuze utopie te temperen.


Bijlange niet alle religieuze utopieën streven naar een dageraad van sociale rechtvaardigheid. De meeste religieuze politiek van de 21ste eeuw houdt zich bezig met de persoonlijke moraal, in de heilige overtuiging dat de wereld gered zal worden als alcohol, ontrouw, abortus en homoseksualiteit met wortel en tak worden uitgeroeid.

Christelijke, islamitische en joodse hardliners zijn het anno 2007 over één zaak roerend eens: de strijd voor maatschappelijke verlossing begint bij het vrouwelijke geslacht. ‘De islamisten zetten hun politiek project in Europa in gang door vrouwen te verplichten zich te sluieren of door hen te verbieden mannelijke dokters toe te laten. Ze beginnen met een aanval op vrouwenrechten, omdat ze weten dat de overheden geen sociale onrust willen riskeren alleen maar om de belangen van vrouwen te verdedigen’, waarschuwde de Algerijnse Marieme Helie Lucas op een studiedag over Religion and Politics in the New Europe in het Europees Parlement op 27 november.

Tijdens dezelfde studiedag pleitte parlementslid Alexandra Coolen (Vlaams Belang) voor haar versie van scheiding van kerk en staat: een overheid die zo weinig mogelijk tussenkomt in de persoonlijke moraal en keuzes van haar burgers. Dat betekent, gaf ze tijdens de pauze toe, dat ze eigenlijk tegen een hoofddoekenverbod is zoals dat diezelfde dag in de Gentse gemeenteraad gestemd werd. Vrouwen hebben niet alleen recht op werk en emancipatie, maar ook op conservatieve keuzes, zegt Coolen.

Haar conservatieve partij vindt dat duidelijk niet, als het om moslims gaat. Ook de verdegigers van een neutrale staat verslikken zich in de discussies die religieuze politiek versmallen tot persoonlijke moraal of uiterlijke symboliek. Etienne Vermeersch, in De Standaard van 28 november: ‘Stel, als burger vang je bij de openbare diensten constant bot, tot iemand met een hoofddoek je wél helpt. Dan ben je geneigd een positieve associatie te maken tussen die persoon en de islam. Op die manier wordt godsdienst vanuit een publieke functie verspreid. Dus: hoe beter de moslima’s met hoofddoek hun werk doen, hoe gevaarlijker.’


Levensbeschouwelijke politiek is, vooral in zijn utopische vorm, altijd een heel moeilijke evenwichtsoefening. Het hogere of goddelijke ideaal is moeilijk combineerbaar met de menselijke beperktheid, om nog niet te spreken over cynisme en domheid. De neutraliteit van Vermeersch blijkt uitgesproken partijdig te zijn, de christelijke verlossing krijgt bij Bush de vorm van een imperialistische bezettingspolitiek en de islamitische vredeswil wordt door de jihadi’s omgebogen tot zelfmoordaanslagen op ongewapende burgers. Toegegeven, de vergelijking is wat onheus voor Vermeersch, maar zijn redenering is evengoed schokkend voor moslims. Het gaat om dezelfde interne contradicties, maar het is duidelijk dat de politieke theologen vandaag veel meer schade aanrichten dan de seculiere ideologen.


Die schade begint stilaan door te wegen op de achterban van de religieuze radicalen. De meeste slachtoffers van islamistisch geweld zijn moslims, zeker als Irak in de optelsom betrokken wordt. De duizenden bodybags en verminkte soldaten die uit Irak en Afghanistan terugkeren naar de VS knagen aan de missionaire overtuiging van Amerikaanse patriotten.

Het isolement waarin de theocraten Iran gemanoeuvreerd hebben, wordt vooral voor de armere en vrome Iraniërs stilaan ondraaglijk. Toch zal de geest van de religieuze politiek niet snel terug in de fles verdwijnen. Zolang honderden miljoenen mensen uitgesloten blijven van een menswaardig bestaan en zolang alle ideologieën die bevrijding beloven alleen nieuwe elites produceren, blijft de politieke boodschap vanuit het gebedshuis een aantrekkelijk alternatief.

Bovendien –en dat blijkt aartsmoeilijk te begrijpen voor ons– ervaren honderden miljoenen mensen hun relatie tot een transcendente werkelijkheid als een fundamenteel kenmerk van hun menszijn. Dat ontkennen of verdrukken, resulteert wellicht in een nog hardere overtuiging, in nog meer afstand van de instellingen.

Het klinkt voor Europeanen paradoxaal, maar het antwoord op religieuze politiek zou wel eens kunnen liggen in méér ruimte voor geloof in het openbare debat. Het is wonderlijk dat met name de christendemocraten dat niet willen inzien. In hun hopeloze streven de tijden tegen te houden en hun angstige kiezers gunstig te stemmen, laten ze zich op hun religieuze flank voorbijsteken door groenen en sociaaldemocraten. O tempora, o mores.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur