Raimon Panikkar: het leven is alles of niets

Hij is tachtig, spreekt twaalf talen, is doctor in de filosofie, theologie en de natuurwetenschappen. Aan de voet van de Pyreneeën, woont Raimon Panikkar, zoon van een Indiase vader en een Catalaanse moeder. Zijn driehonderd jaar oude huis in Tavertet ligt aan het einde van de wereld, maar tegelijk -zo vertellen de dorpelingen- komt die hele wereld bij hem op bezoek. Om te zien wat er leeft achter de glimlach van deze man. Om met hem een glimp van God op te vangen.
‘De meeste christenen zijn afgodendienaars. Ze maken beelden, ze vormen zich ideeën en noemen dat God.’ Het is van bij het begin van het gesprek duidelijk dat spreken met de jezuïet Panikkar nieuwe perspectieven opent: ‘Ik heb geen idee van God. Ik heb een ervaring die ik God noem in de taal waarmee wij ons uitdrukken. Er is niets anders. Die ervaring is het leven dat ik moet leven. Ik geef er mij rekenschap van dat het niet uit mezelf komt, het leven is mij gegeven. Je moet toch één symbool hebben, zoals de naam God. Maar dat moet worden uitgezuiverd.’ Alle nostalgie naar het veilige, zekere weten is voor hem uit den boze: ‘Waarom plaatste God bij de uitdrijving van Adam en Eva uit de Tuin een engel met een brandend zwaard aan de poort? Om te verhinderen dat de mens zou worden bekoord terug te keren naar het paradijs.’ Ook als interviewer ontdek ik dat maar geleidelijk aan in het gesprek.

Hoe ontmoette u God?

Ik heb God nooit ontmoet. God heeft mij ontmoet. Door mij niet te verstoppen, door transparant te worden. Door mijn hypocrisie af te leggen. Hypocrisie was het énige wat Jezus van Nazaret woedend maakte. Voor hoeren, tollenaars, bourgeois en zeloten toonde hij begrip. Maar niet voor de hypocrieten. ‘Die veroordelen zichzelf,’ zei hij.

God heeft u gevonden. Herinnert u zich ervaringen?

Neen. Vooreerst zijn ervaringen onuitsprekelijk. Bovendien herinner ik mij geen bliksemschicht zoals Paulus voor de poorten van Damascus. Het goddelijke in mijn leven is rustig, het heeft iets natuurlijks. Ik ben te oosters ingesteld om te denken dat de dingen gevonden kunnen worden door ze te zoeken. Het enige wat je kan doen, is hindernissen uit de weg ruimen, de ramen openhouden. Er bestaat een mooie legende van de Chinees Huang Po. Er was eens een man die naar God zocht. Overal keek hij rond maar hij vond niets of niemand. Hij begon te roepen en te klagen. Toen hoorde hij een stem van op een berg. Hij beklom de berg, tot op de top, maar hij ontdekte niets. De volgende dag klaagde hij nog luider en opnieuw hoorde hij de stem. Hij klom opnieuw de berg op, voor niets. Toen liet hij zijn armen hangen. Hij ging zitten in de vallei. En hij ontdekte dat de stem die hij hoorde, zijn eigen echo was.

Kan iedereen door God gevonden worden?

Dat is niet alleen mogelijk, maar noodzakelijk om waarachtig mens te zijn. Voor de een loopt die weg over tegenslagen, de dood van een kind of het missen van een bus. Voor de ander is de vreugde de weg. De vreugde is één van de hoofdwegen naar het goddelijke. Christenen zijn daar niet goed in. Zij maken het leven ingewikkeld, zij hebben schuldgevoelens. Terwijl wij verantwoordelijk zijn voor onze vreugde. Wij moeten onszelf vereenvoudigen. Ons leven opnieuw in evenwicht brengen.

Graag genoeg, maar deze tijd laat ons nog nauwelijks ademhalen.

Het probleem is essentieel religieus. Als je door een religieuze zoektocht de waarde van het leven niet in jezelf ontdekt, blijft er niet veel hoop over. Wij kunnen niet meer leven. Wij moeten werken, werken, werken. Maar de mens is niet gemaakt om te werken. De mens is gemaakt om te scheppen. Na de zondeval in de paradijstuin zei God dat de mens moest ‘werken’, maar eigenlijk staat er in het Hebreeuws: ‘scheppen’. Zijn arbeid was niet die van een dagloner, maar deze van een tuinier die leeft op het natuurlijke ritme van de tuin. De beschavingen die minder machines hebben, kunnen dat nog. Zij genieten van tijd in overvloed. Zij léven. Wij werden in het Westen opgezadeld met machines die ons tijd zouden besparen. En wij hebben minder tijd dan ooit!

Hoe overleven we dit?

Leef van vrede en van vreugde. Als ik erin slaag om mijzelf om te vormen, om mijzelf te vergoddelijken, word ik een icoon van het goddelijke. Hoe mooi zou dat niet zijn? Wij maken ons leven onnodig moeilijk. Laten wij stoppen met rennen, laten wij -bij wijze van spreken- te voet gaan. Zonder contemplatie, zonder stilte, zonder meditatie kan je geen authentiek leven leiden. Je kan geen twee heren dienen. De mammon … of het rijk van God en zijn komst. Zo eenvoudig is dat. Als het leven geen risico is, dan loont het de moeite niet. Brave pastoors vergemakkelijkten de zaak. Ze boden banaliteit aan: het zou volstaan om ‘s zondags naar de kerk te gaan. Neen, neen, het is alles of niets. Ik heb het niet over een aartsmoeilijk leven, voorbehouden aan de sterksten. Neen, het gaat mij om iets absoluut natuurlijks. Hoe natuurlijker, hoe bovennatuurlijker. God is geen hoogste wezen dat aan de andere kant woont. In Christus is dat duidelijk zichtbaar: in hem is alles goddelijk. Zijn lichaam, zijn gewoontes, zijn vermoeidheid: in hem was het goddelijke volledig. Daarom is het christendom de eenvoudigste weg naar God.

Moeten we daarom ons geloof uitdragen naar alle hoeken van de wereld?

Het concurrentiedenken tussen godsdiensten is ongezond. Vergelijkingen mag je maken. Maar vandaag is de grootste uitdaging voor het christendom dat het alle eigenwaan loslaat. Het theologische kolonialisme is niet meer te rechtvaardigen. De ongewapende en open dialoog is een religieuze daad. Het is een riskante onderneming omdat een echte dialoog mij kan veranderen. Je moet, zoals ik vroeger in India, aan de overkant van een cultuurgrens hebben gestaan om de verdenkingen en de argwaan tegenover christenen te begrijpen. (boos) Je kan geen dialoog beginnen met je zakken vol geld terwijl de anderen blootsvoets zijn en geen keurig Engels praten. De rancune van eeuwen kolonialisme is lang niet voorbij. De geschiedenis heeft haar geheugen. Verwonder je niet over de argwaan, de angst voor bedrog. De huidige interreligieuze dialoog vanuit katholieke hoek heeft meer van een strategie dan van een dialoog. Moeten na de harde tijden van de missionering de domoortjes van vroeger nu maar leren dialogeren? Dat is een geschiedenis als die van het paard van Troje. Dialoog vraagt om samenleven, hij gebeurt tussen mensen die zich wijzer laten maken door de ander en zichzelf tonen aan de ander. Het dwingt je aan een ander te vragen wie je bent om jezelf beter te leren kennen.

Veronderstelt zo’n dialoog ook een nieuwe ‘ethiek’?

Een goede vriend, een heilige pastoor, bidt soms: ‘En leid ons niet in de bekoring om altijd maar het goede te doen.’ Hij heeft gelijk. Kijk naar binnen, wees gelukkig met de anderen, en als je moet getuigen -zo zegt de meester uit Nazaret- ‘denk dan niet na over wat je moet zeggen, want dat zal je wel ingegeven worden’. Mijn geweten tilt mij uit boven mijn egoïsme. Ik leer niet wat het betekent het goede te doen door te luisteren naar wat anderen zeggen over God. Het christendom moet minder de godsdienst van het boek -de wetten- en meer de godsdienst van het woord -het leven- worden. Ethiek is geen geheel van regels. Aan de basis van alle ethiek ligt de liefde. Hou jij van je vrouw op bevel? Schreeuw jij: ‘Hou van mij!’ of moet ik jou toeschreeuwen: ‘Hou van haar!’? Het komt van binnenuit of het komt niet. En alles wat niet met liefde gedaan wordt, is geen ethiek. Eenvoudiger kan het niet. De meest revolutionaire daad van Jezus van Nazaret was het vernietigen van de wet. Dit is geen pleidooi voor libertinisme. Het vraagt om inzet. Als een mens wil overleven, moet hij daarvoor transcendentale stappen zetten. Dat is moeilijk. Maar het alternatief is de ondergang, de totale catastrofe. (indringend hard) Het Zuiden van onze planeet verliest het geduld. De migraties zijn een symptoom en een verwittiging. Wij kunnen niet meer ongestraft verder spelen. Er was al een atoombom. De afstand tussen rijk en arm groeit. De immoraliteit van de buitenlandse schuld is hemeltergend.

Waarmee moeten wij dan beginnen?

Er bestaan geen recepten. Wegen moet je gaan. Iedereen die wil, kan dat. Bemin en laat je dragen door de liefde. Laat je niet bedriegen door ideologieën die vrijheid beloven waar die niet te vinden is. Is mijn inzet voor anderen geen vrijheid? Is mijn dagelijkse werk geen kunstwerk, iets dat ik doe omdat ik het graag doe? Moet jij worden getroost met een cheque op het einde van de maand? Wij verloren het gevoel dat de mens de kunstenaar is van zichzelf en van de schepping. In welke scholen wordt die ware kunst nog aangeleerd?

In de school van de nieuwe mystiek, misschien?

Ik leer veel van mystici. Ik luister. Ik open mij voor de genade, zodat de goddelijke aanwezigheid mij kan overstromen. Ik probeer mij bewust te worden dat ik alles gekregen heb. Van God, van een bron, van een vader of moeder van het leven. Plotinos zei al: ‘Als je jezelf kent, ken je God.’ En dat moet je volstaan: jezelf kennen, zo goed als je God kent. Ik tracht te leven in dat grote mysterie waarvan God een icoon is. Zonder contemplatie kan je niet leven. Afstand nemen, stil zijn, luisteren, rustig zijn, vrede voelen. Dat alles staat niet haaks op inzet en activiteit. Eén van de grote mystici, Teresa van Avila, werd door haar tegenstanders een ‘onrustig en drukdoend vrouwmens’ genoemd.

U kreeg al tachtig levensjaren en heel wat talenten om tot zoveel wijsheid te komen. Het is niet iedereen gegeven.

Wat aan mij gevraagd werd, wordt niet aan een ander gevraagd. Iedereen krijgt voldoende talenten. Daarmee kan je een kunstwerk maken. Dat wordt dan wat het wordt. Voor sommigen verloopt dat met hindernissen. Ontdek wat er binnenin jou aan schatten zit. Het gaat om de liefde. Wie ben ik om te zeggen wat een goed leven of een minder goed leven is? Waarom zou ik op iemand jaloers zijn? Iedereen maakt zijn leven zo vol mogelijk. Ik kreeg vijf talenten en jij misschien drie. Het gaat toch niet op om te zeggen: leen er mij één of twee? Moet een rode bloem jaloers zijn op een gele? Zo voed je depressies. Waarom niet dankbaar zeggen: ik ben een vat vol genade? Ik kan de wereld niet veranderen, ik kan mijzelf veranderen. Door mezelf te veranderen, draag ik het meeste bij tot de verandering van de wereld. Wij moeten strijden voor Gods rijk van gerechtigheid. Hij die daar niet voor leeft, leeft niet. Mijn talenten heb ik niet voor mezelf gekregen, ze dragen bij tot het voltooien van de wereld. Ik heb niet genoeg aan mijn eigen leven, ik deel het met anderen, met vrienden, met mensen rondom. Ik ben een knooppunt, een verbindingspunt van relaties. Hoe meer persoonlijkheid ik heb, hoe verder ik reik tot aan andere knooppunten. Hoe langer ik leef, hoe meer leven ik heb. Hoe dichter ik bij God ben. Ik ben uitgenodigd aan het banket van het leven.

Aan veel mensen wordt dat banket voortijdig ontzegd.

Weet jij niet dat het leven eindig is? (lacht) Weet jij niet dat je kan sterven als je hier buitengaat? Dat je kan verongelukken? (alsof hij panikeert) Moet ik bang worden? De dood is iets natuurlijks. Vele beschavingen vrezen de dood niet. Ze vrezen wel de pijn die de dood begeleidt. Maar als de dood komt, is het lijden voorbij. Ik leef niet naar de dood, ik leef voor het leven. Wil jij zeggen dat naarmate ik ouder word, ik dichter bij de dood sta? Geen denken aan. Als mijn leven een lange autoweg zou zijn, die mij tot 80 jaar en dan naar de hemel zou voeren, dan is het einde halfweg natuurlijk een drama. Maar wie zegt dat ons leven een autoweg is? Dat is toch een puur economische interpretatie van de levenstijd? Als ik vandaag ten volle leef, kan ik vóór het slapengaan zoals de monniken bidden: ‘Laat nu, Heer, uw dienaar in vrede heengaan.’ Dat is dan genoeg. Morgen wordt het een andere dag met nieuwe verrassingen. Ik wil het lijden niet minimaliseren. Zeker niet het lijden van een ander. Maar dat wij sterfelijk zijn, wisten we al. Het lijden maakt ons aandachtig voor de transcendentie. Het opent voor ons de deur tot het bewustzijn van onze onwetendheid, wij leren dat wij niet alles kunnen weten of begrijpen.

Maar het is onrechtvaardig te jong te sterven.

Wie zegt dat? Het is onrechtvaardig wanneer ik vijf miljoen peseta’s bezit en jij slechts twee miljoen. Maar waarom zou de dood te vroeg komen?

Omdat een mensenleven 60, 70 en zelfs 80 jaar mag duren om het te voltooien.

Het is geen onrecht als een kind van vijf sterft. Al zal ik protesteren en vechten wanneer kinderen moeten sterven op vijf jaar omdat ze ondervoed zijn. Sterven van de honger is wél een onrecht. Maar existentieel gesproken heeft dat kind zijn leven niet ‘gemist’. Ik kan op mijn tachtigste niet meer zo hoog springen, maar ik heb andere ervaringen. Wij zijn jaloers. We zeggen: ‘Dat zijn rijken, dat zijn Amerikanen, dat zijn blanken. Ik wil mooi zijn en veel weten.’ Ik, ik, ik. Laat dat ‘ik’ los. Laat dat ‘ik’ los. Enkele dagen geleden stond hier een vrouw uit het dorp: ‘Waarom moest míjn zoon nu sterven?’ Ik antwoordde haar een beetje wreed: ‘Weet je dat er elke dag op de wereld miljoenen kinderen sterven?’ ‘Maar dat zijn de mijnen niet!’ schreide ze. ‘Nee, niet die van jou. Jouw zoon is de zoon die het dichtste bij jou staat. Om hem lijd jij het meest. Maar waarom wanhopen? Is dit onrecht? Neen. Zo gaat een mensenleven nu eenmaal. Wij kunnen het leven alleen een beetje veranderen, een beetje verbeteren, elke dag, elk van ons.

En na de dood?

Ik geloof in de verrijzenis in elk ogenblik dat ik sterf aan mezelf. Mijn eeuwig leven kan hier, elke dag gebeuren. De eeuwigheid komt niet later. De verrijzenis gebeurt hier en nu, met deze beenderen, met dit bloed. De verrijzenis is de christelijke belofte aan al wie zichzelf weggeeft. Eeuwig leven is slechts een beeld. Wij zijn allemaal druppels water die in het water zullen vallen. Plop. En dan niets meer. Maar het water van de druppel blijft bestaan. Mijn leven lang krijg ik de kans om te ontdekken dat ik water ben. Dat water zal niet verdwijnen. Het water van de druppel breekt alle grenzen en beperkingen die verhinderden dat de druppel de hele oceaan omhelst. Aan wie angst voelt voor de dood, zeg ik dat zij vallen in de armen van God, in de armen van Abraham. In de zee waarin de vorm van je ik verdwijnt, maar waarin je wezen blijft bestaan. Hoe dat zal zijn? Dat weet ik niet. Is het niet fantastisch te kunnen zeggen dat alle lijden zal verdwijnen en dat wat ik werkelijk ben, blijft? Wij hoeven de dood niet te vrezen. Ik kan vandaag ontdekken dat ik eeuwigheidswaarde in mij draag, dat mijn leven niet eindigt bij mijn vingertoppen of bij mijn geest.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift