Ramsey Nasr. Een nieuwe definitie voor engagement

Nu hij Antwerps stadsdichter is, wegen de meningen van Ramsey Nasr eens zo zwaar door als toen hij nog gewoon een schrijver van schitterende dichtbundels als Onhandig bloesemend was. Maar kunnen dichters met hun poëzie zelf het verschil maken? Jazeker, zegt de Hollands-Palestijnse Antwerpenaar. ‘Alleen moet onze samenleving daar opnieuw aan wennen.’
‘Dichters en poëzie kunnen heel veel betekenen voor de samenleving. Dat wordt ook meteen duidelijk als je het Westen even niet als de maat der dingen beschouwt. De Palestijnse poëzie, bijvoorbeeld, heeft meestal gedraaid om de liefde voor de natuur of voor bepaalde plekken. Maar de tweede of derde generatie die verbannen is of die het dorp niet meer uit mag, die kent die plekken niet meer, die schrijft over imaginaire plekken.
Zij schrijven nu liefdespoëzie met het abstracte landschap als onderwerp. Het wordt haast bijbelse poëzie, uittochtpoëzie. Het gevaarlijke aan zo’n evolutie is dat de mens en dus ook de menselijkheid verdwijnt uit de poëzie. Ik las onlangs een gedicht van een jongen uit Ramallah. Dat was zo’n onwerkelijk serene poëzie voor iemand die in het geweld van de bezetting woont, dat ik het eng vind. Als je de wereld zo uitdrukkelijk buiten je poëzie houdt, dan wordt een gedicht gevaarlijk. Ik denk dan: die jongen staat op barsten of ontploffen.
Maar uiteindelijk is het de lezer die bepaalt of een gedicht politiek of gevaarlijk is. In Palestina bracht ik een voorstelling over een jongen die behoorlijk gefragmenteerd is, die er niet in slaagt uit zijn verschillende ervaringen één geheel te maken. Een van de gedichten in die voorstelling gaat over een jongen en een meisje die in het water staan. Zij kunnen niet zonder elkaar, maar het leven met elkaar lukt ook niet. Om de andere de pijn van de scheiding te besparen, krabt de ene achtereenvolgens de ogen, de oren enzovoort bij de andere uit. Mensen reageerden allemaal heel erg emotioneel en achteraf vernam ik dat voor hen de voorstelling van begin tot einde over de relatie Israël-Palestina ging. De twee geliefden die elkaar kwetsen en uit elkaar gaan, dat kreeg een heel politieke lading voor het publiek. In eerste instantie was ik kwaad, omdat ik vond dat ze mijn poëzie niet begrepen hadden. Daarna bedacht ik dat ik niet degene ben die moet uitmaken wat de lezer leest of de luisteraar hoort. De dichter is vaak het slechtst geplaatst om uit te maken waarover zijn gedicht gaat.’
***
‘In Indonesië slagen dichters als Rendra of Sardjono er soms in om mensen in opstand te doen komen. Tijdens een poëzietournee trad ik samen met deze twee dichters op in Solo, waar Sardjono een gedicht declameerde dat gedragen wordt door een bijna rituele herhaling van het adjectief “vals”. De universiteit is nep, de diploma’s zijn nep, de economie is corrupt, de staat is corrupt, dat is zowat de inhoudelijke lijn van het gedicht. De bijna tweeduizend studenten in het auditorium scandeerden het woord palsu, wat vals betekent in het Bahasa. De leiding van de universiteit, die ons eerst als koningen ontvangen had, wist dat dit gedicht ook over hen ging en stond er maar schaapachtig bij. Op zo’n moment wordt die massa van tweeduizend jonge mensen een monster, een kracht die niet meer in de hand te houden is. Het gedicht is niet te scheiden van zijn politieke inhoud.
Die avond las ik ook een gedicht voor over een oude man die waakt bij zijn stervende vrouw. Op een bepaald moment zit daar de zin in: ‘Die Jezus Christus, hij beloog ons, mooike, net als iedereen die jong gebleven en alleen heeft leren leven, zonder ruggenboog.’ Voor mij gaat dat over een man die op dat moment geen troost kan vinden in de religie. Ik las het gedicht eerst voor in het Nederlands en bij die passage viel er plots een doodse stilte. Toen ik het in vertaling las, steeg er een enorm gejuich op uit de zaal. Voor de studenten was het duidelijk dat ik tegen mijn eigen Westen streed en dat ik de islam tot de enige ware godsdienst uitriep. Dat had te maken met de gespannen politieke situatie in Indonesië, maar ook met het feit dat het Israëlisch leger net de avond tevoren in het dorp van mijn vader binnengevallen was -en Rendra had daarom in de inleiding het publiek gevraagd te bidden voor mijn vader. Je hebt, met andere woorden, nooit controle over de betekenis van je gedicht.’
***
‘Tot een jaar of tien geleden was het woord engagement een vies woord voor wie met poëzie te maken had. Vandaag niet meer. Sinds 11 september 2001 kan je ook niet volhouden dat je als dichter buiten de geschiedenis moet of kunt staan. Het komt er nu vooral op aan een nieuwe definitie te vinden voor engagement. Vroeger betekende het partij trekken. Dat is vaak fout gelopen, want de ideologie waarvoor schrijvers dan partij trokken, bleek achteraf verantwoordelijk voor strafkampen, verbanningen of onvrijheid. Vandaag betekent engagement in de poëzie dat je in de wereld staat en rondkijkt, dat je betrokkenheid opbrengt voor wat er met de wereld en de mensen gebeurt, dat je de stemmen van de verschillende betrokkenen laat weerklinken in de taal van het gedicht.
Ik denk niet dat dichters meteen op het vliegtuig naar Irak of Palestina moeten, maar ik kan me ook niet voorstellen hoe je Irak volledig buiten je belevingswereld kunt houden. Een dichter ademt toch ook de lucht in die vandaag onze atmosfeer vult. Een gedicht moet een hart en organen hebben, benen om op te lopen, kloten aan zijn lijf, het moet ademen. Dat hoeft geen politieke poëzie op te leveren, ik pleit zelf nogal voor de naïviteit tegen het cynisme van de keiharde wereld waarin we leven. Kunstenaars hebben nu eenmaal niet het patent op moreel besef.
Met andere woorden: laat de kunstenaar asjeblief heel erg betrokken zijn op de wereld, maar laat hem of haar maar liever geen partij kiezen. Sartre, bijvoorbeeld, is wel een van de grote Franse schrijvers, maar in de politieke arena heeft hij dingen gezegd waarvoor hij zich achteraf kapot had moeten schamen.’

***
‘Poëzie moet niets, maar van mijn eigen poëzie wil ik wel dat ze een band heeft met de belevingswereld van de mensen die haar moeten lezen. Ik probeer poëzie te schrijven die niet alleen een grote betrokkenheid heeft op de wereld, maar die ook een impact zoekt op die wereld. Daarom heb ik bijvoorbeeld het gedicht Mijn symptomenland geschreven, na de zevende doodsbedreiging aan de directeur van Remmery. ‘Dag naima dag rik, ik bezit mijn schaamte nog nauwelijks, ik bezit / pijn in mijn aangezicht, smaak van metaal en kaakklem, ziek ben ik / van skeletpijn, blindheid en zwarte aanslag en toch, geen schamen is het / geen kwik: ‘t is de zilveren ochtendmond van een nieuw vrij vlaanderen.’ Zo’n gedicht deed sommige mensen wat, merkte ik aan de reacties.
Ook het tweede stadsgedicht, dat ik schreef naar aanleiding van de opening van de nieuwe stadsbibliotheek in Antwerpen, werd warm ontvangen door de mensen uit de buurt van het De Konincksplein. Alsof ze echt dankbaar waren dat er eens iets over hun leven en hun wijk gezegd en geschreven wordt. En stel, puur hypothetisch, dat ook de Annemansen van deze stad het geen slecht gedicht vonden, moet ik daar dan rouwig om zijn? Ik weet het niet. Poëzie kan zich meer permitteren dan de politiek. Gedichten hoeven zich niet aan een cordon sanitaire te houden en kunnen dus over politieke of maatschappelijke breuklijnen heen mensen beroeren. Een gedicht is immers altijd meerduidig en het verzet zich tegen de eendimensionale lezing van eender welke ideologie. In die zin kan poëzie aanzetten tot twijfel en nuance, op voorwaarde dat de lezer daarvoor open staat.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur