Regering-Chávez op de knieën voor IMF

De Venezolaanse regering heeft beslist de hulp in te
roepen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en andere internationale
instellingen om de economische crisis in het land te boven te komen. De
voorbije drie jaar had president Hugo Chávez zijn kritiek op die
‘neoliberale’ mastodonten niet gespaard, maar onder druk van de nieuwe
minister van Financiën Tobías Nóbrega heeft zijn regering het geweer nu van
schouder veranderd. De besparingsmaatregelen die Chávez in februari al
aankondigde, worden geherlanceerd.


Nóbrega verklaarde maandag dat de regering voor steun had aangeklopt bij de
Wereldbank, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) en de Andijnse
Maatschappij voor Vooruitgang - dat is de financiële arm van de
Andes-gemeenschap. Op 9 juni zal ook een IMF-delegatie Venezuela bezoeken.
Die nieuwe beleidskeuze moet de economie stevige impulsen geven, jobs
creëren en zo de armoede helpen bestrijden. Concreet is de regering-Chávez
op zoek naar vier miljard euro aan externe financiering. Zij overweegt
volgens Nóbrega ook Venezolaanse openbare fondsen die in het buitenland
geïnvesteerd zijn, te herinvesteren in eigen land.

Nóbrega, professor aan de Centrale Universiteit en voormalig
parlementsadviseur, werd op 6 mei tot minister van Financiën benoemd, samen
met minister van Planning Felipe Pérez, die een doctoraat heeft van de
University of Chicago en lesgaf aan het Instituto de Estudios Superiores de
Administración., een privé-instelling. Ook voor het ambt van minister van
Productie en Handel overweegt Chávez iemand uit de privé-sector aan te
stellen. De verschuivingen in het kabinet kaderen in de poging van de
president om na de mislukte staatsgreep van 12 tot 14 april een verzoenende
dialoog te openen.

Het nieuwe economisch team blijkt alvast een andere koers te varen dan het
team van voor de coup, dat zich fier distantieerde van elk neoliberaal
economisch beleid. Nóbrega pleit voor financiële orde, een gedisciplineerd
begrotingsbeleid en de afschaffing van inefficiënte belastingen ten einde
de armoede structureel te verminderen. Het begrotingstekort, dat door
analisten voor dit jaar op meer dan acht miljard euro wordt geschat, moet
dringend omlaag. De nieuwe minister stelt ook een volledige doorlichting van
de openbare financiën in het vooruitzicht, waaruit de gepaste maatregelen
gepuurd kunnen worden. De economische dip tijdens de eerste maanden van dit
jaar wijt hij aan inkrimpingen in privé-sector en vermindering van de
olie-inkomsten.

Intussen lijkt het de regering-Chávez menens met die verzoenende dialoog.
De nieuwe maatregelen werden besproken met een aantal organisaties die
voorheen compleet genegeerd werden, zoals de leidende werkgeversorganisatie
Fedecámaras en de grootste Venezolaanse vakbond, de Confederatie van
Venezolaanse Arbeiders (CTV). Nóbrega heeft hun beloofd dat er geen
draconische structurele hervormingsmaatregelen komen. Wel worden de fiscale
maatregelen opgevist die Chávez al in februari aankondigde, maar die door de
sociale onrust en de politieke crisis niet doorgezet konden worden. Het gaat
om een aantal belastingverhogingen, besnoeiingen in de openbare uitgaven en
de herinvoering van een vlottende lokale munt. De regering hoopt door beter
overleg met het middenveld die noodzakelijke hervormingen lichter
verteerbaar te maken.

Toch tonen sommige waarnemers zich erg sceptisch over het nieuwe beleid.
Rodrigo Cabezas, voorzitter van de parlementaire commissie Financiën en lid
van de meerderheid, houdt bijvoorbeeld zijn hart vast bij de verhoging van
de brandstofprijzen die de regering overweegt. Die prijzen liggen heel
gevoelig in dit olieproducerende land, waar een liter benzine amper 9
eurocent kost, minder dan een fles water. In 1989 leidde verhoging van de
benzineprijs tot straatprotesten en rellen waarbij volgens
mensenrechtengroeperingen duizend doden vielen. Ook CTV-adviseur Oscar Meza
wijst op de explosieve toestand: De sociale situatie is een snelkookpan
onder hoge druk waarop de overheid zit.

Volgens officiële cijfers heeft bijna de helft van de Venezolaanse gezinnen
een maandelijks inkomen dat lager is dan 220 euro, terwijl een voorraad
levensmiddelen waarmee een gezin één maand kan rondkomen driehonderd euro
kost. De werkloosheid is vorig jaar tot vijftien procent gestegen, en zestig
procent van de bevolking die werk heeft, is aan de slag in de informele
economie, voor een laag loon en zonder bescherming van sociale zekerheid of
andere voordelen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift