Regering voelt niets voor 0,7 procent ontwikkelingshulp

De Britse regering lijkt niet van plan in te gaan op
de hernieuwde vraag van de talrijke ontwikkelingsorganisaties in het land om
0,7 procent van het Britse bruto binnenlands product (bbp) te besteden aan
hulp voor Azië, Afrika en Latijns-Amerika. De regerende Labour-partij had
die belofte vorig jaar net als de twee grote oppositiepartijen in haar
verkiezingsprogramma opgenomen. Zowel de Britse overheid als de grote ngo’s
in het land zijn toonaangevend bij het denken over ontwikkelingsbeleid en de
aanpak van concrete ontwikkelingsproblemen, maar de hulporganisaties vinden
dat hun regering ook de bakens moet durven verzetten voor wat het volume van
de hulp betreft.


Het principe dat rijke landen minstens 0,7 procent van hun bbp aan
ontwikkelingshulp zouden moeten besteden, werd al in de jaren 70 door de
Algemene Vergadering van de VN goedgekeurd. Naar aanleiding van de
conferentie over milieu en ontwikkeling in 1992 in Rio de Janeiro
hernieuwden een aantal rijke landen hun -vage- beloftes om naar die 0,7
procent toe te werken, en dat deden ze nog eens over bij de conferentie over
de Financiering van Ontwikkeling die in maart van dit jaar in het Mexicaanse
Monterrey plaatsvond. De landen van de Europese Unie raakten het vlak voor
de top van Monterrey in Barcelona eens over een belofte om tegen 2006
gemiddeld 0,39 procent van hun bbp aan ontwikkelingshulp uit te geven, en
zeker niet minder dan 0,33 procent.

De Britse ontwikkelingsorganisaties vinden dat hun land het voortouw moet
nemen om de ontwikkelingsbijdrage van de landen van de Europese Unie sneller
op te trekken in de richting van de 0,7. Slechts vier kleine EU-landen halen
dat streefdoel nu al: Denemarken, Nederland (met 0,82 procent), Luxemburg en
Zweden. De zwaargewichten uit de unie doen het veel slechter: Frankrijk
haalde in 2001 0,34 procent, Groot-Brittannië 0,32 procent, Duitsland 0,27
procent en Italië 0,14 procent. België besteedde in 2001 0,37 procent van
zijn bbp aan ontwikkelingssamenwerking

Minister van Financiën Gordon Brown heeft tot hiertoe de kaken op elkaar
gehouden bij vragen naar de Britse positie rond de 0,7 - hij weigerde zelfs
concreet te worden in een gesprek dat hij dinsdag had met een parlementaire
commissie die in juli een adviesrapport over de toekomst van de Britse
ontwikkelingssamenwerking moet afleveren. Pas na de publicatie van dat
rapport wordt verwacht dat Brown bekend zal maken hoeveel Britse overheid de
komende jaren aan ontwikkelingshulp zal besteden. Actievoerders vrezen dat
de doelstelling van 0,7 procent een verre droom zal blijven.

Op de Britse volksvertegenwoordigers heeft de druk van de
ontwikkelingsorganisaties meer effect. De 11 parlementsleden in de commissie
- die afkomstig zijn uit de drie grote partijen in het land - hebben samen
met 278 van hun collega’s uit het Lagerhuis een motie ondertekend waarin ze
de doelstelling ondersteunen 0,7 procent van het bbp uit te trekken voor
ontwikkelingshulp. De 11 leden van de commissie hebben ook de hoop
uitgesproken dat Londen in elk geval verder zal gaan dan het gemiddelde van
0,39 procent waartoe de EU-lidstaten zichzelf in Barcelona hebben verplicht.


Brown heeft ook nog niet veel concreets laten horen over eventuele
alternatieve wegen om de internationale ontwikkelingshulp op te trekken - de
openbare ontwikkelingshulp vertoont de laatste jaren immers de neiging te
dalen. De Britse overheid heeft eerder de idee gelanceerd van een
Internationaal Trustfonds voor Ontwikkeling. Daarin zou volgens Brown 50
miljard dollar moeten terechtkomen - ongeveer evenveel als alle rijke landen
jaarlijks aan ontwikkelingssamenwerking uitgeven. Het geld zou onder meer
worden gebruikt om meer middelen uit de privé-sector en uit andere bestaande
fondsen te kanaliseren naar de landen van het zuiden. Maar dinsdag
verklaarde Brown dat het nieuwe fonds maar één van de mogelijkheden is die
de Britse overheid onderzoekt. Critici vrezen dat het voorstel daarmee al
half begraven is.

De Britse minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Clare Short, wil vooral
een einde maken aan de gebonden hulp - financiële steun die door de
ontvangende landen alleen mag worden besteed aan goederen en diensten uit
het donorland. Volgens haar kan het rendement van de
ontwikkelingssamenwerking daardoor met 12 tot 20 procent stijgen. Maar voor
de ngo-actievoerders lijkt de aandacht voor dat thema er toch weer op te
wijzen dat de regering niet echt wil nadenken over een substantiële
verhoging van de hulp.

De campagne van de Britse ontwikkelingsorganisaties voor meer geld voor
ontwikkeling wordt ook gesteund door kerkelijke groepen, vakbonden en
studentenverenigingen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift