Religieuze machtspolitiek in de islamitische wereld

Begin 2013 zorgden aanslagen in Quetta (Pakistan) en Bagdad (Irak) meteen voor honderden doden in een aanslepend conflict tussen sjiieten en soennieten. Intussen is het geweld in Irak opgelaaid tot het niveau van een burgeroorlog en krijgt de opstand in Syrië ook steeds nadrukkelijker een sektarisch karakter.  Hoe reëel is dit conflict tussen soennieten en sjiieten? En welke vorm krijgt het in verschillende landen? MO* zet de feiten op een rijtje in een uitgebreid achtergronddossier.

1.    De oorsprong van het schisma: de opvolgingskwestie van de profeet

De tegenstelling tussen soennieten en sjiieten draait rond de vraag wie de rechtmatige opvolger van de profeet Mohammed is. Toen de profeet stierf in 632 werd Aboe Bakr, een dichte metgezel van de profeet, verkozen als eerste ‘rechtsgeleide’ kalief of rashidun. Hij had gedurende een korte regeerperiode het religieuze en politieke gezag over de gelovigen in handen. Maar in 634 werd hij opgevolgd door Oemar ibn al-Chattaab.

Deze werd in 644 vermoord en opgevolgd door Oethmaan ibn Affaan, die op zijn beurt vermoord werd in 656 door een groep moslims die ervan overtuigd was dat Ali ibn Abi Talib, de schoonzoon van de profeet, zijn plaats moest innemen omdat deze, als bloedverwant van de profeet, ook zijn charisma zou hebben geërfd. Bovendien vonden zijn aanhangers dat Oethmaan er niet in slaagde de standaarden van de Koran na te leven.

Maar in 661 werd Ali vermoord en greep een provinciegouverneur de macht. Een groep tegenstanders -de sjia of aanhangers van Ali- vond dat de heerschappij toekwam aan de afstammelingen van Ali.
In tegenstelling tot de sjiieten, geloofden de soennieten dat de profeet moest worden opgevolgd door zijn meest bekwame en toegewijde metgezel, zoals Aboe Bakr en zijn opvolgers -de eerste drie kaliefen na de profeet.

De soennieten vinden dat alleen zij de soenna of traditie van de profeet en van de oorspronkelijke islam in ere houden. Zij zien zichzelf ook als de behoeders van de eenheid in de moslimgemeenschap –de oemma.


2.    De cijfers

Volgens Vali Nasr, auteur van The Shia Revival (2006), zijn tien tot vijftien procent van de moslims wereldwijd sjiieten of tussen de 130 en 200 miljoen mensen, maar in het islamitische hartland tussen Libanon en Pakistan leven grosso modo evenveel sjiieten als soennieten, en rond de geostrategisch gevoelige regio van de Perzische golf is tachtig procent van de mensen sjiitisch. Dat betekent dat een duidelijke meerderheid -85 tot 90 procent- van de moslimgemeenschap in de wereld soenniet is. Maar de verhouding tussen de sjiieten en soennieten verschilt sterk van land tot land.

Libanon

soennieten: 1 miljoen inwoners; sjiieten: 1,6 miljoen inwoners; andere: 1,7 miljoen     inwoners
In Libanon vormen de sjiieten de grootste groep. Ze werden er lange tijd onderdrukt, maar de laatste jaren winnen ze aan macht. In het begin van de jaren tachtig verscheen de Hezbollah –de partij van God- op het politieke toneel. Deze sjiitische militie is sterk geïnspireerd en gesteund door de Iraanse revolutie en het alawitische regime in Syrië. Hezbollah verkreeg aanzien en macht in Libanon door zijn effectieve verzet tegen de Israëlische bezetting en de aanvalsoorlog van 2006.

Tot op heden wordt Hezbollah door de Europese Unie erkend als politieke partij, ondanks het feit dat de Verenigde Naties waarschuwen voor het gewapend verzet van de organisatie en ondanks het aandringen van de VS op het label “terroristische organisatie”.

Saoedi-Arabië

soennieten: 25,2 miljoen inwoners; sjiieten: 2,8 miljoen inwoners; andere: 0 miljoen inwoners
In Saoedi-Arabië zijn de soennieten in de meerderheid. Met Mekka en Medina, vormt Saoedi-Arabië het hart van de islam. Het land kent een soennitische staatsgodsdienst, die de wahabitische overtuigingen (infra) oplegt. De koran en de sharia -de islamitische wetgeving-  vormen de basis voor de grondwet.

Al vanaf de Iraanse Revolutie een sjiitisch regime aan de macht bracht in Teheran is Rhiyad aan een grootscheepse campagne ter verspreiding van zijn soennitische staatspolitiek bezig. Sinds de val van Saddam Hoessein (Irak) in 2003, en de daaruit voortvloeiende verschuivingen van de regionale machtscentra in het voordeel van Iran, heeft Saoedi-Arabië zijn blik op de wereld- en in de eerste plaats ten aanzien van Iran en haar eigen sjiitische bevolking –aangepast.

Zo is Saoedi-Arabië het Bahreinse regime te hulp geschoten met militaire hulp, mede om te voorkomen dat de sjiitische minderheid in eigen land zich ook zou manifesteren. Ook in Libanon en Israël heeft Saoedi-Arabië zich al ingemengd en in Pakistan biedt het steun aan militanten.

Bahrein

soennieten: 0,4 miljoen inwoners; sjiieten: 0,9 miljoen inwoners; andere: 0 miljoen inwoners
In Bahrein wordt de sjiitische meerderheid onderdrukt door het soennitische minderheidsregime van al-Khalifa, de koninklijke familie van Bahrein. De vreedzame antiregeringsprotesten worden er bloedig onderdrukt door het regime en er zijn al veel slachtoffers gevallen. De grootste oppositiepartij al-Wefaq wordt er door het regime van beschuldigd Iran en Hezbollah te steunen in plaats van het Bahreinse volk.

Verenigde Arabische Emiraten

soennieten: 6,4 miljoen inwoners; sjiieten: 1,2 miljoen inwoners; andere: 0,3 miljoen inwoners
De meerderheid van de bevolking in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) is soennitisch. De meeste zijn aanhangers van de Maliki traditie, de wahabitische stroming, of de Sjafi rechtsschool (infra). In de grondwet wordt de islam vastgelegd als de officiële godsdienst van de zeven emiraten en er wordt streng toegekeken op de naleving. De imams van de soennitische moskeeën worden aangesteld door de regering. De moskeeën van de sjiitische minderheid in Dubai en Sharjah worden niet door de overheid gecontroleerd.

Syrië

soennieten: 15,4 miljoen inwoners; sjiieten: 3,3 miljoen inwoners; andere: 2,1 miljoen inwoners    
In Syrië is de politieke macht, onder leiding van President Bashar al-Assad, in handen van de alawieten (infra), die slechts een minderheid van de bevolking uitmaken. Alawieten beoefenen een weinig gekende vorm van de islam, maar hun overtuigingen komen sterk overeen met die van de sjiieten. De oppositie is momenteel geconcentreerd in centra van de soennitische meerderheid, zoals Homs, en wordt bloedig onderdrukt door het minderheidsregime. Assad onderhoudt ook sterke relaties met Iran en de sjiitische beweging Hezbollah in Libanon.

De opstanden tegen Assad hebben de tegenstelling tussen de alawieten en soennieten in Syrië nog versterkt. De spanningen zijn van politieke oorsprong: Assad plaatst voornamelijk alawieten in topposities in zijn leger, terwijl de meerderheid van de rebellen van het Vrije Syrische Leger soennieten zijn.

Turkije

soennieten: 64,8 miljoen inwoners; sjiieten: 8,8 miljoen inwoners; andere: 0 miljoen inwoners
In Turkije vormen de soennieten de meerderheid. Turkije is een seculiere staat en probeert sektarische spanningen tussen soennieten en sjiieten te voorkomen. De Turkse premier, Recep Tayyip Erdogan, onderhield ook goede relaties met de leiders van Turkije’s buurlanden, ook al zijn ze sjiitisch of alawitisch. Toch zijn de relaties met Syrië, Irak en Iran erop achteruitgegaan omwille van sektarische spanningen. In Syrië steunt Turkije momenteel de soennitische oppositie.

Het islamitisch model van de Turkse regeringspartij van premier Erdogan, de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP), heeft landen die in de ban raakten van de Arabische Lente geïnspireerd. Maar er komt steeds meer kritiek op de partij. Mohammed Noureddine, Libanese journalist en expert in Turkse zaken, zegt dat Turkije –de AKP- de rechten van sjiieten nog steeds niet erkent. Eind vorig jaar protesteerden duizenden Turkse alawieten van verschillende Europese landen tegen de discriminatie.

In de Turkse krant Zaman bekritiseerde de Turkse schrijver Ali Bolach het feit dat de AKP de gewapende oppositie in Syrië steunt. En volgens Senem Aydin-Duzgit, coördinatrice van het Centrum voor Europese beleidsstudies in Istanbul, kan Turkije pas een model zijn voor andere landen in het Midden-Oosten als het volgens het Europese pad evolueert.

Een andere minderheid in Turkije zijn de alevieten. De alevieten zijn een zijtak van de sjiitische islam en worden vaak verward met andere sjiieten. Het alevitisme is een humanistisch geloof, waarbij de mens centraal staat. Hoewel zij veel gemeen hebben met sjiieten, zijn er veel onderlinge verschillen. Net als sjiieten vereren zij Ali, maar alevieten volgen een eigen interpretatie van de Koran, waardoor sjiieten hen niet als moslims beschouwen. In Turkije werden zij dan ook lange tijd gediscrimineerd en vandaag de dag worden hen nog steeds minder rechten toegekend dan soennieten. Alevieten mogen niet verward worden met alawieten in Syrië (supra), hoewel er wel gelijkenissen zijn in hun geloofsovertuigingen.

Irak

soennieten: 11,6 miljoen inwoners; sjiieten: 20,8 miljoen inwoners, andere: 0,7 miljoen inwoners
In Irak werd de sjiitische meerderheid jarenlang gediscrimineerd door de soennitische minderheid. Saddam Hoessein en zijn aanhangers behoorden tot de soennieten. Het grootste deel van de soennieten in Irak woont aan de Eufraat en de Tigris, ten noorden van Bagdad. Naar deze regio wordt ook wel verwezen met de term ‘de soennitische driehoek’.

Hoewel zij geen politieke partijen vormen, hebben hun publieke uitspraken en fatwa’s — formele opinies of beslissingen betreffende de islamitische wetgeving- veel invloed op de publieke opinie. Kort na de val van het Hoessein-regime richtten enkele soennieten de Associatie van Moslimgeleerden in Irak (AMSI) op. Deze organisatie werd ervan verdacht banden te hebben met de extremistische islamitische terreurorganisatie, al-Qaeda.

Iran

soennieten: 7,5 miljoen inwoners; sjiieten: 66,6 miljoen inwoners; andere: 0,7 miljoen inwoners
In Iran vormen de sjiieten de meerderheid. De huidige grondwet van de Islamitische Republiek voorziet in een verkozen president –op dit moment Mahmoud Ahmedinejad– en een verkozen parlement –de Majlis– waarin de soevereiniteit van het Iraanse volk uitgedrukt wordt. Daarnaast is er echter een parallel machtssysteem dat vaak interfereert met het eerste. Dat tweede, ook door de grondwet voorziene systeem, is gebaseerd op de alleenheerschappij van God. De Opperste Leider –ayatollah Khamenei– heeft hierin het laatste woord, als bewaker van de juiste islamitische rechtspraak. Sommigen beschouwen hem als de plaatsvervanger op aarde van de Vermiste Imam.

Het feit dat Mohamed Khatami, president van 1997-2004, de beloofde hervormingen niet kon realiseren, ondanks de enorme steun van het electoraat, was vooral te wijten aan de obstructie vanuit de religieuze pijler van de politieke macht. Deze laatste valt echter niet samen met de religieuze organisatie van de sjiitische islam in Iran. Khamenei is bijvoorbeeld niet erkend als één van de opperste ayatollahs, en heel wat hogere geestelijken hebben zich vanaf het begin van de revolutie gekeerd tegen een te grote vermenging van godsdienst en geloof.

Ayatollah Montazeri, de primus inter pares van de Iraanse clerus, kreeg zelf jarenlang publicatieverbod en huisarrest. De hervorming waarnaar zoveel mensen vragen, gaat dus niet echt over een scheiding van kerk en staat –die bestond traditioneel in Iran– maar over het stopzetten van een politiek systeem dat een aantal mensen uit de clerus oncontroleerbare macht geeft.

Pakistan

soennieten: 136,1 miljoen inwoners; sjiieten: 35,4 miljoen inwoners; andere: 5,3 miljoen inwoners
In Pakistan zijn de sjiieten een belangrijke minderheid, die de voorbije jaren sterk onder vuur gelegen hebben van soennitische extremisten, zoals de Lashkar-e-Jhangvi (LeJ). Volgens Pakistaanse veiligheidsdiensten willen deze extremisten een soennitische theocratie installeren en geloven ze dat het hun roeping is om de metgezellen van de profeet Mohammed te beschermen tegen de bedreiging van de sjiieten. LeJ en andere sektarische militanten werken samen met al-Qaeda, de Pakistaanse taliban en andere gewapende jihadigroepen die gevormd werden om te vechten in Kasjmir of in Afghanistan maar nu de Pakistaanse samenleving destabiliseren. Een van die militantengroepen is Lashkar-e-Tayyaba (LeT), de groep die onder andere verantwoordelijk geacht wordt voor de aanslag op de Indiase stad Mumbai in 2008. Saoedi-Arabië biedt steun aan deze groepen, om de invloed van Iran in Pakistan te beperken.

Volgens auteurs zoals Khaled Ahmed liggen de wortels van sektarische conflicten in Pakistan in de islamiseringspolitiek van dictator Zia-ul-Haq tijdens de jaren zeventig en tachtig. Zia wou nationale eenheid versterken door regionalistische tendensen in de verschillende regio’s te bestrijden. In de realiteit zorgde het verbod op politieke partijen en activiteiten echter voor een versterking van etnische identiteiten. Zijn islamiseringsbeleid verscherpte de sektarische tegenstellingen tussen de soennietische meerderheid en islamitische minderheden als sjiieten, ismaelieten, ahmadi’s en zikri-aanhangers; en binnen de soennitische meerderheid groeiden de tegenstellingen tussen de strenge deobandi’s -waartoe Zia zelf behoorde, de salafistische Ahl-e-Hadith en de soefistische barelvi’s, die de meerderheid uitmaakten.

De sjiieten werden bovendien sterk gepolitiseerd door de gebeurtenissen in Iran, waar hun geloofsgenoten begin 1979 het pro-westerse regime van sjah Reza Pahlavi omverwierpen. Dat was enerzijds een alarmsignaal voor de orthodox soennitische Zia-ul-Haq, anderzijds versterkte de Iraanse revolutie een tijdsgeest van islamitisch revolutionair optreden, waarvan de dictator uitdrukkelijk deel wou uitmaken. De terugkeer van een groot en dominant islamitsch wereldrijk leefde steeds sterker in verschillende landen van de oemmah, en zou leiden tot steeds grotere concurrentie tussen Iran en Saoedi-Arabië, waar de staatspolitie gedurende de jaren tachtig voortdurend zou botsen met de sjiitische minderheid.

Volgens journalist en onderzoeker Khaled Ahmed, in Sectarian War, vochten de twee islamitische grootmachten hun sectaire oorlog in toenemende mate uit op Pakistaans grondgebied. Het feit dat Pakistan, na Iran, de tweede grootste groep sjiieten huisvest, speelt daarin geen onbelangrijke rol. Khaled Ahmed benadrukt tegelijk dat Pakistan geen machteloos slachtoffer van een regionale competitie geweest is, maar de speelbal van zijn eigen geschiedenis en heersende elites. ‘Pakistan heeft twee zaken fout gedaan’, schrijft Ahmed. ‘Het verdeelde de groepsidentiteiten van soennieten en sjiieten, terwijl het die had moeten vermengen; en het vermengde de regionale identiteiten onder dwang, terwijl het hen autonomie via decentralisatie had moeten geven.’ 

Afghanistan

soennieten: 29,7 miljoen inwoners; sjiieten: 5,3 miljoen inwoners; andere: 0,4 miljoen inwoners
In Afghanistan vormen de soennieten de meerderheid. De sjiitische minderheid bestaat vooral uit Tadzjieken en Hazaras. Sinds 2001, na de aanslagen in de Verenigde Staten en de daaropvolgende oorlog in Afghanistan, strijden de Afghaanse overheid en de internationale troepenmacht in Afghanistan gezamenlijk tegen de taliban en andere opstandige groeperingen. Na de val van het talibanregime, verbeterde de situatie voor de sjiieten in Afghanistan.

Ze verwierven nieuwe rechten en kunnen sindsdien hun traditionele feesten in het openbaar vieren. Toch is er nog steeds geen sprake van vrede en veiligheid in Afghanistan. Ook de dood van Osama Bin Laden -leider van al-Qaeda- in 2012, maakte geen einde aan het geweld. De Verenigde Naties rapporteerden in februari 2013 dat het aantal burgerslachtoffers er wel is afgenomen.

Er zijn dus nog steeds sektarische spanningen in het land, maar omwille van de enorme interne verdeeldheid binnen de gemeenschappen, bleef een echt sektarisch conflict tot nu toe uit. Bovendien tracht de islamitische Raad van de Moslimbroederschap eenheid te bewaren tussen de gemeenschappen. Experten vrezen dat extremistische militante groepen zich momenteel in Pakistan organiseren om het nieuwe Afghaanse bewind omver te werpen.

Sjiitische revolutie?

‘Iran will be an influential big brother but not a “heavy father”, much less a master.’ (Nasr 2006)
Nasr (2006) zegt dat het zwaartepunt in de regio op termijn zal verschuiven, weg van soennitische landen zoals Egypte, in de richting van sjiitische landen zoals Iran en Irak. Rik Coolsaet (2010), professor Internationale Politiek aan de Universiteit Gent, gelooft dat de conservatieve Arabische staten, zoals Saoedi-Arabië, in de as Iran-Irak het begin zien van een sjiitische sikkel, die hun eigen minderheden ertoe kan aansporen om hun stem tegen de regeringen te verheffen.
De revoltes tegen de machthebbers in verschillende Arabische landen in 2011 maakten duidelijk dat de jonge generatie zich verzet tegen de huidige onderdrukkende regimes en meer zeggenschap eist.

3.    De interne diversiteit

Sjiisme

Het sjiisme is op zich een verzamelnaam van diverse strekkingen en overtuigingen. Bovendien raakte het sjiisme door de jaren heen steeds meer cultureel verdeeld door de toegenomen geografische verspreiding ervan buiten de Arabische wereld -vooral naar India.

De strekkingen verschillen vooral in hun overtuigingen over het aantal bestaande imams. Wel zijn ze het allen eens over de betekenis van het begrip ‘imam’, namelijk ‘diegene die de leiding neemt’. De grootste strekking van het sjiisme wordt ook wel de ‘Twaalvers’ genoemd, omdat zij geloven dat er twaalf imams zijn geweest, en dat er geen huidige imam is. De Zaidieten of ‘Vijvers’ erkennen slechts vijf imams. De meeste Zaidieten wonen in Jemen en de gelijkenissen met het soennisme zijn groot.

Een groter conflict deed zich voor na de dood van de zesde imam, Jafar al-Sadiq, in 765 na Christus. Het feit dat de imam’s oudste zoon –Ismaël- reeds voor zijn vader gestorven was, zorgde voor spanningen. Sommigen weigerden zijn jongste zoon –Musa al-Kazim- als opvolger te aanvaarden, omdat volgens hen enkel Ismaël het charisma van zijn vader had geërfd. Deze laatste groep wordt ook wel de ‘Zeveners’ of ismaëlieten genoemd. Zij erkennen slechts zeven imams –waarvan Ismaël de laatste is- terwijl dit voor de ‘Twaalvers’ al-Kazim was. Bovendien geloven de ismaëlieten dat er wel een huidige imam is -Aga Khan. De ismaëlieten benadrukken voornamelijk de taak van de imams om de innerlijke betekenis van de islam over te dragen.

Volgens Karen Armstrong, auteur van Islam, a short history (2000), waren velen onder hen activisten, die een nieuw politiek systeem wilden installeren. Zij geloofden dat geen enkel theologisch systeem ooit definitief kon zijn, aangezien God altijd boven het menselijk denken staat. Zij stonden open voor nieuwe waarheden en geloofden dat het geloof waardeloos was, tenzij het gecombineerd werd met politiek activisme. Er waren zes profeten volgens hen: Adam, Noah, Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed; waarvan de laatste de meest noemenswaardige.

Volgens Aslan (2005) werd hij ook wel al-Mahdi of ‘iemand die goddelijk leiding geeft’ genoemd. Voor de ismaëlieten vormde het geloof in de mahdi het centrale dogma. Pas later voerden ook de ‘Twaalvers’ het dogma van de mahdi in. Doordat de visie van de ismaëlieten erg hiërarchisch en elitair was, voelde slechts een beperkte groep intellectuele moslims zich erdoor aangesproken.

Tenslotte zijn er nog de alawieten, wiens ideeën sterk overeenkomen met die van het sjiisme. De geheimzinnigheid van de alawitische praktijken komt door hun jarenlange isolatie van de samenleving en vervolgingen door soennitische meerderheden. Alawieten volgen de sjiitische overtuiging dat Ali de enige rechtmatige opvolger was van de profeet. Andere specifieke tradities zoals hun geloof in goddelijke incarnatie, het toelaten van alcohol en het vieren van kerstmis, maakt de alawieten zeer verdacht in de ogen van vele orthodoxe soennieten en sjiieten.

Als tegenreactie op het soennitisch Arabisch nationalisme, bekeerden de meeste sjiieten zich eind de jaren ‘60 tot het islamitisch fundamentalisme. Maar sinds de Verenigde Staten in 2003 Irak zijn binnengevallen, is er sprake van een ‘sjiitische heropleving’ volgens Nasr (2006) en staat het debat over de relatie tussen de islam en democratisering momenteel centraal in de moslimgemeenschap, vooral in de overwegend sjiitische landen -zoals Libanon, Irak en Iran.

Soennisme

Ook binnen het soennisme is er geen eenheid van overtuiging. De grootste strekking, het soefisme, is een zeer complexe stroming. Etymologisch is het begrip ‘soefisme’ afkomstig van de term tasauwoef –het soefi-zijn. Dit verwijst waarschijnlijk naar de soef –‘de grove wollen kleding die de eerste soefi’s als blijk van hun armoede en wereldverzaking droegen’, zegt Reza Aslan, auteur van Geen god dan God (2005).

Deze stroming heeft haar wortels in het hindoeïstische ‘ascetisme’ –zuhd. Net als de asceten, willen de soefisten terugkeren naar de primitieve eenvoud van de moslimgemeenschap, waarin alle moslims gelijk zijn, en verzetten zij zich tegen de toegenomen wereldsheid en weelderigheid van de moslimgemeenschap. De soefisten lijden daartoe een eenvoudig, armoedig leven. De stroming is waarschijnlijk ook ontstaan als tegenreactie op de uitbreiding van de rechtsgeleerdheid, die de soefisten beschouwen als een vereenvoudiging van de islam tot door externe krachten opgelegde regels. De soefisten hechten meer belang aan de innerlijke betekenis van de islam. Toch beschouwen ze volgens Armstrong (2000) de Koran niet als de enige geldige heilige tekst en staan ze open voor invloeden van andere religieuze tradities.

Het soefisme is ontstaan als een esoterische traditie. Deze mystieke traditie was zeer gesloten en werd tegen onwaardig lidmaatschap beschermd. De spirituele leiders, die hoog gewaardeerd worden door de soefisten, trokken zich terug uit de moslimgemeenschap om zuivering van het zelf en innerlijke verlichting na te streven. Volgens Reza (2005) waren ze zelf bij legendarische meesters in de leer geweest en gaven ze de niet-systematische kennis die ze bij hen hadden opgedaan door aan nieuwe generaties leerlingen. Wanneer een leerling een bepaald niveau van spirituele rijpheid bereikte, kreeg hij de taak de woorden van zijn meester aan zijn eigen leerlingen over te dragen enzovoort.

Soefisten leunen nauw aan bij de sjiieten: ze vereren ook Ali en de bloedverwanten van de profeet, en dragen vroomheid hoog in het vaandel. Volgens Reza (2005) is het soefisme, net als het sjiisme, ontstaan in reactie op de imperialistische islam van de dynastieke kaliefen. De invloed van het soefisme op de moslimgemeenschap heeft in vele soennitische gemeenschappen de tolerantie voor de sjiieten doen toenemen. Anderzijds keren velen die radicaal tegen sjiieten zijn, zich nu ook tegen soefisten –een fenomeen dat zich voordoet in Pakistan en Irak. In Syrië daarentegen, is er sprake van nauwe samenwerking tussen de sjiieten en soefisten. De legitimiteit van het alawitische regime berust er op de soefistische orde. Volgens Nasr (2006), zijn veel opstanden in Afghanistan en de Balkanlanden ontstaan binnen de soefisten, maar gauw overgenomen door soennitische extremisten, gesteund door Saoedi-Arabië.

Een andere grote stroming binnen het soennisme, is het wahabisme. Deze puriteinse interpretatie van de islam is sterk tegen de sjiieten gekant en heeft veel aanhangers in Saoedi-Arabië. De Ahl-i Hadith school in India, leunt hier dichtbij aan. Deze verwerpt volgens Nasr (2006) ook de sjiitische theologie en wil religieuze praktijken zuiveren om een ‘ware’ moslimgemeenschap te creëren, die de islam kan beschermen tegen de schokken van koloniale onderwerping. De jihadi strijders van LeT (supra) in Pakistan worden beschouwd als aanhangers van deze traditie.

Net als de Ahl-i Hadith, was ook de Deobandi beweging een reactie op het Brits kolonialisme in India. Deze beweging is vrij laat in de negentiende eeuw ontstaan en is genoemd naar een stad in het noorden van India. Om de islamitische identiteit te beschermen, promoten ze orthodoxe islamitische praktijken. De Deobandi werden geassocieerd met soennitische extremisten tijdens de oorlog in Afghanistan in 1980. Maar ook soennitische extremistische groepen in Pakistan zijn volgens Nasr (2006) aanhangers van de Deobandi traditie.

Ten slotte zijn er de salafisten. Het begrip ‘salafisme’ is afgeleid van as-salaf as salih, wat letterlijk ‘deugdzame voorouders’ betekent. Hoewel deze stroming haar wortels heeft in het modernisme, ligt de nadruk op de vroege islamitische geschiedenis en schrijft het een puriteinse aanpak voor. Zowel sjiieten als soefisten hekelen de puriteinse gerechtigdheid die het wahabisme en salafisme promoten.

Om het allemaal nog iets complexer te maken, kunnen we binnen het soennisme nog eens vier rechtsscholen of madhhabs onderscheiden. Deze hebben elk een verschillende manier om de moslimse wetten –fiqh- te interpreteren en hechten meer of minder belang aan bepaalde rechtsbronnen. Ten eerste, is er de Hanafi rechtsschool. Deze school werd gesticht door de imam Aboe Hanifah en is de grootste. Ze streeft moderne ideeën na en is het minst orthodox van de vier scholen.

De Hanafi rechtsschool is vooral dominant in het Arabische Midden-Oosten, India, Pakistan en Afghanistan. Ten tweede, is er de Hanbali rechtsschool, gesticht door de imam Ahmed Ibn Hanbal. Dit is de kleinste en meest conservatieve school, voor wie de Koran de belangrijkste rechtsbron is en die vooral dominant is in Saoedi-Arabië.

Ten derde, is er de Sjafi rechtsschool, deze werd gesticht door de imam Mohammed al-Shafi’i en is dominant in Oost-Afrika, Indonesië en Zuidoost-Azië. Voor de sjafiitische rechtsschool is de soenna –afgeleid uit al wat Mohammed zei en deed tijdens zijn leven als profeet- de belangrijkste rechtsbron. Tenslotte, is er de belangrijkste school, de Maliki, gesticht door de imam Malik ibn Anas. Dit is de meest traditionele rechtsschool, die zowel de Koran als de soenna als vertrekpunt neemt. Deze school is vooral dominant in Noord-, Centraal-, en West-Afrika en Egypte.


4.    De basisovertuigingen en symbolen van het sjiisme

Sjiieten hechten weinig belang aan de heersende religieuze opvattingen en geloven dat de enige echte waarheid bij de profeet en zijn opvolgers -de imams- berust. Daarom hechten ze veel belang aan een goede leider om hen te begeleiden in hun dagelijkse doen en laten, volgens de wetten van de islam. Zonder een sterk leiderschap zou de ware betekenis van de islam volgens hen verloren gaan. Nasr (2006) zegt dat sjiieten zowel aan de uiterlijke beleving –zahir- van hun godsdienst, als aan de innerlijke betekenis -batin- veel waarde hechten.

Ali ibn Abi Talib geldt dus als eerste imam voor de sjiieten. Na de moord op Ali in 661, werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon, Hassan ibn Ali, die de sjiieten als rechtmatige imam beschouwden. Toen deze stierf in 669, ging de voorkeur uit naar Ali’s tweede zoon, Hoessein ibn Ali. Maar Moe’awija, de neef van de derde kalief –Oethmaan- had zich hevig tegen Ali verzet tijdens die zijn kalifaat en had zijn zoon – Jazied- tot troonopvolger benoemd.

Het aantreden van Jazied in 680 betekende volgens Aslan (2005) het definitieve einde van de verenigde islamitische geloofsgemeenschap en het ondubbelzinnige begin van het eerste islamitische –en onmiskenbaar Arabische-  rijk. Kort nadat Jazied aan de macht was gekomen, bereikte Hoessein een verzoek uit Koefa om daar een opstand tegen Jazied te leiden. Hoessein werd echter vermoord door het enorme Syrische leger van Jazied, nog voor hij Koefa bereikt had. De onthoofding van Hoessein betekende een definitieve splitsing tussen de soennieten en sjiieten.

Een ander symbolisch keerpunt in de geschiedenis van de imams, was de opvolging van de elfde imam. De imam die als opvolger van al-Askari benoemd was, trok zich uit de ‘zichtbare’ wereld terug op het moment van zijn geplande aantreding in 874. ‘De imam had zich uit deze wereld teruggetrokken in een transcendente sfeer van waaruit hij op de dag des oordeels zou terugkeren -als ‘al-Mahdi’ dus- om gerechtigheid op de wereld te brengen’, aldus Aslan (2005). Aslan schrijft dat een unieke islamitische eschatologie ontwikkeld werd ontwikkeld toen ook de ‘Twaalvers’ het dogma van de mahdi invoerden, waarin de ‘verdwenen imam’ centraal stond. De sjiitische stromingen hebben dus verschillende opvattingen over wie de rol van de mahdi zal vervullen.

De twaalfde imam blijft dus een raadsel, maar via vertrouwelingen kunnen zij communiceren met de ‘verdwenen imam’. Vandaag de dag zijn er veel gelovigen die beweren dat ze de twaalfde imam hebben ontmoet en dat hij een helende invloed op hen heeft uitgeoefend.

De lijdensweg van de imams ligt volgens Nasr (2006) in het hart van de sjiitische martelingendoctrine of shahadat. De sjiieten vereren hun imams en geloven dat hun lijdensweg het ultieme bewijs is van hun geloof. Sjiieten herdenken de geboorte- en sterfdagen van de twaalf imams en roepen hen op tijdens hun gebeden. Velen bezoeken ook regelmatig hun grafplaatsen. De meeste bevinden zich in Irak: het graf van Ali (de eerste imam), ligt in Najaf; dat van Hussein (de derde), in Karbala; dat van Musa al-Kazem (de zevende) en dat van Mohammed al-Taqi (de negende) in Baghdad; dat van Ali al-Naqi (de tiende) en dat van Hasan al-Askari (de elfde), in Samarra; en tenslotte dat van Ali al-Reza (de achtste), in Mashad.

Deze laatste is een heilige plaats die volgens Nasr (2006) ongeveer twaalf miljoen bezoekers per jaar aantrekt. Ali al-Reza werd hoog gerespecteerd voor de invulling die hij aan de Koran gaf. Bovendien hechtte hij, net als Ali, weinig belang aan materiële zaken en leefde in eenvoud.

Het sjiisme wordt gekenmerkt door een klerikale hiërarchie. De sjiitische geestelijken worden opgeleid tijdens seminaries. Als zij een bepaald niveau van spirituele rijpheid bereiken, naar genoegen van hun meester, worden zij lid van de oeloema, de hoogste geestelijke klasse. De status van de sjiitische geestelijken wordt bepaald door het statuut van hun instructeur, die hen nauw opvolgt tijdens hun opleiding.
De kleuren zwart, rood en groen hebben een belangrijke symbolische betekenis voor de sjiieten. Zwart drukt het leed uit voor Ali’s lot, met rood herdenkt men de marteling van Hoessein, en met groen eert men de profeet’s bloedlijn. Deze kleuren komen onder andere voor in de vlaggen van Iran, Irak en Libanon. Tenslotte spelen ook vrouwen een veel belangrijkere rol voor sjiieten dan voor soennieten. Zo werd Fatima, de echtgenote van Ali en dochter van Mohammed, zeer hoog gewaardeerd.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift