REPORTAGE: Reis door het Chinese economische mirakelkafka in het land van de wuivende slaapzalen

Wordt China de fabriek van de wereld? Bewijst China dat de globalisering werkt? Is de stormachtige ontwikkeling van China rechtvaardig, voor de Chinezen en voor de wereld? Het zijn maar enkele van de ontelbare vragen bij het Chinese economische mirakel. John Vandaele trok voor MO* naar het Rijk van het Midden op zoek naar enkele antwoorden. Van de volgebouwde Parelrivierdelta naar het platteland van Henan, van het politieke centrum Beijing naar het economische powerhouse Shanghai. En overal in het Land van de Altijd Draaiende Betonmolens beseft hij dat de toekomst van de wereld hier in vormen gegoten wordt.
Chinese economische omwenteling maakt indruk. Hoezeer je ook de andere kant van het succesverhaal bestudeert - corruptie, uitbuiting of milieuvervuiling - het beeld van de volkrijkste natie van de planeet die bezig is aan een ontzagwekkende inspanning, blijft op de achtergrond altijd aanwezig. Evenals het besef dat zulks heel waarschijnlijk de machtsverhoudingen in de wereld zal veranderen. De indrukwekkende statistieken - een kwarteeuw lang een jaarlijkse economische groei van 9 procent, elke week 1 miljard dollar aan buitenlandse investeringen- kennen, is één zaak. Terplekke zien, ruiken en horen, wat die cijfers betekenen, raakt nog een andere snaar. 9 procent groei, bijvoorbeeld, dat betekent op veel plaatsen onophoudelijk bouwen en wroeten.
Terwijl Belgen (terecht) eisen dat vliegtuigen onze nachtrust niet verstoren, bouwen de Chinezen op veel plaatsen ‘s nachts gewoon verder aan hun wolkenkrabbers, metrolijnen, autostrades, fabrieken en bijhorende slaapzalen. En dat voor een maandloon tussen de 40 en 80 euro. Zo gaat het sneller vooruit natuurlijk. Beijing is ondertussen aan zijn zesde ring toe. Shenzhen - in 1978 een dorp van 3000 zielen, nu een stad met bijna 8 miljoen inwoners - staat symbool voor die explosie. Hoe kan je in hemelsnaam op 25 jaar zo’n eindeloze betonjungle bouwen? Door dag en nacht te werken, door het zweet en de toewijding van de naar schatting 30 miljoen migrantenarbeiders die er in China in die kwarteeuw hebben rondgetrokken. En het bouwen gaat maar door: op een zaterdag zie ik, rond middernacht, hoog boven de begane grond het laswerk aan alweer een nieuwe wolkenkrabber oplichten.
Shenzhen werd gebouwd op bevel van de Chinese staat, met Hongkong en Singapore als leveranciers van inspiratie en knowhow. Het was de eerste speciale economische zone waar buitenlandse investeerders werden aangetrokken met belastingvoordelen en soepele arbeidsregels. Shenzhen hoopte op high techinvesteringen, maar de investeerders, voor 80 procent uit Hongkong, kwamen vooral op de goedkope arbeid af.
De overheid vuurt nog altijd de bouwwoede aan: een nieuwe superhaven op zee in Shanghai, autostrades naar het westen van China, faraonische projecten zoals het overbrengen van water van zuid naar noord en een spoorlijn naar de Tibetaanse hoofdstad Lhasa. Dat zorgt voor een verbetering van de infrastructuur, zeker, maar vooral ook voor jobs. Elk jaar moet China 12 tot 15 miljoen nieuwe banen creëren om te beletten dat de werkloosheid stijgt. Dat lokale overheden in die bouwboom geregeld onder een corrupt hoedje spelen met lokale aannemers -u mag een flatgebouw, waar geen vraag naar is, bouwen op kosten van de overheid als u me zoveel toesteekt- is een feit, en verklaart het overaanbod in sommige marktniches.
Shenzhen passeerde vorig jaar Shanghai als China’s grootste haven, toch komt de stad wat zielloos over. Is het toeval dat het Grand Theatre er leeg en verlaten is? Wellicht niet, eindeloos veel wolkenkrabbers optrekken volstaat niet om een stad te hebben. Nee, dan liever Shanghai, waar architecten net dat tikje meer toevoegen aan de skyline: Pudong, het gloednieuwe stadsdeel ten oosten van de Huangpurivier, verving vanaf de jaren negentig Shenzhen als de showcase die alle kansen kreeg van de staat. Pudong slaagde er wél in hightech aan te trekken, maar Shanghai heeft natuurlijk meer geschoolde mensen, er is een industriële traditie, het is er aangenamer leven.
De Chinezen bouwen op zoveel plaatsen als gekken. Zelfs bij het oude Shaolinklooster, de wieg van de Chinese gevechtssport, ver weg in de provincie Henan, hoor ik pikhouwelen dokkeren als de zon al lang onder is. De 150 km tussen Shenzhen en Guangzhou is zowat dichtgebouwd met 100 000 fabrieken, goed voor meer dan een derde van de razend snel groeiende Chinese export: gsm’s, pantoffels, kledij, computers, brillen, noem maar op… Of al die wolkenkrabbers en fabrieksgebouwen lang zullen meegaan, is een andere vraag, maar ze staan er en er wordt in gewoond en geproduceerd. Het Britse weekblad The Economist stelt dan weer dat het huidige groeiritme onhoudbaar is omdat in een aantal sectoren een fameuze overcapaciteit ontstaan is.

Goudkoorts in het Wilde Westen


De zakenmensen lijken niet onder de indruk van deze twijfels over de duurzaamheid van de boom. Een hele generatie westerse ondernemers gaat op zoek naar Chinese partners, Chinese afzetmarkten en goedkope Chinese arbeid. Het lijkt een soort goudkoorts: als je nu rijk wil worden, zal het op basis van goedkope Chinese arbeid zijn of niet zijn. Neem Germain. Een klein decennium geleden trok hij zonder een woord Chinees te kennen naar de lentebeurs van Guangzhou, op zoek naar producenten van dassen. Hij leerde er zijn partner kennen, vroeger ambtenaar bij het openbare import-exportbedrijf maar tegenwoordig zelf ondernemer, en eigenaar van koffers vol geld, dixit Germain. ‘Waarom China? Omdat ze goedkoop zijn, kwaliteit leveren en op tijd leveren.’ Germain is een tussenhandelaar.
‘Carrefour wil polyesterdassen verkopen aan 12,5 euro en eist dat ik ze lever aan 6,25 euro. Dan is het voor mij zaak de beste leverancier te vinden in China. Momenteel koop ik de dassen in de haven aan 3 dollar.’ Als je het transport naar de haven en de marge van Germains zakenpartners daarvan aftrekt, houdt de producent zelf misschien nog 1 euro per das over. Hoeveel daarvan naar het personeel gaat, is onduidelijk. Germain: ‘Eén ding is zeker: dassen kopen in Shenzhen of Guangzhou is niet verstandig, want de lonen liggen er 50 procent hoger dan in het binnenland.’ Wat heet hoger? In Panyu, juist onder Guangzhou, bedraagt het minimumloon 42 euro. Per maand. Bijna alle werkers krijgen dat ook, maar dikwijls na het presteren van heel wat overuren.
In een goedkoop hotel in Hongkong hoor ik iemand de hele avond plaklint afscheuren. Het blijkt een Srilankaanse “CEO” te zijn, die in China vervaardigde brilmonturen in bruin papier verpakt. Bestemming: thuismarkt Sri Lanka. ‘Waarom ik die brillen hier koop en niet in India? De Chinezen werken harder dan de Indiërs, die al besmet zijn door het vakbondsvirus en niet doorwerken.’
Op de boot van Hongkong naar Shenzhen bots ik op twee Zweedse dames van middelbare leeftijd. Ze werkten vele jaren in dienst van een Zweedse verkoper van verlichtingsmateriaal maar zijn nu, samen, voor zichzelf begonnen. En dan dringt China zich op blijkbaar. ‘Ze leveren hier dezelfde kwaliteit als onze vroegere Italiaanse producent voor de helft van de prijs.’ De zon schijnt op het dek als we langs de skyline van Hongkong glijden: het leven is mooi. ‘Ja, dit is veel opwindender dan ons werk als loontrekkende’, lachen de twee Gunilla’s.
In Shenzhen zullen ze Guoying, een vrouwelijk kaderlid, ontmoeten waarmee ze al geregeld contact hadden. ‘Guoying is onlangs bevallen en krijgt maar drie maand zwangerschapsverlof. Ze heeft het daar moeilijk mee. We hebben met haar te doen. In Zweden krijgen we een jaar.’ Ik vraag hen hoeveel ze denken dat de meisjes die hun lampen effectief produceren, dan wel krijgen. ‘Ik vrees dat ze ontslagen worden als ze zwanger zijn. Ach, weet je, we hebben ook Guoying nog niet durven vragen hoeveel ze hier verdient.’ De twee Zweedse dames, opgegroeid in misschien wel de beste welvaartsstaat ter wereld, weten nog altijd wat het betekent je personeel goed te behandelen, maar durven kennelijk niet al te goed toekijken hoe het er hier in de Chinese fabrieken aan toegaat.
‘Is it worth investing in China?’
Rond dat thema organiseert het Verbond van Belgische Ondernemingen eind februari een bijeenkomst. De zaal zit tjokvol Belgische bedrijfsleiders. Eugen von Keller van Roland Berger Consultants, die al vele jaren in Shanghai werkt, somt er de redenen op waarom westerse bedrijven naar China gaan: ze zoeken er competitieve toeleveraars, ze willen er de enorme markt bespelen, of ze zoeken er een partner om hun globale competitiviteit op te schroeven. Dat laatste kan ver gaan. Siemens, bijvoorbeeld, produceert niet enkel al zijn mobiele telefoons in China, het ontwikkelt er ook zijn nieuwe modellen. Von Keller: ‘De Chinezen zijn een jong publiek dat graag inspeelt op nieuwe functies van de mobieltjes, en daarom ideaal is om nieuwe modellen uit te testen.’ De VBO-sessie is één lange ode aan de competitiviteit van China. ‘Fietsen moet je al lang niet meer in Shanghai produceren. Als je naar het westen van China trekt, zal je altijd goedkopere werkers vinden’, weet von Keller.
 Tijdens het vragenkwartiertje vraagt een vertegenwoordiger van Agoria, de vereniging van Belgische technologische bedrijven, wat er nog overblijft voor Belgische bedrijven. Het antwoord komt van Chris Morel, de man die in 1978 mee aan de wieg stond van Shanghai Bell, de eerste joint venture van China, die telefooncentrales produceerde, en een gigantisch succes werd. ‘Ik heb daar een olifant helpen kweken die per jaar 3 miljard dollar opbrengt, maar het werk afneemt van mijn kinderen en kleinkinderen. Voor de aandeelhouders is de vlucht naar China bijzonder interessant, maar voor de Belgische werknemers is het dat veel minder. We zullen in België andere dingen moeten doen. Gelukkig zijn de Chinese leiders erg vooruitziend: ze beseffen dat ze niet kunnen blijven uitvoeren als hier geen koopkracht is. Daarom hebben ze beslist te investeren in het buitenland en kopen ze elk jaar voor 10 miljard euro buitenlandse bedrijven op.’

Het land van de wuivende slaapzalen


De omwenteling speelt zich vooral af in de Chinese kustzone, maar ze is niet te begrijpen zonder het Chinese platteland waar de meerderheid van de bevolking woont, en waar de groei zoveel bescheidener is. Twee werelden in één land. In de croissanterieën en winkelstraten van het elegante Shanghai waan je je bij momenten in Brussel. Het foeilelijke Zhengzhou, de hoofdstad van de provincie Henan met 80 miljoen inwoners -“provincie” is een relatief begrip in China- voelt anders aan. Hier in het binnenland spuwen de mensen nog op de grond, ze gaan niet modieus gekleed en er zijn meer bedelaars. We zien een bedelkind dat vastgebonden is aan een stalen ring, klaaglijk huilen in de ijzige wind. En niemand die iets doet. Ook ik niet.
In Zhengzhou, na tien dagen in de kuststeden, maak ik voor het eerst kennis met de jaozi, biljetten of muntstukken van een tiende van een yuan, de officiële Chinese munt. Dat ik nu pas de jaozi tegenkom, zegt iets over de grote inkomensverschillen die China tegenwoordig zo kenmerken: aan de kust rekent men in yuan, in het binnenland in jaozi. Het Chinese “mirakel” is voor een belangrijk deel op dat verschil gebouwd. Letterlijk ook, want het zijn de migranten van het platteland die de wolkenkrabbers en fabrieken bouwen en de goedkope arbeid voor die fabrieken leveren.
Als we over de vlakte van de provincie Henan vliegen, wordt veel duidelijk. Het is moeilijk schatten vanuit de lucht maar ik denk dat er om de 500 meter een dorp ligt. Met zoveel mensen kan je nooit rijk worden van het land, hoe ijverig je ook ploegt. En inderdaad, Chinese boerenfamilies hebben bovenop het voedsel dat ze voor zichzelf produceren, een jaarlijks inkomen tussen de 100 en 300 euro.
De enorme bevolking die nog op het Chinese platteland leeft, is een oud zeer. Over een paar jaar zal de helft van de wereldbevolking in steden leven, maar in China is 80 procent van de bevolking op het platteland geregistreerd. Zelfs met een “vlottende” bevolking van 150 miljoen migranten, betekent dat nog altijd ongeveer 800 miljoen mensen. China heeft nooit sloppenwijken gekend zoals India, omdat elk gezin een lap grond kreeg die fungeert als een sociale zekerheid, en er dus geen massa’s landlozen ontstonden.
Bovendien ontwikkelde de communistische staat het hukousysteem, dat rechten op onder andere huisvesting, voedsel, werk of land verbindt aan de woonplaats. Die hukou bindt de Chinezen sinds de jaren vijftig aan het platteland, waar geen werk is voor zoveel mensen. Er zijn pogingen gedaan om het platteland te industrialiseren met de oprichting van massaal veel dorpsondernemingen, maar ook dat volstaat niet om het inkomen er duurzaam op te krikken.
Sinds een tiental jaar is een trek naar de steden op gang gekomen. Het hukousysteem maakt die migratie-arbeid extra kwetsbaar, omdat deze daardoor tijdelijk en vaak zelfs illegaal wordt. Het gevolg is dat zich in de fabriek van de wereld een bijzonder gedweeë arbeidskracht komt aanbieden: jong, onervaren, onzeker over zijn verblijfsstatuut in de stad, afkomstig van een platteland waar het hele gezin soms maar 100 euro per jaar binnenhaalt, en gepokt en gemazeld in een confucianistische cultuur die meer nadruk op plichten dan op rechten legt. Die fragiele positie verklaart waarom deze migranten tevreden zijn met 75, 60, ja zelfs 40 euro voor een maand keihard werken. Robin Munro van het China Labour Bulletin, een Hongkongse ngo die strijdt voor sociale rechten in China: ‘Voor de migranten is dit een historische kans om aan het platteland te ontsnappen. Om die kans te grijpen, zijn ze bereid desnoods 24 uur per dag te werken.’
In Shenzhen spreek ik twee meisjes uit Shaanxi, 1500 km naar het noorden, tijdens hun middagpauze. ‘We maken componenten voor gsm’s, zeven dagen op de zeven, tien tot twaalf uur per dag. We verdienen 800 yuan (80 euro) per maand.’ Ze zien er moe uit en vinden het werk lastig, bekennen ze, maar ‘we zijn jong, he’. 80 euro is niet slecht betaald. Het minimumloon in Shenzhen is 625 yuan of 62 euro. In Panyu, honderd km meer naar het noorden is dat nog 42,5 euro.
Met deze lonen kan je geen kamer huren in de kuststeden, en dus zijn slaapzalen de enige manier om de migranten te huisvesten. Al is huisvesten een groot woord: de werkers slapen met zes of acht op stapelbedden, in kamertjes van anderhalve op drie meter. De slaapzaaltjes zijn erg herkenbaar: deurtje-raampje-deurtje-raampje en op de balkons van ieder slaapvertrek hangen de kleren van de werkers aan kapstokken. Als de wind erin speelt, wuiven de slaapzalen.

Lage lonen, hoge kosten


40 tot 80 euro per maand, is dat rechtvaardig? Als je het loon voor een maand keihard sloven afmeet aan de prijs van consumptieartikelen in Beijings winkelstraten -80 euro voor een truitje of een bh- of aan onze lonen, kan je dat loon niet rechtvaardig vinden. Dat belet niet dat het veel meer is dan wat een boerengezin per maand verdient. Ondanks de lage lonen sijpelt er op deze manier toch rijkdom van de kuststreken door naar het binnenland. Dat blijkt duidelijk op een wandeling in het dorp Xi Zhang, diep in Henan.
‘Natuurlijk verdient mijn zoon in de fabriek meer dan ik op mijn land’, zegt een boer die mest aan het laden is onder een aangenaam lentezonnetje. In het volgende huis waar ik binnen ga, werkt de man als bergarbeider voor de lokale overheid. In 80 procent van de gezinnen hier is minstens een gezinslid in loondienst. Dat verklaart waarom in het dorp veel wordt gebouwd. De verkozen dorpsleider is een van de weinigen die niet buitenshuis gaat werken. De reden is dat hij meer grond heeft en een hok met enige honderden legkippen, en zo zijn inkomen kan opkrikken. Het is de evidentie zelve: alleen meer intensieve landbouw op grotere lappen grond kan het inkomen opkrikken. Zo was het toch ook bij ons.
Nu China aangesloten is bij de Wereldhandelsorganisatie, en meer en meer goedkope buitenlandse granen op zijn markt moet toelaten, is de vraag wat er met al dat overtollige “personeel” op het Chinese platteland zal gebeuren. Zullen de molens van de wereldmarkt miljoenen Chinese boeren vermalen tot goedkope arbeid voor de steden? Naar schatting 200 miljoen mensen op het platteland hebben geen of onvoldoende werk. En dan zijn er nog de miljoenen werklozen in de steden, vaak ontslagen uit staatsondernemingen, van wie maar een deel een -zeer magere- uitkering krijgt.
Zelfs al trekt China alle industrie uit Noord-Amerika, Europa en Japan -samen goed voor 90 miljoen industriejobs- aan, dan volstaat dat nog niet om al die werklozen werk te geven. Conclusie: ook de Chinese markt zelf moet sterk groeien om iedereen een job te gunnen. Om de koopkracht te creëren die daarvoor nodig is, zou de regering men vakbonden kunnen toestaan, zodat de welvaartskoek wat beter verdeeld wordt. Er zijn geen tekenen dat de regering dit overweegt, wel heeft ze het hukousysteem versoepeld, waardoor migranten makkelijker een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen, en stelt ze de ergste sociale misbruiken aan de kaak.
Wat China doet, heeft gevolgen voor de rest van de wereld. Mexico verloor op twee jaar tijd 200.000 banen aan China. Bangladesh kijkt bang naar het einde van de Wereldhandelsafspraken rond textielquota in 2005. Dan worden de markten van de rijke landen niet meer verdeeld op basis van quota maar gaat de vrije concurrentie spelen en vreest het land marktaandeel te verliezen aan China. Ook andere ontwikkelingslanden hopen dat de lonen in China stijgen, zodat de competitieve druk wat vermindert. Met zo’n enorme arbeidsreserve en de onderdrukking van vakbondswerking, zijn de kansen op loonstijging echter erg klein. De situatie in de provincie Guangdong, waar de exportproductie al twintig jaar loopt, is veelzeggend.
‘De reële lonen zijn hier niet gestegen’, zegt professor Pun Ngai van de Technische Universiteit van Hongkong, die een half jaar werkte in een fabriek in Shenzhen. ‘In 1995 lag het gemiddelde loon op 600 yuan. Nu is het 700 yuan, maar de prijzen zijn in die periode sterker gestegen. De reële lonen zijn dus gedaald. Bovendien moeten de meisjes nu langer werken, door de opmars van het just-in-time leveren. Een werkdag duurt gemiddeld twaalf uur. Er is een vreselijke competitie tussen de verschillende regio’s in China om de goedkoopste te zijn.’
De kosten voor onderwijs zijn dramatisch gestegen. In de provincie Guangdong wordt onderwijs meer en meer aan de markt overgelaten. In maart besliste de regering dat ondernemers die scholen willen starten, goedkope gronden kunnen krijgen, en meer vrijheid in het bepalen van inschrijvingsgelden.
De Chinese arbeidswet, op papier voorbeeldig, wordt zo goed als genegeerd in de fabrieken. De wet zegt dat overwerk aan 150 procent, zaterdagwerk aan 200 procent en zondagswerk aan 300 procent moet worden betaald. Dode letters.
‘In Shenzhen gaan 13 ledematen per dag verloren’, weet Robin Munro van China Labour Bulletin. Die organisatie werd opgericht door Han Dongfan, die het vasteland moest ontvluchtten nadat hij geprobeerd had om een onafhankelijke vakbond op te richten. De officiële vakbond ACFTU, een bureaucratie van 200.000 mensen, is allesbehalve een alerte verdediger van de arbeidsrechten. ‘Wie een vinger kwijt is, komt bij ons om hulp’, zegt iemand van het Instituut voor Hedendaagse Observaties, een ngo in Shenzhen die de werknemers bijstaat en vormt. Omdat het instituut niet als ngo erkend werd, liet het zich als bedrijf registreren. Meestal kiezen ngo’s ook voor “ongevaarlijke” namen.
In Panyu bezoek ik het Migrant Workers Center. Een jongeman met windels rond zijn vingers komt er hulp vragen: zal hij vergoed worden voor zijn verloren vingertoppen? Omdat de overheidsvakbond zo schromelijk tekortschiet, ontstaan in Shenzhen en Guangzhou ngo’s die vakbondswerk verrichten, al zullen ze dat nooit zo zeggen. Tenzij anoniem: ‘We proberen mensen te organiseren, maar dat is niet gemakkelijk omdat de meeste migranten maar enkele jaren blijven. Om de twee jaar bestaat het personeel van een fabriek voor 80 procent uit nieuwe mensen. Bovendien verbiedt de staat onafhankelijke vakbonden.’
De ergste arbeidssituaties krijg je overigens niet te zien tijdens een kort verblijf in China. Je leest er wel over in wetenschappelijk werk zoals dat van Anita Chan. Chan beschrijft gevallen van werkers die de fabriek niet uit kunnen. De werkgevers gijzelen de werkers door ze een waarborg te doen betalen als ze aangeworven worden, en door ze hun tijdelijke verblijfsvergunning te laten afgeven aan hun patroon. Waardoor ze effectief de gevangene worden van de fabriek. De arbeidssituatie, aldus Chan, is meestal beter in westerse bedrijven dan in Chinese of Zuid-Koreaanse. Al moet er onmiddellijk aan toegevoegd dat veel westerse bedrijven inkopen van Chinese toeleveraars.
De Belg Frank Uyterhaeghen, 20 jaar in China, en ondermeer voorzitter van een onderneming die containertrailers produceert: ‘Ik geef het personeel altijd tien procent meer dan wat gangbaar is in de streek. Mijn Chinese partners zijn daar niet gelukkig om. Ze zijn hard voor elkaar.’ Uyterhaeghen denkt niet dat de Chinese staat zal toestaan dat de werknemers zich organiseren: ‘Als ouwe marxisten kennen ze beter dan wie ook de kracht van georganiseerde arbeiders.’
Dat het recht op vereniging, een elementair mensenrecht, wordt onderdrukt in een land dat zich nog steeds een socialistische markteconomie noemt, is een staaltje van onaanvaardbare Kafka. Die onderdrukking heeft politieke redenen -elke sterke vereniging wordt door de Communistische Partij als bedreigend ervaren- maar ook economische: steeds meer partijleden zijn ondertussen kapitalist geworden en worden zelf beter van lage lonen. Protest is extreem moeilijk als de lokale overheid zelf de patroon is, of ermee onder één hoedje speelt. Naarmate ik de werkelijkheid leer kennen, bekruipt me een zeker fatalisme: het besef dat het erg moeilijk is om in deze Chinese realiteit op korte termijn een sterke vakbeweging tot stand te brengen, en zo structureel een betere verdeling van de rijkdom te realiseren.

China is het voorbeeld


Is China het bewijs dat de globalisering werkt, zoals de Wereldbank beweert? Wel, het is veeleer een illustratie van hoe de globalisering werkt. Of dat op termijn zal ‘werken’ voor de mensheid op haar blauwe planeet moet nog blijken. Zeker is dat het land dankzij zijn grote openheid toegang kreeg tot moderne technologie, en dat zijn handelsoverschot reserves schept voor grote investeringen in infrastructuur, en zo voor grotere productiviteit. Dat het gemiddelde inkomen sterk gestegen is, staat ook buiten kijf. Bovendien sijpelt een deel van die rijkdom wel degelijk door naar het platteland. Toch mat de Wereldbank nooit zo’n snelle toename van inkomensongelijkheid als in het China van de voorbije twintig jaar. De sluipende privatisering van onderwijs en gezondheidszorg maakt dat probleem alleen maar erger.Sommigen zien daarin een tijdbom onder het hele proces. Anderen merken op dat het WTO-lidmaatschap en de verwachtingen van buitenlandse investeerders China in de richting van de rechtsstaat zullen duwen.
De Chinese ervaring kan niet zonder meer door andere landen gekopieerd worden. Als het land zoveel buitenlandse investeerders en technologie aantrekt, dankt het dat immers voor een deel aan zijn omvang. In ruil voor toegang tot zo’n immense markt, zijn multinationals best wel bereid iets terug te doen. Voor pakweg Senegal ligt dat heel anders. Bovendien is de groei niet enkel te wijten aan globalisering.
Een belangrijk deel van het succes mag op rekening geschreven worden van de Chinese leiders, die blijk geven van grote beheerscapaciteiten. Menig Afrikaans land kan niet eens een paar autosnelwegen onderhouden, terwijl China de bestaande infrastructuur niet alleen onderhoudt, maar aan een razend tempo uitbreidt. En er is de schaduw van de Chinese geschiedenis. Na de Culturele Revolutie hongerden de Chinezen naar meer welvaart. Dr Dongli Liu, nu een succesvol bedrijfsleider, verwoordt het zo: ‘De culturele revolutie heeft onze wil gehard. Ik heb voor een halve yuan per dag gewerkt op het platteland. Wij zijn zoals de Japanse generatie die de oorlog heeft meegemaakt: we willen en kunnen keihard werken. Ik vraag me af of de generatie na ons dezelfde houding zal hebben.’
Er zijn, tenslotte, ook levensgrote vragen. Als dit reusachtige land de fabriek van de wereld moét worden om zijn werkloosheid op te lossen, wat betekent dit dan voor de rest van de wereld? De grote Amerikaanse vakbond AFL-CIO diende onlangs klacht in bij de regering van de VS, omdat hij vindt dat China zich door de repressie van internationaal erkende werknemersrechten bezondigt aan oneerlijke handelspraktijken. Vraag: zullen ontwikkelingslanden die wel een democratie en vakbonden kennen zich aansluiten bij de EU-eis dat er WTO-leden minimale sociale normen moeten respecteren?
Ten slotte is er het milieuvraagstuk. Sommige onderzoeken wijzen uit dat de economische schade die de groei aanricht aan mens en milieu even zwaar weegt als de BNP-groei. Een paar uur rondlopen in Shenzhen of Guangzhou volstonden om pijnlijke longen te hebben. Sommige lokale overheden zoals die van Shanghai proberen de problemen aan te pakken, op andere plaatsen is dat veel minder het geval. Zelfs als de centrale overheid goede milieuwetten maakt, is dat geen garantie dat lokale overheden die uitvoeren. Lokale overheden zijn immers in concurrentie met elkaar om economische groei te genereren, ondermeer door middel van lage minimumlonen en zwakke milieunormen. Op die manier illustreert China perfect hoe de huidige globalisering functioneert.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur