Reportage uit Abidjan

Wie dood met actualiteit verbindt, ontsnapt niet aan aids. En wie over aids schrijft, kan niet om Afrika heen. Onze reporter in Abidjan botste echter op een andere, dodelijke epidemie: de stilte. De ziekte die niet bij naam genoemd wordt, treft in Abidjan één op tien inwoners. Een reportage over de manier waarop mensen omgaan met de seksueel overdraagbare dood levert een verhaal op waarbij slechts één op tien geïnterviewden geen schuilnaam heeft.

Mijn zwarte buur grinnikt. ‘We gaan allemaal van iets dood. De ene van de honger, de andere van aids, een derde verongelukt. Zouden we ondertussen niet van het leven genieten?’ Mijn buurman keert terug van een hoogtestage met zijn poulain, een worstelaar vrije stijl. ‘Wat voor een leven is het als je elke dag angstvallig onderzoekt of je niet vermagert en cette maladie-là hebt?’, zegt hij met zicht op het lunchpakket en het flesje rode wijn van Air France.

De daaropvolgende dagen word ik in de Ivoriaanse hoofdstad Abidjan overspoeld door de levensdrift op en rond boulevards, bruggen en straten. Levensdrift die roept, rent, danst, sport, drinkt, bidt, zingt, speelt en vrijt. Midden die roes en in de walm die opstijgt uit uitlaatpijpen, riolen en duizenden braadpannen met vis en beignets, staat in blauwe letters op twee grote witte muren van appartementsgebouwen: ‘Ware geliefden beschermen elkaar.’ Daarrond enkele rode hartjes. Bleu, blanc, rouge. Het aftelwijsje van de verzwegen dood. Eén op tien is weg en gezien. Eén op tien van mijn medereizigers op de overvolle bussen is seropositief. Eén op tien op de grote markt. Eén op tien gelovigen tijdens het vrijdaggebed of in de zondagsviering in de kerk van de Heilige Franciscus. Maar tien op tien doen dapper hun best om de epidemie te verzwijgen. Vrouwen uit angst om verstoten te worden, mannen uit lafheid. Het dodelijke en dure geheim deel je enkel met wie bereid lijkt de zorgen en vooral de kosten te helpen dragen. Al sterven collega’s aan “een bizarre ziekte” en maken de overlijdensberichten in de kranten melding van “een aanslepende ziekte”. Terwijl de man en de vrouw in de straat het hebben over cette maladie-là of Joël in zijn geblutste taxi grinnikt: ‘Ons leven begint tussen de dijen van een vrouw en voor niet weinigen eindigt het daar ook.’

La vie en rose

Het doodzwijgen van aidspatiënten stelt de twee miljoen inwoners van Abidjan in staat om te overleven zonder voortdurend de dreiging onder ogen te moeten zien. Waar de koude cijfers toch opduiken, heet aids de schuld te zijn van buitenlanders: de Europeanen die met onderzoek, condooms en medicamenten geld verdienen of de migranten uit Burkina Faso, Mali en Equatoriaal Guinea die naar de hoeren lopen. Als het niet aan de buitenlanders ligt, bieden vijandige tovenaars, jaloerse buren of onzalige voorouders die je een kwaad lot toewierpen nog een verklaring. De cultuur van ontkenning maakt seropositieven onzichtbaar. De cultuur van de schaamte doet hen zwijgen. Tot wanneer de eenzaamheid ondraaglijk wordt en een man van de brug springt en zich in de lagune stort. Tot wanneer het onrecht te bitter wordt en spreken hoop op redding belooft.

Als ik op een bewolkte maandagmorgen op de bus wacht die mij naar Rose Dossou brengt, defileert op het perron een man met taalboekjes. Hij articuleert: ‘De zwarte vlag op het dak uitsteken’, en herhaalt als een schoolmeester: ‘De zwarte vlag op het dak uitsteken. Wat betekent dat?’ Niemand neemt het risico een slecht punt te krijgen. ‘Laten horen dat het slecht met je gaat.’ Twee stappen. ‘Laten horen dat het slecht met je gaat.’ De onderwijzer draait zich op zijn hielen en zet zijn les verder: ‘Zijn hoofd in het zand steken.’ Een jongen die de nieuwe grondwet liep te venten, blijft nieuwsgierig staan. ‘Zijn hoofd in het zand steken. Betekent?’ De universele blik en de opgetrokken wenkbrauwen van de meester. De leerlingen wachten het antwoord af. ‘Doen alsof je niets gezien hebt. Doen alsof je niets gezien hebt.’ De bus draait het station binnen en maakt met een luide claxonstoot een einde aan de les.

Tegenover het blindeninstituut in Yopougon staat een eettentje met een rieten dak. Daar, in dat niemandsland, wil Rose -net zesendertig geworden- vertellen. ‘Haar hoofd niet in het zand steken’. Al heeft ze redenen om ‘de zwarte vlag uit te steken.’ Ze heeft zich mooi gemaakt en glimlacht, terwijl ze met een schijnbare loomheid vertelt: ‘Ter dood veroordeeld. Jawel. Maar de tijd die God mij nog laat, wil ik léven. Al moet ik mijzelf iedere dag voorhouden: “Rose, jij moet leven.” Vijf jaar geleden -ik verwachtte Stéphane, mijn vierde kind- hoorde ik dat ik besmet was. Ik wilde van alles ziek worden, maar niet van dié ziekte. Waarom moest mij dat overkomen? Nachten lang was mijn kussen nat van de tranen. Ik gaf mijn kledingzaakje op, ik liet mijn leven verwaaien. Toen Stéphane achttien maanden oud was, bleek ook hij seropositief.’

In het belendende winkeltje slaan de eerste, trage pianoakkoorden aan van Imagine. Lennon als een klankband bij Rose’s verhaal. ‘Imagine all the people, living life in peace.’ ‘Mijn man? Hij zit thuis, in zichzelf gekeerd. Ik, ik ging nooit vreemd. Ik beschuldigde hem in het begin. Hij wilde zich niet laten testen. Vorig jaar gebeurde dat wel, maar manlief weigerde om het resultaat te gaan halen. Ik hoorde langs omwegen dat hij seropositief was. Ik neem het hem niet kwalijk. Om vergeving vragen bestaat niet in Afrika.’ ‘You may say I’m a dreamer…’ en dan sterft Lennons piano weg. ‘Het is niet voor iedereen la vie en rose, hé? Ik weet niet hoe lang ik nog te leven heb. ‘s Avonds heb ik schrik om het licht uit te knippen. Ik heb nog zoveel te doen. Ik wilde Stéphane zien groot worden en zeker zijn dat de medicamenten tegen het virus ontdekt zijn.’ We zwijgen. Net als mensen die elkaar al lang kennen. ‘Ik wil vrede. Ik wens dat mijn kinderen goede herinneringen aan mij bewaren.’ We eten samen. Ze lacht als ik de foufou onhandig tot een balletje draai om het in de pikante vissaus te dopen. Haar sierlijke handen lijken het al eeuwen gewoon.

Na het maal volgen we met onze ogen een blinde gade die over de bultige aardeweg door een kind gegidst wordt. Op een dag zal Rose hulp van anderen nodig hebben. ‘Ik ben bang om te zien hoe mijn huid zal aftakelen. Het vermageren. De vlekken. Ik ben bang voor de pijn. Ik wil sterven zoals ik geleefd heb, waardig.’ Rose’s vader weet van haar ziekte. Hij bezwoer haar veel te bidden. Haar moeder en broers zijn niet op de hoogte. Haar oudste kinderen leert zij om te zorgen dat hun broertje Stéphane op tijd zijn medicamenten inneemt. En andere vrouwen leerde ze hun tranen te drogen. ‘Ween niet, ik ben zoals jullie’, zeg ik hen. Ze kijken me dan ongelovig aan. Alsof ik hen uitlach. ‘Neen’, zeg ik ze, ‘voor jullie lijkt alles nu voorbij, maar je kan een nieuw leven beginnen. Hoe lastig de strijd ook is.’

Vriendinnen op bezoek

De daaropvolgende zaterdag ontmoet ik in de vroege namiddag enkele vrouwen die net als Rose leerden hun tranen te drogen. Uit verre hoeken van de stad komen ze twee keer per maand bijeen als Amepouh, een groep seropositieve vrouwen. Ze vertrouwen me niet als ik met Rose aankom. In het huis hangen er blijkbaar wat spanningen sedert Rose terugtrad als voorzitster en van buitenlandse journalisten weet je nooit wat ze uiteindelijk publiceren. ‘Geen foto’s, hé!’ Nadat ik mij bij het begin van de vergadering uitgebreid moest voorstellen, is er maar één vraag naar verduidelijking: ‘Wat levert jouw bezoek ons op?’ Ze zijn al even assertief met de president van het land. Christine, de nieuwe voorzitster, vraagt aan de vergadering die na anderhalf uur dertig vrouwen telt: ‘Kent hier iemand de president? Of zijn vrouw? Of is hier iemand die iemand kent die…’ Ze willen binnenkort protesteren tegen het verhogen van de prijzen voor medicamenten. ‘Moeten wij soms met lijkkisten gaan betogen?’ sneert Joséphine. ‘We laten ons deze keer niet inpakken zoals bij de Minister van Gezondheidszorg die beleefd noteerde, beloofde voor ons te bidden en ons dan een behouden thuiskomst wenste. Oh ja, en nog even informeerde naar ons e-mailadres! Zijn ze op hun hoofd gevallen?’ Amepouh rijft voorlopig wat geld binnen door occasionele traiteurdiensten die de vrouwen verstrekken. Enkele bedrijven in Abidjan zijn te versieren voor een pousse café: een eenvoudige lunch met koffie en croissants. ‘Zijn er nog varia?’ klinkt het om kwart voor zes. ‘We zijn in de rouw’, roept iemand. Verbijstering. Al duurt die maar even. Dan vertelt Joséphine dat het negenjarige zoontje van Delphine gestorven is. Jean-Patrick. Van cette maladie-là. Er wordt een kleine collecte gehouden en afgesproken dat enkele vrouwen Delphine gaan condoleren. De bijeenkomst eindigt rommelig. Er is nog een telefoontje van de hele groep naar een zieke vriendin, de haastige voorstelling van drie nieuwe leden en een instant preekje. ‘Jaag aids uit jullie hoofden’ en ‘Jezus leeft, alleluja.’ Weer anderhalf uur later -er is nog een palaver over de spanningen tussen Rose en het nieuwe comité- mag ik met de rouwdelegatie mee naar Delphine. Onder een halve maan slenteren we naar een nabijgelegen asfaltweg. Drie gammele taxi’s worden tegengehouden met gebaren die geen tegenspraak dulden en zo rijden we naar het huis van Delphine. Nog eens drie kwartier onderweg. Het loopt tegen negenen als we het zwijgende huis in het midden van een schetterende buurt binnenstappen. Voor de broer en de oudste zoon van Delphine en voor de overige aanwezigen komen enkele “vriendinnen en een passant” op bezoek. Het medeleven laat zich voelen in een gênante stilte die af en toe wordt doorbroken met ‘bedankt dat jullie gekomen zijn’ en ‘goede moed’. De bescheiden som van de collecte wordt overhandigd aan de oudste zoon die ze op zijn beurt aan Delphine’s broer geeft. We nemen afscheid. Terug op het asfalt ontbrandt al vlug de verontwaardiging: ‘Dat geld was voor háár! Nu heeft de familie het in handen. En ze dreigt al het huis te worden uitgezet sedert haar man enkele maanden geleden begraven werd!’ In de bustaxi waar we ons moeten inwringen, luwt de boosheid vlug en bespreken de vrouwen hun thuiskomst. Rose, moe, vertaalt: ‘Het is al een overwinning dat wij van onze mannen twee keer in de maand een hele zaterdagnamiddag uit mogen. Vanavond moeten we nog even uitleggen waarom het wat later werd dan gewoonlijk.’ Het loopt tegen tien uur. We schommelen met de taxibus door de Rue des Princesses. De koplampen vangen de benen en de frêle pakjes van de tippelaarsters. Hier maakt geen enkele man zich zorgen om op tijd thuis te zijn.

De deur op een kier

Rose en de Kameroense dokter Fampou van het academisch ziekenhuis aan de rand van de volkswijk Treichville helpen mij om kleine bressen te vinden in het cordon sanitaire rond seropositieven en aidspatiënten. Al zijn ook die onder voorbehoud. ‘Geen namen. Geen foto’s’, luidt het. Tenzij iemand niets meer te verliezen heeft. Hubert N’Goran, bijvoorbeeld, is zevenendertig en werkte vroeger als vertaler. In een bureautje volgestapeld met papieren, een computer en een ventilator probeert hij een megafoon aan de praat te krijgen. ‘Ik houd niets meer over in mijn handen. Ik kan niets achterlaten voor mijn twee kinderen. Met de kracht van de verontwaardiging drijf ik de dood terug in de geesten van de seropositieven die mij opzoeken. Kortgeleden richtte ik Gap+ op, een organisatie die seropositieven samenbrengt en verdedigt. Ik bezweer hen zichzelf te aanvaarden, te respecteren. Zorgzaam om te springen met de jaren die hen resten. Want alles is risico. De dood ligt overal op de loer.’ Hubert slaagt er niet in de megafoon te herstellen en geeft hem door aan zijn collega. ‘Ik leerde te spreken. De opgelegde stilte, het niet aanvaard worden door de familie en het zwijgen, dat is pas de echte dood. Wij moeten hard vechten tegen de clichés. En tegen de boosaardigheid van mensen en instellingen. Er is bijvoorbeeld een ziekenhuis dat aidspatiënten hooguit op het einde van de gang tolereert en er zijn families die eisen dat wij onder aidspatiënten de begrafenis betalen. We kennen schoonfamilies die de weduwe met alle zonden beladen en verjagen na de dood van hun partner en we hebben een regering van generaals die zegt geen geld meer te hebben voor geneesmiddelen.’

Die grimmige muur van afwijzing wordt tastbaar als Hubert mij na het gesprek meeneemt naar het Nationaal Centrum voor Aidsbestrijding in Treichville. ‘Hallo, is hier iemand?’ Achter de deur van het onthaal is er gestommel. ‘Ja?’, geeuwt een stem. ‘Is hier iemand?’, herhaalt N’Goran geduldig. Gemorrel in het slot. De deur gaat op een kiertje open. ‘Ik kwam even langs.’ ‘Oh ja?’ De deur gaat weer dicht en op slot. We denken even dat de stem iets aantrekt om ons te ontvangen. Als achter de deur de stilte zich weer genesteld heeft, kijkt Hubert mij voor één keer verslagen aan. Voor één keer verschijnt in zijn ogen de berusting die anderen zo comfortabel lijkt te zitten. Zoals Clémentine, die alles in handen van God en de dominee laat en die haar man met wie ze nu als broer en zus samenleeft vergaf. Zoals Sinan, die alleen nog hoopt een “heilige vrouw” te vinden omdat een eenzaam bed hem ondraaglijk lijkt en zijn buren zich anders vragen zouden gaan stellen. Ook al stierven zijn vrouw en een dochtertje wellicht door zijn toedoen aan cette maladie-là.

Maar zo zit Chantal niet in elkaar. Zij houdt het leven voor bekeken en wil nu met rust gelaten worden. Ze stelde toch zelf voor om te praten? ‘Ja, maar nu ben ik nerveus. Ik voel me rot. Ik ben zelfs niet opgekleed, nauwelijks gekamd. Weet je, met tressen en mijn brilletje sta ik mooi.’ Ze bestelt in het verlaten café Le Boss Plus een tweede flesje frisdrank en doet tegenover de serveerster lastig. De drankjes smaken haar te zuur. Ze zijn niet koud genoeg. ‘Ik ben drieëndertig. Gescheiden, al elf jaar lang. Ik heb een zoon van vijftien en een van tien die ik maar zelden zie. Mijn vader zegt dat ik niet lang meer te leven heb. Als hij mij vraagt hoe het met mij gaat zeg ik ça va, ik wil hem geen pijn doen. Mijn moeder, zij weet van niets.’ Vroeger ging ze tressen vlechten in de buurt, nu woont ze bij haar nicht Sylvie in, ze zorgt er voor het eten. Maar dan stokt het gesprek. Chantal flapt er verstoord uit: ‘Ach, jij’ en klakt misprijzend haar tong. ‘Sylvie weerhield mij ervan om zelfmoord te plegen. Was het niet voor haar… Niks geen angst voel ik meer.’ Ik probeer mij haar voor te stellen met tressen en een brilletje op. ‘Laat maar. Zeg jij maar zoals iedereen: “Chantal, je hebt het zelf gezocht.” Ik zie de argwaan achter je ogen.’ De deur die eventjes op een kiertje heeft gestaan, valt met een klap dicht. Nu voel ook ik mij verslagen. Alsof Chantal mij nog wil gunnen haar een plezier te doen, polst ze of ik in België een seropositieve man kan vinden die met haar wil corresponderen. ‘Hij moet niet mooi zijn maar wel in God geloven.’ Een halfuur later gidst zij me naar een bushalte. ‘Zie ze omkijken naar ons, ze prijzen mij gelukkig dat ik een Europeaan aan de haak sloeg!’ Als de bus aankomt: ‘Bel je als je veilig aangekomen bent?’ Anderhalf uur later doe ik dat. Haar stem klinkt zachter. ‘Ben je boos op mij? Vergeef me. Je noemt me toch Chantal in je verhaal hé?’

Harde woorden in de oase

‘Ik zat als een arme langs de weg, maar hier ben ik koning.’ Het witte laken wordt dichtgeschoven. De repetitie is ten einde. Overmorgen is er feest in De oase van de zusters van moeder Teresa. De zieken zullen een sprookje presenteren. Een koning ziet zijn levenseinde naderen en wil de kroon overdragen aan de man of de vrouw die boven alles God bemint en zijn naaste als zichzelf. Kortom, aan een gouden hart als dat van de blauwgebiesde witte sarongs. De al te voorspelbare troonopvolger ontmoet op zijn weg naar het paleis een bedelaar aan wie hij een kledingstuk, een homp brood en een schietgebedje schenkt. Zuster Meredith die de regie in handen heeft, slaagt er maar niet in om enige theatrale verbazing op het gezicht van de troonopvolger te toveren als die de koning ontmoet.

Bij mij slaagde zuster Meredith daar drie dagen eerder moeiteloos in. ‘Geen namen. Geen foto’s.’ Dat wist ik al. Maar Meredith ontwapende mij helemaal: ook notities nemen werd verboden. Haar overste, de Franse zuster Bernadette, zag er eerst geen graten in om enkele dagen bij de aidspatiënten van De oase te verblijven en naar hun verhalen te luisteren. Maar ook tussen de heiligste zusters bestaan communicatiestoornissen. Op een morgen zit ik bij de wenende Kone, die klaagt dat hij ‘alleen nog een jongere zus heeft maar weet niet waar ze nu verblijft.’ Op dat moment verschijnt Meredith aan het voeteneinde van Kone’s bed en bliksemt mij in de grond. ‘Waar ik de onbeschaamdheid vandaan haal.’ De daaropvolgende dagen kan ik dus alleen “ongewapend” het dertigtal mannen en vrouwen en de vijftig kleuters van De oase bezoeken.

Toch mag ik dankbaar zijn om die toelating want alle bezoek hier is strak beperkt tot zaterdag- en zondagnamiddagen van half vier tot vijf. Al duiken ook dan niet veel familieleden op. Niet zelden uit schrik dat hun zieke familieleden hen om materiële hulp zouden vragen. ‘Het leven is voor niemand gemakkelijk in deze tijd.’ Andere families wonen eenvoudig te ver weg. Marie –‘ik ben moslim maar mijn grootvader vond het een mooie naam’- is uit Mali en heeft hier geen familie meer. De frêle Joaquim is achtendertig komt uit Guinee-Bissau. Zijn vrouw weet niet dat hij nu hier verblijft. Anderen zijn drenkelingen uit de grootstad. Maxim, zesentwintig, werd van de straat gehaald. Honoré is vier en kruipt over de gele tegeltjes van de kinderafdeling. Hij had van bij de geboorte een waterhoofd en was dus “behekst”. Zijn moeder werd verplicht haar kind in de lagune te gooien. Op het laatst bedacht de vrouw zich en legde ze haar zuigeling in het riet aan de oever en plaatste er een lantaarn bij. Ama Louano is ook moeder. Ze is twintig en peutert met haar ranke vingers verf los van de tralies in de gang voor de slaapzaal. Haar knie is hard en gezwollen. Aids vermomt zich hier bij iedereen als een eigenaardige maar tijdelijke ziekte. Eén van Amas drie kinderen zit in de crèche van deze oase. Alleen op zondag mag zij de tweejarige Camara bezoeken. ‘Vindt ze dat niet zonde?’, vraag ik haar zachtjes. Zij: ‘Wenen is voor niemand goed.’ Bij de meeste patiënten maakt de dood al zijn opwachting. Over de gezichten ligt gelatenheid. Enkele vrouwen dragen nog levendig gekleurde panen. De mannen hebben uniforme, witte t-shirts met Total erop. Hier en daar verschijnt een flauwe, dankbare glimlach om nog een beetje liefde. Maar woorden waaronder hoop of opstandigheid schuilgaan, zijn vergeten. Boosheid zie en hoor ik enkel als een jongetje geen pindanootjes maar biscuits van de markt meebrengt voor Ibrahim of als Samuel merkt dat iemand een praatje wil beginnen en hoofdpijn simuleert.

De ochtend vóór mijn afreis blijf ik nog enkele uren in De oase rondhangen. Ik vertel niemand dat ik eigenlijk afscheid kom nemen. Waarom ook? Enkelen druk ik nog zacht de hand. Haidra die ik bij een eerste ontmoeting zo vermoeid heb omdat hij met zijn iele adem nauwelijks de ‘h’ van zijn voornaam kon aanblazen. Elisabeth streel ik over haar wang terwijl zij slaapt. Eergisteren vertelde ze me, met een oog dat voortdurend wegdraaide, hoe ze hoopte over drie dagen naar huis te kunnen. Op het bankje voor een bloemenweelde van bougainvillea en gele, rode en paarse hibiscussen haal ik nog eens diep adem. Kone schuift bedeesd naast mij op de bank. Hij wilde nog iets vragen. Sedert de uitbrander van zuster Meredith hangt er iets kameraadschappelijks tussen ons twee. ‘Zou je, voor je terugkeert van waar je komt, voor mij twee zakjes Nescafé en wat suikertjes willen kopen op de markt?’ We glimlachen allebei. Een halfuur later lukt het om de schat onder Kone’s kussen te schuiven zonder dat jaloerse of gestrenge ogen er iets van merken. Kone kent de uren dat zuster Meredith niet met hen maar met Jezus praat.

Buiten de muren van De oase grijpt de middagdrukte om mij heen. Mensen wurmen zich in bussen, claxonerende taxi’s jagen de bussen op en sjouwers schelden de taxichauffeurs de huid vol. Maar zelden zie ik iemand die zich écht boos maakt. Ik schuif aan op een kruk voor een eetstalletje. Een jongetje zit op een andere kruk over zijn huiswerk gebogen. Vanachter een omelet en een half stokbrood geniet ik verder van het spektakelstuk Afrika dat tevergeefs door twee politieagenten nu en dan een halt wordt toegeroepen of bekeurd. Twee stalletjes verder herken ik het meisje dat me de koffiezakjes en suikertjes verkocht heeft. Ze danst terug naar haar kraampje met een plastic zakje water in haar rechterhand. Rond haar as draaiend bijt ze van het glinsterende zakje een tip af, huppelt drie stappen achteruit en spuit het water als een hoepel om zich heen. Dan blijft ze staan. Haar rode rok valt terug in de plooien. Ze drinkt en spuugt met een sierlijke straal het water uit haar mond. La vie en rouge.

Twee gezichten, één epidemie

‘Het Noorden praat veel over aids, heeft de noodzakelijke medicamenten en voldoende geld ter beschikking, maar het is Afrika dat door de epidemie geteisterd wordt. Van de drieëndertig meest geïnfecteerde landen bevinden er zich dertig beneden de Sahara’, vertelt Michel Guéry, jezuïet en directeur van het onderzoekscentrum INADES in Abidjan. Hij noemt aids in Afrika -in tegenstelling tot het Noorden- voornamelijk een sociaal en geen medisch probleem. Guéry kijkt dan ook erg kritisch naar door het Noorden gefinancierde en bemande onderzoekscentra die mijlenver van de lokale gezondheidszorg staan: ‘De mogelijkheid in het Noorden om aids te stabiliseren en de onmogelijkheid in het Zuiden om van die vooruitgang te profiteren, schept een onverdraagbare tegenstelling’. De eenzijdige promotie van condooms maakt hem boos: ‘Een epidemie houd je niet tegen met condooms. Wél met een mentaliteitsverandering.’ Niet dat hij daarmee als jezuïet langs een achterpoortje een katholieke dogma wil verdedigen. Als lid van de nationale ethische commissie rond aidsbestrijding bepleitte hij als eerste het gebruik van condooms. Voor Guéry moet er echter vooral toekomst geschapen worden: ‘De hoofdoorzaak van aids in Afrika is de armoede en de daaruit voortvloeiende migraties en ontwrichting van het sociale netwerk. Het aantal jongeren met seksueel overdraagbare ziektes daalt met de helft als zij perspectief krijgen op werk.’

HIV test de Afrikaanse solidariteit

Aids stelt de Afrikaanse solidariteit in dubbel opzicht op de proef. Enerzijds wordt de al precaire situatie van vele families extra belast door de kosten van geneesmiddelen en therapieën en de mogelijke werkongeschiktheid. Maar ook de sociale status van de seropositieven en het familienetwerk staan onder verhoogde druk.

De Franse onderzoekster Judith Hassoun verklaart echter dat het weinig waarschijnlijk is dat door de stijgende armoede aids tot een ‘wilde individualisering’ van de Afrikaanse solidariteit zou leiden. Hassoun: ‘Integendeel, aids versterkt de macht van de familie. Voor de zieken blijft de familie de enige hoop op overleven.’

De zwaarste testcase voor de solidariteit vormen de geïnfecteerde moeders. Zij moeten van oudsher zorgen voor, in plaats van verzorgd te worden door het gezin. Zij betalen doorgaans de hoogste prijs voor het overleven van het familieinstinct. Vaak staan ze onmachtig tegenover hun echtgenoot die weigert om zich op aids te laten testen en krijgen zij bij de dood van hun echtgenoot door de schoonfamilie de schuld in de schoenen geschoven. Dan worden ze onterfd en verjaagd. Al maakte een studie over seropositieven in Abidjan duidelijk dat vrouwen op de eerste plaats bezorgd zijn voor zichzelf, hun kind en de familie, terwijl mannen vóór alles denken aan zichzelf, hun job en hun sociale status.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3260   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift