Reportage uit Istanbul

Istanbul is de navel van de wereld. Je hoeft geen Turk te zijn om dat te geloven. De kleine handelsnederzetting aan de Bosporus groeide uit tot een machtscentrum dat achtereenvolgens Constantinopel, Byzantium en Istanbul zou heten. Sinds mensenheugenis ligt de stad op het kruispunt van culturen, politieke invloedsferen, handelsroutes en migratiebewegingen. Anno 2001 wappert de rode vlag van het Turkse nationalisme ook in Istanbul.

Nadire Mater en Ertugrul Kürkçü zijn twee Turkse journalisten die geregeld voor Inter Press Service werken. Mater kwam vorig jaar nog onzacht in aanraking met de Turkse staat toen een boek van haar verboden werd omdat het getuigenissen bevatte van soldaten die ingezet werden tegen de Koerdische PKK. Wereldwijd Magazine vroeg Mater en Kürkçü om op pad te gaan in Kadirga, een van de armere wijken van de stad. Zij zochten uit wat een nationale identiteit betekent voor mensen daar. Hoe zegt een Koerdische oorlogsvluchteling: ‘Ik ben Turk’?

‘Ik ben Turk, ik ben trouw, ik ben ijverig.’ De vierhonderdvijftig schoolkinderen schreeuwen hun vijf voorgangers na. Het is acht uur en maandagochtend, de kinderen zien er nog slaperig uit. Hun schouders zijn gebogen. Niet echt een weerspiegeling van de nationale trots die ze uitroepen. Misschien ligt het aan de boekentassen die ze daarnet tot hier gesleept hebben. De week begint voor de kinderen in de basisschool van Kadirga altijd met het afleggen van de Turkse eed. Vierhonderdvijftig kleine Turken ‘s ochtends, nog eens zoveel in de namiddag. De woorden die over de speelplaats galmen, zijn een weergave van de visie van Kemal Atatürk, vader des vaderlands en stichter van de Turkse Republiek. Hij wou dat zijn landgenoten zichzelf zouden zien als trouwe, ijverige Turken. ‘Het is mijn plicht de ouderen te respecteren en de jongeren te beminnen… Ik biedt mijn leven voor het Turkse bestaan…’ Zodra de plechtigheid voorbij is, trekken de kinderen naar de klaslokalen.

Evin Orak glundert. ‘Dit is de vijfde keer al dit jaar dat ik de eed mag leiden’, zegt ze. ‘Ik hou van Atatürk. Hij redde ons van onze vijanden.’ Wie die vijanden waren, daarvan heeft de negenjarige Evin geen idee. De helft van de kinderen in deze school zijn van Koerdische families die de afgelopen vijftien jaar het oorlogsgeweld in het zuidoosten ontvlucht zijn. Evin is één van hen. Haar familie is afkomstig uit Mardin, niet ver van de grens met Irak. Haar vader is werkloos, het gezin van tien overleeft met het inkomen dat twee oudere broers bij elkaar werken.

‘Mijn moeder heeft er geen idee van wie de ouders van Atatürk waren’, zegt Evin, die zelf wel de hoogtepunten van de Turkse geschiedenis van buiten kent. Ze geniet zichtbaar van alles wat ze op school leert. Toch kijkt ze verlangend uit naar de zomervakantie en naar het bezoek aan haar geboortedorp. Ook zou ze graag koranschool volgen. Evin weet nog niet dat haar grote held Atatürk niet zo gelukkig zou zijn met haar ambitie om de islamitische doctrine te absorberen. Hij had een Turkse jeugd voor ogen die zou opgroeien met westerse en wetenschappelijke waarden. De familie Orak weerspiegelt de realiteit van Turkije echter beter dan de hooggestemde idealen van de generaal die tachtig jaar geleden de complete ondergang van het Ottomaanse rijk voorkwam. De burgers van het hedendaagse Turkije blijven erfgenamen van een multi-etnisch verleden, waarin uiteenlopende volkeren en godsdiensten onder één bestuur gebracht werden. Die verscheidenheid laat zich niet zo makkelijk omsmeden tot een eenduidige Turkse nationaliteit. Het onderwijssysteem probeert al decennialang burgers te vormen naar de idealen van Atatürk. De geesten en harten van de mensen blijven echter verdeeld en twijfelend.

Tussen heden en verleden

De Kadirga-wijk ligt in het hart van Istanbul. Aan de ene kant van de wijk vind je de monumenten die getuigen van Turkije’s roemrijke verleden. Het Topkapi Paleis, de Blauwe Moskee, de Hagia Sofia, stuk voor stuk architecturale hoogstandjes die aantonen hoe welvarend deze plek vroeger was. De huizen van Kadirga met hun unieke combinatie van hout en stenen zijn echter al lang vervallen. De muren staan op invallen, de gevels hebben in geen jaren nog verf gezien en zowat alle versieringen zijn stuk. En in de schaduw van de Blauwe Moskee staan de ruïnes van de Armeense en Griekse kerken van Kadirga. Aan de andere kant grenst Kadirga aan Kumkapi, het uitgaanskwartier van Istanbul. Elke avond zakken welgestelde Turken en toeristen uit de hele wereld af naar de honderden cafés en restaurants. Daar doen ze zich te goed aan “meze” -Turkse hapjes- en visgerechten. Voor en na wordt “raki” -Turkse brandewijn met anijssmaak- geschonken. Roma-muzikanten spelen ondertussen Turkse muziek voor de gasten. De rijkdom van heden en verleden is tastbaar nabij voor de mensen van Kadirga, maar sociaal zijn ze er lichtjaren van verwijderd.

Vertrouw op uzelf

‘Ik ben Turk.’ Voor kinderen is het een onderdeel van het lesprogramma, maar hoe denken de volwassenen van Kadirga over die schijnbaar simpele vaststelling? De zoektocht naar visies en ervaringen begint waar de speelplaats eindigt, in een van de oudste parken van Istanbul. Het vijvertje in het midden is gevuld met modderig water en de fontein is al zo lang buiten werking dat niemand zich nog de frisse waterstraal herinnert. ‘Die nacht voelde ik me een volbloed Turk’, zegt Bülent Çeker, een 56-jarige gepensioneerde die zijn tijd doodt op een bank in het park. Hij kijkt naar wolken. ‘De hele nacht heb ik geweend. Zo blij en zo emotioneel was ik.’ Hij verwijst naar de avond dat Galatasaray de UEFA-cup won. Bülent is geboren in Bosnië. Hij gelooft dat alle Europeanen afstammelingen van de Turken zijn. ‘Onze voorouders zijn toch opgerukt tot aan de poorten van Wenen’, zegt hij. Voetbal is een vlag die blijkbaar op een vanzelfsprekende manier etnische en sociale conflicten bedekt. Heel Istanbul was Turks toen Galatasaray won, meer nog dan toen Hakan Sükür de Rode Duivels met 2-0 een neus zette op Euro 2000. De nationale gevoelens van Bülent Çeker blijken echter niet helemaal opgewassen tegen zijn dagelijkse zorgen. ‘Ik ben nooit getrouwd geraakt en heb altijd voor een hongerloon moeten werken’, klaagt hij. ‘Ik leef nu samen met mijn moeder van mijn pensioentje van omgerekend 9000 frank per maand. Op tv zie ik dat Duitsers en Amerikanen het veel beter hebben. Bovendien worden we in de steek gelaten door onze politici. “Turken, wees trots, werk hard en vertrouw op uzelf”, zei Atatürk. En wat zie ik? Politici die ons hun corrupte praktijken proberen te verkopen als goed bestuur. Als zij de vertegenwoordigers zijn van de Turken, wie ben ik dan?’

De laatste Turk

Een park in Istanbul is geen geschikte plek voor een gesprek onder vier ogen. Een veertiger heeft zich bij ons gevoegd. Hij wil zijn naam niet in het blad, maar heeft wel een uitgesproken andere mening dan Bülent Çeker over de veranderingen die de Kadirga-wijk ondergaan heeft. Hasan, laten we hem zo noemen, vindt de verturksing van de wijk het ware probleem. ‘Al sinds de jaren zestig wordt het leven van de niet-moslims in Kadirga moeilijk gemaakt. De dagelijkse pesterijen deden hen verhuizen, waarna hun huizen werden leeggeroofd. Turken zijn plunderaars’, besluit hij. Hasan heeft zijn wortels in het oosten. Zijn moeder is Koerdische, zijn vader Turkmeen uit Centraal-Azië. Die afstamming van vaderszijde verbindt Hasan met de officiële legende over het ontstaan van de Turkse staat en identiteit. ‘Heel lang geleden leefden de Turkse stammen in de vlakten van Centraal-Azië. Ze waren welvarend en stonden in hoog aanzien. Ze waren de uitvinders van het wiel en de voortrekkers van de menselijke beschaving. Ze hadden de kunst van het oorlogvoeren volledig onder de knie. Als gevolg van een decennialange droogte geraakten de nomadische Turkse stammen echter op de rand van het uitsterven. De laatste Turk paarde met Asena, een wolvin. Zo werd het Turkse volk herboren uit de baarmoeder van een wolvin. Daarna trokken de Turken vanuit Centraal-Azië westwaarts. Het ene na het andere gebied werd veroverd. Alle volkeren die ze op hun weg ontmoetten, werden verturkt, waardoor de mensheid de beschaving bijgebracht werd. Uiteindelijk vestigden zij zich in dit land, de laatste van de zestien Turkse staten uit de geschiedenis.’

Hasan is net zo tegenstrijdig als de stad waarin hij leeft. ‘Natuurlijk voel ik mij Turks’, zegt hij verwonderd op onze vraag. ‘Anders zou ik hier niet kunnen leven. Dan moest ik ook emigreren naar Zweden of Nederland.’ Het onderscheid tussen een Turk en een niet-moslim kan hij niet benoemen, maar: ‘Je voelt dat aan. Ik herken een Turk uit duizenden, aan de manier van gaan, aan de manier waarop hij zich gedraagt.’ In één adem beklaagt hij de toekomst van de stad die ontdaan wordt van haar diversiteit. ‘Toen onze buurt nog gemengd was, leefden we in vrede met elkaar. Nu de niet-moslims grotendeels verdwenen zijn, loopt het uit de hand. Elke dag zijn er overvallen en straatgevechten.’

Een muur van stilte

De straatjes van Kadirga zijn steil en smal. De beloofde straatcriminaliteit hebben we op onze tochten niet ontmoet. Kadirga geeft integendeel de indruk een gemoedelijke plek te zijn. Vrouwen leven hier op de stoep, onder draden met drogend wasgoed. Mannen treffen elkaar in de “kahvesi”, de koffiehuizen. In het eerste koffiehuis dat we bezoeken, houdt Atatürk dronkaards en ruziezoekers in de gaten van boven de verwarming. Rijen theeglaasjes vullen de rekken achter de toonbank. Maar wij hebben behoefte aan een kopje Turkse koffie. Geen probleem, Iskender -de uitbater- maalt de koffiebonen in een kleine koperen pot. Even later pruttelen donkerbruine belletjes aan de oppervlakte. Koffie wordt in Istanbul heet geschonken. Iskender had eigenlijk Alexander moeten heten, want hij is van Armeense origine. Maar de ambtenaar met dienst vond dat een christelijke naam alleen maar voor problemen kon zorgen in de toekomst en overtuigde zijn vader er dus van voor de Turkse versie te kiezen. Iskender is één van de ongeveer vijfhonderd niet-moslims die nog in dit deel van Istanbul wonen. Op vijf vierkante kilometer heeft hij 80.000 islamitische buren. ‘Onze gemeenschap verdwijnt. We worden allemaal ouder en sterven.’ Iskender betreurt het, maar kan er niets aan verhelpen. ‘De huizen die de vereenzaamde Armeniërs achterlaten, worden ingenomen door nieuwe immigranten, Koerden vooral.’ Een tweede kopje koffie en Iskender verlaat het heden om terug te keren naar de tijd dat zijn voorouders hun geboortestreek verlieten. ‘Niemand die ouder is dan veertig spreekt over de tijd van de “tehcir” of deportatie, zoals de Turkse staat de periode in 1915 noemt waarin een miljoen Armeniërs uit hun huizen en dorpen verdreven werden. De slachtpartijen van toen worden achter een muur van stilte verborgen. Mijn grootmoeder was de uitzondering op de regel. Zij vertelde ons vaak over de verschrikkingen van het verleden, maar als we haar woorden herhaalden, ontkende ze. Dan zei ze dat we haar verkeerd begrepen hadden. Ze werd 105 jaar oud, maar nooit liet ze me toe om haar verhaal op band op te nemen.’ De familie verbleef eerst nog een tijd in een dorp in het binnenland. Daar woonden een zestal Armeense gezinnen en een vijftigtal gezinnen van Turks-Bulgaarse oorsprong. ‘We schoten goed op met elkaar’, herinnert Iskender zich. ‘De “Bulgaren” hadden in een christelijke omgeving geleefd en kenden dus onze gebruiken. We organiseerden onze vasten en hun ramadan samen. Discriminatie heb ik pas in Istanbul leren kennen.’

Bij een volgend kopje koffie zet Nazim Özyurt zich erbij. Hij werd geboren in de Turkse gemeenschap in Bulgarije. In 1978 zag hij de kans schoon om de gedwongen assimilatiepolitiek van het communistische regime te ontvluchten en de sprong te wagen naar het Land van Belofte. Sindsdien staat hij achter de toonbank van een kippenwinkel in Kadirga.

‘We kregen in Bulgarije ooit eens bezoek van een tante uit Turkije. Zij bracht een ei mee en het hele dorp passeerde om het aan te raken, zoals je doet met een sacraal voorwerp. Een ei uit het moederland!’ Twee decennia later voelt hij zich in de steek gelaten. ‘Mijn dochter is hier geboren maar haar leraar klasseert haar onder mijn geboorteplaats. Zij wordt niet aanvaard als Turkse maar wordt gezien als “Bulgaars-Turkse”, een minderwaardige categorie. Als we kritiek uiten, krijgen we altijd te horen dat we dan maar moeten terugkeren naar het land waar we vandaan komen. In Bulgarije wensten ze ons naar Turkije, hier zeggen ze: “Waarom ga niet terug naar Bulgarije?” We vallen altijd tussen twee stoelen en we krijgen nooit de kans om onszelf tenvolle te bewijzen.’

Het is de oorlog die de sfeer tussen de mensen verpest, daarvan is Iskender overtuigd. ‘De golf van Turks nationalisme die door het land ging sinds het begin van de Koerdische oorlog vernietigde de relatieve tolerantie die Kadirga kenmerkte. Voorheen kon ik mijn problemen op het politiekantoor nog regelen met een geschenkje, nu is de afstand veel groter geworden.’ Anderzijds gelooft Iskender dat de hele Koerdische kwestie een aanzet is geweest voor alle gemeenschappen in Turkije om opnieuw na te denken over hun eigen, particuliere identiteiten. Er is opnieuw een Armeense krant en er zijn politici die opkomen voor de Armeense zaak. Een hele vooruitgang, vindt Iskender.

Was ik maar een Amerikaan

Elke “kahvesi” in Kadirga heeft een specifieke clientèle. In het koffiehuis dat genoemd werd naar de berg Erciyes hebben de mannen uit Kayseri, een provincie in het diepe binnenland, hun vaste stek. De meeste bezoekers blijken Öztürk te heten, wat letterlijk vertaald Ware Turk betekent, al zijn ze geen familie van elkaar. Ze delen niet alleen hun regio van afkomst, maar ook hun politieke overtuiging. Deze plek behoort toe aan de Nationalistische Actie Partij, de partij die in de jaren zestig en zeventig Turkije op de rand van de burgeroorlog bracht met haar anti-communistische aanslagen en die sinds de jaren tachtig vooral mobiliseert tegen het Koerdische streven naar meer autonomie. De partij scoort daarmee erg goed bij de kiezers uit Centraal-Anatolië, van waar de meeste soldaten komen die in het zuidoosten ingezet worden tegen de PKK. Erciyes Kahvesi heeft een prachtige tuin en de -meestal werkloze- bezoekers zitten er onder een oude plataan. Werkgevers die op zoek zijn naar iemand die een dag of twee wil bijklussen, komen vaak langs hier. Vroeger verdienden de jongens en de mannen uit Kayseri hun kost als schoenmakers of schilders. Vandaag zijn zowat alle tafeltjes bezet. ‘Er is steeds minder werk’, zegt een van de gasten.

Orhan Öztürk geeft toe dat Istanbul hem ontgoocheld heeft. ‘Ik droomde dat het leven in de stad zou zijn zoals je het in de soaps op tv ziet’, zegt hij. In de plaats van modieuze kleren en een appartement vol snuisterijen, moest Orhan van kindsbeen af zwoegen voor een hongerloon. ‘Ik begon als hulpje bij een schoenmaker en werk nu als huisschilder. Ik heb nog geen rijkdom gezien, maar al wel een heel leven thinner ingeademd. Wat wil je, dat is ons leven.’ Ali Osman, een andere Öztürk, probeert de sfeer wat op te peppen en begint over de nacht van Galatasaray. ‘De Turkse vlag wappert over Europa’, pocht hij. ‘Sinds 1905 hebben we altijd verloren van de Europese ploegen. Dat is nu voorgoed voorbij. Ze hebben onze kracht gevoeld. De kracht van de Turken.’ Erciyes Kahvesi is het hol van de wolf, dus we brengen het niet te berde, maar zelfs de Koerdische inwoners van Istanbul geraken door het dolle heen als Galatasaray wint. PKK leider Abdullah Ocalan verklaarde zijn sympathie ooit door te wijzen op de kleuren van de ploeg, rood en geel. Als de spelers op de groene grasmat komen, verschijnt de Koerdische vlag, zei hij. De golf van nationalisme die Galatasaray teweegbracht, blijft uit op het moment dat de Turkse nationale ploeg succesvol door de eerste ronde van Euro 2000 geraakt. ‘Wij vochten voor de eer van het moederland en de natie, maar op het thuisfront stak de kritiek ons het mes in de rug’, kloeg Hakan Sükür. Overigens wijst een van de koffiedrinkende Öztürks er ons op dat er bij de emotionele overwinningsfeesten weliswaar duchtig met de nationale vlag gezwaaid werd, maar dat jonge werklozen ‘s anderdaags in hun koffiehuizen alweer tegen elkaar zaten te klagen. ‘Was ik maar een Amerikaan’, hoor je vaak als het tijd is om de rekening te betalen.

De vrouw des huizes

Twee mannen staan woedend tegenover elkaar op een met bomen omzoomde weg. Een hard woord, een goed gekozen belediging of een hoogoplopende discussie in het midden van de straat, niemand kijkt er van op. Het zijn vaak eerder uitingen van kameraadschappelijke omgang, dan van vijandschap. Dit is echter een heuse straatrel.’Hou me niet tegen’, roept een van hen. Gelukkig begrijpt iedereen dat omgekeerd, zodat het niet tot een echt gevecht komt. Er volgt nog wel een heleboel Turks machistisch opbod, maar uiteindelijk dooft de commotie uit. Yashar, een van de vechtersbazen, zet zich zwetend en zuchtend op de stoep. ‘Hij behandelde me als een vrouw’, jammert hij. ‘Ben ik soms zijn echtgenote?’ Zijn klacht wordt bruusk onderbroken door een vrouw die passeert. ‘Nu nog mooier’, roept zij uit. ‘Twee mannen die vechten en op het einde van het verhaal krijgen de vrouwen nog de schuld. Vecht dan met mij!’ De man kijkt haar verbaasd aan en verontschuldigt zich. Ook de andere mannen weten even niet waar ze het hebben. Voor hen is het de normaalste zaak van de wereld dat ze elkaar beledigen met verwijzingen naar de vagina’s en achterwerken van hun moeders en zusters. Dat vrouwen daarmee niet gediend zijn, daarbij hebben ze blijkbaar nog nooit stilgestaan.

Dat vrouwen vaak buiten het perspectief van de mannelijke gesprekken of discussies vallen, blijkt diezelfde avond als we ingaan op de invitatie van Hüsamettin Bayram. Zijn gezin betrekt een nieuw appartement, in een van de betere straten van Kadirga. Door het venster kijk je uit op een pleintje dat afgezoomd wordt door openbare gebouwen. In de woonkamer vind je de smaak weerspiegeld van het Turkse welstellende gezin. Ingekaderde foto’s op het buffet. Een kanten doek op de eettafel. Kunstbloemen in de hoeken. De indringende geur van aubergines en met look bereide yoghurt. Nursel, de vrouw des huizes, bereidt het avondmaal. Twee kinderen zetten de boel op stelten, maar onze gastheer wordt niet uit zijn concentratie gehaald. Nursel is er immers. De hele avond is Hüsamettin druk in de weer met ons. Later op de avond belt buurman Hakki aan. Hij schuift bij aan tafel en levert desgevraagd of ongevraagd zijn opinies over gelijk welk onderwerp. De mannen weten van wanten als het over politiek gaat. Zij kennen de geheime plannen van de regering, zij weten welke plaats de islam moet krijgen in Turkije. ‘De echte kloof tussen de mensen van Kadirga heeft niet te maken met nationaliteit of etniciteit, maar met armoede en rijkdom’, beweert Hakki. ‘We zijn allemaal Turken’, zegt Hüsamettin. Nursel heeft ondertussen al lang de tafel afgeruimd. Het maakt haar niet uit of ze al dan niet thuishoort onder de rood-witte vlag. De afwas moet nog gedaan worden en de kinderen moeten dringend naar bed.

Een Turk, natuurlijk

‘Ik versta hun taal niet’, klaagt Bahar. Ze heeft acht kinderen op de wereld gezet sinds ze vierentwintig jaar geleden in Istanbul kwam wonen. Bahar heeft moeite met de Koerdische inwijking in haar buurt. ‘Ze koken anders, gebruiken andere kruiden en bovendien houden ze vast aan hun eigen taal. We zijn buren, maar begrijpen elkaar niet. We zijn allemaal Turken, natuurlijk. Toch vind ik dat Turken Turks moeten spreken.’ Haar echtgenoot is werkloos, Bahar verdient een hongerloon als poetsvrouw. ‘Eigenlijk maakt het allemaal niet zo veel verschil’, nuanceert ze wanneer we het over haar inkomen hebben en over de moeilijkheden om de eindjes aan elkaar te knopen. ‘De enige taal die telt in Istanbul is die van het geld. Die spreek ik niet en dus tel ik ook niet mee, Turk of geen Turk.’ Bahars dochter Songül is het daarmee volkomen eens. ‘De zee is hier om de hoek,’ zegt ze, ‘maar het is al meer dan een jaar geleden dat we nog naar het strand geweest zijn. We moeten altijd maar werken om te overleven. Leuk land hoor, Turkije!’ Hoe stelt ze zich het leven dan wel voor, vragen we. ‘In mijn dromen verhuis ik naar het buitenland, naar Amerika of Duitsland. En dan vind ik daar een man om mee te trouwen. Een Turk, natuurlijk.’

Haar vader -een Turk, natuurlijk- heeft er geen problemen mee om toe te geven dat hij zijn vrouw minstens elke maand een pak slaag geeft. ‘Zij heeft dat nodig’, zegt hij. ‘Ik moet haar temmen.’ Een studie van de Universiteit van Istanbul beweert dat een op drie Turkse vrouwen te maken heeft met geweld vanwege hun echtgenoten. Zoon Mehmet beweert dat hij dat nooit zal doen later. Songül geneert zich en wil het onderwerp liefst zo snel mogelijk wegduwen. ‘Wat mij interesseert,’ gooit ze in het midden, ‘is dat we uit deze miserabele omstandigheden geraken. Ik zal maar trots op mezelf zijn als ik me een etentje in Kumkapi kan permitteren.’

De geuren van de visrestaurants en “meyhanes” of tavernes van Kumkapi komen langs de open vensters het appartement binnen, waar Songül haar frustratie verbijt. De klanten ‘stelen er een nacht van hun voorbestemde lot’, zegt een Turks-islamitisch spreekwoord. Ze doen dat luid lachend of fluisterend, raki-drinkend en genietend van heerlijke maaltijden.

Als we er arriveren, zijn de tafeltjes bijna allemaal bezet door vrolijke mensen. De lampjes boven het plein branden en maken het geheel nog feestelijker. De toeristen zijn al begonnen met het buikdansen, hun manier om een “Turkse” sfeer op te roepen, al is er geen enkele Turk die goed bij zijn hoofd is die meedanst. Het feest duurt tot het eerste ochtendlicht de lucht roze kleurt. De schaduwen van de minaretten en kerktorens van Kadirga vallen over het plein en de laatste klanten staan op, duizelig van zoveel raki en gezelligheid. De kinderen uit Kadirga die sinds de dageraad als afwassers of assistent-kelners aan de slag waren, zetten de tafels en stoelen bij elkaar. Dan spoeden ze zich naar school. De vermoeidheid staat al in hun ogen en hun schouders hangen af, maar flink in de maat roepen ze: ‘Ik ben Turk, ik ben trouw, ik ben ijverig.’

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3248   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift