Reportage van op de stranden van de Dominicaanse Republiek

De tropische stranden van de Dominicaanse Republiek scoren hoog in de lijst van exotische vakantiebestemmingen. Tegelijk dromen talloze Dominicanen op die stranden van hún paradijs, Europa, aan de overkant van de oceaan. Een toerist vinden die hen wil meenemen, daar géven ze zichzelf voor. De jongste jaren zoeken steeds meer straatkinderen hun heil op het strand. De vraag naar seks is groot bij de toeristen en de materiële nood van de kinderen is nog groter. De exploderende commercie van kinderprostitutie legt een loodzware hypotheek op de toekomst van het land. Maar er wordt weerwerk geleverd, niet in het minst door de jongeren zelf.

Nieuwe meisjes!

Marina Ureña heeft er een hard hoofd in. ‘Dit is echt het laatste interview dat ik geef ‘, zweert ze met haar hoofd in haar handen. ‘Onderweg naar hier heb ik God voortdurend gevraagd dat hij me de kracht zou geven om te spreken. Ik doe het voor de andere vrouwen, opdat ze twee keer zouden nadenken.’ Elk woord, elke zin moet ze uit haar mond wringen. ‘Een mier voel ik me, een vod.’

De avond voor onze ontmoeting zond de Domincaanse tv een Spaanse reportage uit over de mensensmokkel van Dominicaanse vrouwen naar Spanje. De uitzending werd vorig jaar gemaakt door twee journalisten die zich uitgaven voor pooiers en toont hoe jonge meisjes met valse paspoorten naar Europa werden gesmokkeld. Een zekere meneer Oti, een Nederlander, lokte hen in de val met aantrekkelijke arbeidscontracten voor poetsvrouw, kinderoppas, dienster of danseres. Verder liet het verhaal zien hoe ze van het vliegveld recht het bordeel in tuimelden en door het geleende geld voor de overtocht in een schuldslavernij terecht kwamen. En wie aan dit alles -tot op het hoogste niveau- zijn medewerking verleende.

Marina Ureña is één van de slachtoffers van Oti, de man die tot vóór de uitzending vrijuit opereerde. De reportage van gisteravond heeft haar voor de tweede keer gebroken. De journalisten hadden haar met de hand op het hart beloofd de bijdrage nooit in haar eigen land te tonen en toch gebeurde het. ‘Het is afschuwelijk. Ik heb twee dochters die ik bij mijn vertrek als kleine kindjes achterliet, nu zijn ze twaalf en veertien. Tot voor de uitzending wisten ze niets van mijn verleden. Nu komt alles naar boven. In een eerste reactie aanvaardden ze me niet langer als hun moeder. Het doet zo’n pijn dit verleden opnieuw onder ogen te zien.’ Ze droogt haar tranen en slikt. ‘Ik had voordien nooit in de prostitutie gewerkt, ik wist helemaal niet wat me te wachten stond. Ik kende alleen vrouwen die het gemaakt hadden.’ Uiteindelijk raakte Marina na negen maanden verlost uit de greep van de pooiers, dankzij de hulp van een landgenoot. ‘Zonder bagage, gewoon met wat ik op dat moment droeg, vluchtte ik weg. Ik kon mee met een vrachtboot. Geen cent had ik gewonnen, alleen heel veel verloren.’ Nerveus kreukt ze de schouderriem van haar handtas bij elkaar. ‘Wanneer je geen scholing hebt gehad, zijn de mogelijkheden op de arbeidsmarkt beperkt. Ook hier glijd je zonder het te weten in de prostitutie. Wanneer je arm bent, heb je altijd een droom’, verontschuldigt ze zich. ‘Mijn droom was een eigen huisje en een toekomst voor mijn kinderen. Maar het liep allemaal fout. Het is zo vernederend op dat verleden terug te blikken, je herkent jezelf niet meer.’

Na haar terugkeer begon Marina een nieuw leven. Ze studeerde verpleegkunde en werkt nu in een kliniek in de hoofdstad. ‘Maar het heeft me bloed en tranen gekost om te geraken waar ik nu ben, en dat kost het me nog steeds.’

Marina vertrok in de pioniersjaren, toen begin de jaren negentig het handeltje volop bloeide. Tussen toen en nu gingen bij vele vrouwen de ogen open. De lokroep van Europa blijft en vooral op het platteland ronselen Oti’s handlangers nog steeds. Maar wie nu vertrekt, kent de risico’s van de tocht en weet waar naartoe wanneer het allemaal fout loopt.

Ook in eigen land groeide de weerbaarheid van de hoertjes. Isabel Cuevas draagt de sporen van die strijd. De vrouw heeft iets ruw over zich, alsof er door de jaren een dikke eeltlaag over haar ziel groeide. Ze spreekt zoals ze zich beweegt: in staccato en temperamentvol. ‘Luister’, stelt ze zichzelf voor: ‘Ik ben een prostituee, ik ben zwart en lelijk en ik kan vreselijk dwars liggen.’ Mijn vraag naar haar leeftijd verontwaardigt haar: ‘Dat vraag je niet aan een hoertje.’ Met een gracieuze beweging van haar brede haardos vult ze aan: ‘Ik ben een rijpe vrouw. Ik sta al tien jaar in het beroep. Niet omdat ik het graag doe maar het went.’ Ik schat haar vooraan in de dertig. Alsof ze alle stigmatiserende opmerkingen uit mijn gedachten wil bannen: ‘In het begin heb ik me heel slecht gevoeld maar door er dieper over na te denken, besefte ik dat ik even veel waard ben als iemand anders. Als je het voor het kiezen hebt, doe je dit beroep natuurlijk niet, al was het alleen maar uit lijfsbehoud. Een dronken cliënt kan je vermoorden en al die slapeloze nachten putten je behoorlijk uit.’ Het werk leerde haar van zich af te bijten. ‘Ik kon echt moeilijk doen, ook tegen mijn collega’s. Het uitputtende nachtwerk, de drank en andere pepmiddelen maken je licht ontvlambaar en agressief. Wij stonden voortdurend onder stress. Maar vooral met de pooiers kreeg ik het geregeld aan de stok, telkens ik opkwam voor mijn rechten. Dan kreeg ik nadien een tijger van een vent over me heen, als wraak. Afschuwelijk. Of de uitbater zette zich naast mij in de bar en kleineerde me in het bijzijn van de cliënten. Op een dag zette hij ons allen aan de deur. Omdat hij jongere meisjes wilde. Het zou vandaag niet meer waar zijn.’

Ze balt haar vuist: ‘Je moet vechten voor je rechten, je moet ze niet alleen kénnen maar ook afdwingen, anders verandert er niets.’ Na zoveel jaren voelt Isabel zich een vrijgevochten vrouw. ‘Toen ik jong en onervaren was, duwden ze me om het even wie in mijn armen. Dat gebeurt niet meer, ik kies zelf. Soms denken mannen dat vrouwen in de bar publiek bezit zijn. Dat ze ons voor het nemen hebben en kunnen bepotelen in het openbaar. Dat laat ik niet meer toe. Ze zucht. ‘Ik verdien niet veel en je wordt snel oud in dit beroep. In enkele jaren tijd moet je je toekomst verzekeren. Hoewel, de arme heeft geen toekomst. Maar op zijn minst wil ik een eigen plek, opdat ik later, als ik oud ben, niet hoef te bedelen om een aalmoes.’

‘Alles inclusief’

Op de tropische stranden bloeit de seksindustrie als nooit tevoren. De klachten over schandelijke Aziatische toestanden en de strengere controles daar, duwden de stroom toeristen richting Latijns-Amerika. In de Dominicaanse Republiek maakt vooral Boca Chica naam, een badplaats niet ver van de hoofdstad Santo Domingo. Ooit was het de favoriete vakantiebestemming van de Dominicaanse elite. Vandaag lokt de plek niet alleen buitenlandse toeristen. Steeds meer jongeren en kinderen uit de regio komen afgezakt naar het strand. ‘Want in Boca Chica is makkelijk geld te verdienen’, gaat het gerucht. Vooral de ‘sanki-panki’s’, zoals de jonge mannelijke prostitués zich noemen, kunnen gouden zaken doen tussen hun vijftien en vijfentwintig jaar. Maar ook de straatkinderen zien brood in de toeristische sector.

Boca Chica lijkt één groot Centerparkscomplex. Zon, zee en zalig genieten. De hotelketens, met hun ‘alles inclusief’ formules, zorgen voor alles wat het hart van de toerist kan wensen, vierentwintig uur op vierentwintig. Ik wandel over het strand in het gezelschap Benjamin, Samuel en Alex, jongeren die hier straathoekwerk doen. De dag is pas aangebroken, het puin van de nacht wordt geruimd. Vroege gasten zoeken zich een plek in de nog zwakke zon. Twee jonge toeristen plannen hun dag. Eén van de twee heeft zopas voor zijn vriend een deal gemaakt met een strandjongen. In gebroken Spaans hoor ik hem duidelijk maken: ‘Hij -wijzend naar zijn reisgezel- wil dat meisje pas voor vanavond.’ In ruil voor een handvol pesos zal de loopjongen tegen de avond een meisje meevoeren dat aan de opgegeven beschrijving voldoet: mollig of slank, zwarte of bronskleurige huid, lang of kort haar. ‘Het is één van de manieren waarop de jongetjes aan de kost komen’, legt Benjamin uit. ‘De jongste jaren heeft zich hier een bijzonder laag soort toerisme ontwikkeld van mensen die alle normen laten varen. Kindermisbruik gebeurde vroeger ook maar in het geheim. Nu vindt alles openlijk plaats, op het strand of in het park.’ ‘Prostitutie, drugs, het is hier alom aanwezig. En het werkt op de jongeren als een magneet’, weet Samuel. ‘Omwille van het geld maar ook omdat het spel zelf fascineert. Je weet dat het niet deugt, maar op den duur is het alsof je aders verstopt raken. Je schakelt je geweten uit.’ ‘Er zijn te weinig alternatieven’, vindt Alex, ‘geen jongerenclubs, geen ontspanningsmogelijkheden. Wij, jongeren, moeten daar zelf wat aan doen. Als we dit verder uit de hand laten lopen, gaat er gewoon een generatie verloren.’ Alex was vroeger zelf schoenpoetser en weet maar al te goed wat het betekent hier je dagen en nachten op het strand door te brengen. Hij kreeg, net als zijn twee vrienden, zijn vorming als straathoekwerker bij Caminantes, een organisatie die in Boca Chica met de straatkinderen werkt.

Johany en Lyris, medewerkers van Caminantes, nemen me mee naar een bijeenkomst van de ‘tigueres’, zoals ze de zwerfkinderen hier noemen. Op het strand, in het park en in de aanpalende winkelstraat hebben ze een tiental schoenpoetsertjes bijeengeronseld, kinderen tussen acht en veertien jaar. Johany begint: ‘Waarom is het gevaarlijk rond te hangen op het strand?’ De jongens weten wat er bedoeld wordt maar ze nemen een korte aanloop: ‘We vechten onder elkaar.’ ‘We stelen materiaal.’ ‘We snuiven lijm.’ Er wordt geschoven en geduwd, iemand valt omver en een ander grist de pet van zijn buurjongen mee. Lyris probeert nog eens. Iemand antwoordt: ‘Op het strand misbruiken ze ons.’ Ik vraag wie hen misbruikt. ‘De sanki-panki’s en de oudere jongens. En dan pakken ze ons kamertje af.’ Een ander vult aan: ‘Of de vreemdelingen.’ ‘Hoezo de vreemdelingen?’ Iedereen wijst naar Luichi. ‘Bijna elke nacht lokken de toeristen hem mee.’ Luichi zit als een sprinkhaan in het zand, met opgetrokken knieën en zijn armen steunend achter zijn rug. Hij is de kleinste van de groep, een schriele jongen met grote ogen onder zijn gladgeschoren hoofd. Het kind gniffelt en weet niet goed of hij fier of beschaamd moet zijn nu iedereen naar hem wijst: ‘De toeristen zeggen dat ze iets moois voor je hebben op hun kamer maar dan verkrachten ze je.’ En betalen ze veel? ‘Dat verschilt. Soms tien dollar, soms honderd dollar.’ Een van de ‘tigueres’ trekt Luichi zijn sandaal uit en hoeps, de bende vliegt elkaar alweer in de haren. Luichi loopt een schram op aan zijn knie en huilt als een baby. Toen Lyris het jongetje voor het eerst op het spoor kwam, keerde hij net terug van een maandenlang verblijf in Puerto Plata, een badstad in het noorden. Hij had er al die tijd samengeleefd met een vrouw uit de VS. ‘Een tante die erg goed voor hem had gezorgd.’ Toen haar vakantie voorbij was, werd Luichi opnieuw vogelvrij verklaard. Hij keerde terug naar Boca Chica, waar zijn thuisbasis is.

Ik vraag Luichi waar hij woont. ‘Die kant op.’ Hij wil wel even mee om het te tonen. De structuur van het stadje, dat eigenlijk niet meer is dan een uit zijn voegen gebarsten badplaats, laat zich lezen als een sociale stafkaart. Beneden, de kuststrook met de hotels en bijhorende winkel- en restaurantstraatjes. Wat hogerop de traditionele woonkern, met de kleinere hotelletjes. Verderop de arme volksbuurten. Het huisje van Luichi ligt daar nog achter, in een steegje, verstopt achter een rij witgekalkte huisjes, een bouwvallig staketsel van zinken platen. Zijn moeder, een jonge vrouw van achtentwintig, is verrast door ons bezoek. Ze kijkt verdwaasd, met ogen die branden in haar hoofd. Ze ontvangt ons liever niet binnen. Te veel rommel. Met haar baby op de arm, een dochtertje van drie maanden oud, kijkt ze ons schichtig aan. Ik zeg dat ik Luichi ontmoette en gewoon even met haar wilde kennismaken. Ze kijkt naar haar baby: ‘Haar vader betaalt voor haar’, legt ze ongevraagd uit, als om duidelijk te maken dat ze toch haar best doet. Drie kinderen heeft de vrouw, van drie verschillende mannen. Wie de vader van Luichi is, weet ze niet. De namen van het gezin klinken als een laatste redplank. ‘Altagracia’ (Bevalligheid) heet de vrouw, Luichi’s broertje gaat als ‘Angelito’ (Engeltje) door het leven, zijn zusje heet ‘Cielo’ (Hemel). Ze voelt zich ongemakkelijk bij onze aanwezigheid en denkt dat er alweer iets fout liep met Luichi. ‘Hij is een echt duiveltje’, verdedigt ze zich. ‘Ik probeer altijd eerst om hem met woorden terecht te wijzen, maar hij luistert niet, hij is onhandelbaar.’ Korte tijd geleden kwam Luichi bij Caminantes aan met ernstige brandwonden. Zijn moeder had hem gestraft: met een metalen lepel, die ze in het vuur had gehouden, had ze zijn voorhoofd, zijn mond en zijn handen gebrand. Onlangs had ze het kind drie dagen lang, zonder eten of drinken, opgesloten in het huisje en was zelf de deur uitgegaan, om te gaan werken als prostituee. Meestal echter staat Luichi in voor de kostwinning. Elke ochtend brengt hij Angelito naar school -zelf is hij niet ingeschreven- en struint dan het strand af. Vaak keert hij ‘s avonds niet weer. Omdat hij niets verdiende. Of omdat hij helemaal geen zin heeft in thuis.

Een duivelse kringloop

Puerto Plata is een ander centrum van strand- en sekstoerisme. Het is vrijdagavond als Josefina en Luís me kennis laten maken met de drie rosse buurten van de stad. Sekstoerisme behoort tot de traditie in deze oude havenstad. Vanuit het schipperskwartier breidde het zich als een olievlek uit. Het havengebied is vandaag de zone voor de oudere vrouwen, zij die het in hun jeugd níet gemaakt hebben, veertigplussers. ‘Wie op die leeftijd zijn materiële situatie niet verbeterd heeft, wordt écht als een sukkel beschouwd’, becommentarieert Luís. Langs het strand ligt de strook eetstalletjes en groezelige feestbarrakken tussen slingers rode en blauwe lichtjes. In de deuropening van bouwvallige huurkamertjes staan zwaar opgemaakte en lichtgeklede dametjes. In het centrum van de stad concentreren zich de officiële cabarets met blitse voorgevel en flikkerende spots, met stevige bodygards als waakhonden aan de ingang. Hier wordt tussen elf en één ‘s nachts geshowd en gestript. Mannen alleen worden wél toegelaten, vrouwen alleen niet. Weg van het centrum, wanneer we opnieuw langs de zee rijden, wijst Luís op enkele kinderen die in het donker, ieder voor zich, langs de zeelijn lopen. Hij kent ze bij naam, deze hoertjes. Ook hier in Puerto Plata neemt het aantal kindhoertjes angstwekkend toe. ‘Hoe meer de aidsepidemie om zich heen grijpt, hoe jonger men de jongens en meisjes wil hebben’, legt Josefina uit. Luís en Josefina zijn vertrouwd met de problematiek. Enkele jaren geleden werkte Josefina mee aan een onderzoek van Unicef over kinderen en jongeren in een ‘risicomilieu’. Bijna één miljoen zijn het er in dit land. Eén miljoen kinderen die het gevaar lopen vroeg of laat in de prostitutie terecht te komen.

Van waar de risico’s komen en hoe ermee wordt omgegaan, wordt me de volgende dag duidelijk.

‘Als je zelf wil, kan je er voor mijn part best bij zijn’, zegt Josefina aarzelend. Ze neemt me mee naar Yenifer, een meisje van elf, voor een duiveluitdrijving. Enkele dagen geleden had het meisje zich willen verhangen. Haar moeder had, zoals zo dikwijls, haar woede op het kind gekoeld. ‘Omdat het huis niet opgeruimd was toen ze thuiskwam’, had Yenifer verteld. ‘Gewoonlijk kom ik tot rust wanneer ik alleen op mijn kamertje ben, maar dit keer ging het niet over. Ik greep het touw en wat er toen gebeurd is, weet ik niet meer.’ De moeder en de buren vonden dat ‘een meisje van elf onmogelijk tot zoiets in staat is’. Dit was het werk van de duivel, de boze geest van een gestorven buurvrouw die bezit genomen had van Yenifer. En dus moest er een priester komen om die geest uit te drijven. Pacho, een jonge pastoor, was bereid gevonden.

Het ritueel vindt plaats bij Yenifer thuis. Pacho heeft helpers meegebracht, twee jonge mannen en twee oudere dames, die de gebeden kracht moeten bijzetten. Hij draagt een indrukwekkend radiotoestel. ‘Ik kan niet bidden zonder muziek en zang.’ We schuiven de stoelen dicht tegen elkaar om met z’n allen een plaats te vinden op het enge binnenkoertje. Pacho leidt het ritueel in: ‘God is liefde, bij Hem vinden we altijd vergeving, wat er ook gebeurd is. Dit huis is in bezit genomen door het kwaad. We zijn hier samengekomen om dat te verdrijven met de kracht van Gods Geest.’ Hij zet een gebed in om de Geest aanwezig te brengen en met luide stem en onder voortdurende herhalingen vallen de anderen bij. Er wordt gesmeekt en gezongen met hart en ziel. Met gesloten ogen en geheven handen, ongeveer een uur lang. De tengere Yenifer, met het litteken als een lus om haar hals, zit op een stoel die speciaal met een mooi kussen is getooid. Ze laat het hele gebeuren over zich heengaan. Ze lijkt niet echt onder de indruk, hoogstens wat nerveus, omdat ze het middelpunt is van het gebeuren. De priester en zijn helpers leggen tenslotte de handen op bij het meisje en haar moeder en vragen de Geest om sterkte. Het geheel wordt afgesloten met een rozenhoedje. Vóór ze weggaan omhelzen de vrouwen Yenifer’s moeder en geven haar nog een wijze raad: ‘Wanneer je het opnieuw moeilijk hebt, ga dan naar de kathedraal en stort je hart uit bij het beeld van Maria. Dat lucht op.’ En aan Yenifer: ‘Vergeet vooral niet elke dag het rozenhoedje te bidden.’ Ze krijgt alvast een snoertje als geschenk.

‘Denk je echt dat het helpt?’ vraag ik Josefina wanneer we terug bij haar thuis zijn. Ik merk haar reserves maar ze is voorzichtig. ‘Yenifer voelde zich alleszins rustiger toen we weggingen.’ Ik voel eerder woede en onmacht. Waarom leert men deze mensen zo berusten in hun situatie? ‘Soms, in uitzichtloze situaties, biedt het geloof de enige houvast’, zegt Josefina.

Jorge Cela, een jezuïet en antropoloog die ik in Santo Domingo ontmoet, is minder verhullend in zijn analyse. ‘Mensen die in extreme armoede leven’, zegt Cela, ‘ontwikkelen een cultuur die geënt is op extreme overlevingsstrategieën. In het uitbouwen van die strategie raken menselijke waarden uitgehold en overheerst de berekening. Men kan het zich immers niet permitteren te falen. Die overlevingscultuur maakt het de mensen echter bijzonder moeilijk ooit nog uit de marge van de samenleving weg te geraken. Ze functioneren niet meer in een normale omgeving. Dat is precies de wreedheid van de extreme armoede.’

Sex on the beach

De avond valt. Ik wandel door de Avenida Duarte, die parallel loopt met het strand en elke avond autovrij gemaakt wordt. Restaurant- en caféhouders installeren terrasjes op het asfalt. ‘Sex on the beach’, klinkt het uit één van de souvenierswinkeltjes. Het avondritueel is ingezet, het publiek warmt zich op voor het nachtleven. Denise Pichardo -de drijvende kracht achter Caminantes- is bij mij en ik voel haar onbehagen en stress stijgen. Ze kent dit nachtleven, ze weet wat het voor de kinderen betekent. Telkens wanneer ze één van de jongetjes in het oog krijgt, stevent ze er op af en port hem aan om naar huis te gaan. Sommige omstaanders vragen ongemakkelijk of ze misschien van de politie is. We zoeken één van de terrasjes uit. ‘Thuis hebben de kinderen het vaak niet veel beter, maar je kan best preventief werken’, vindt Denise. In het verleden heeft ze ooit kinderen onderdak geboden in een opvangtehuis. ‘We gaven hen eten en schone kleren maar ‘s nachts zochten ze weer hun weg naar het strand. De lokroep was te groot.’ Ze droomt ervan ooit een vluchthuis te vinden voor de kinderen, een oase ver weg van de invloeden van het strand. Voorlopig is het een luchtkasteel want op veel steun hoeft ze niet te rekenen. Haar eigen katholieke kerk heeft haar inzet altijd met een scheef oog bekeken. Alles wat met seks en drugs te maken heeft, is immers des duivels. ‘Nu pas, nu stilaan de ogen open gaan voor de tragiek van deze kinderen, groeit de waardering. Nu ben ik ‘hun’ Moeder Teresa.’ Denise neemt een slok van het koele bier. ‘Zo vaak krijg je van de kinderen te horen dat hun fundamentele probleem is ‘mijn moeder houdt niet van mij’. Ze willen gewoon wat affectie en vallen voor de eerste de beste die hen dat geeft.’ Denise vertelt hoe twee van haar straathoekwerkers ooit door een toeristengezin werden betaald om hun puberzoon of -dochter ‘te initiëren’ in het seksleven.

Ik vraag haar of ze nooit pessimistisch wordt over de mensheid. ‘Soms wel’, zucht ze. ‘Niet dat ik alle hoop heb opgegeven maar het zou wel erg idealistisch zijn te denken dat we deze situatie, die tot de cultuur is gaan behoren, in tien jaar tijd kunnen keren.’ Heel haar leven heeft Denise op de bres gestaan, vooral in de nationale boerenorganisatie. ‘Vroeger dacht ik dat de boeren de bevrijding zouden brengen. Of de arbeiders. Of de vrouwen. Je ziet waar we nu staan.’ Ze klinkt eerder gelouterd dan pessimistisch. ‘Wat ons vandaag te doen staat, is op een menswaardige manier leren overleven in een vijandige omgeving. Ik moet een utopie voor ogen houden, anders hou ik dit werk niet vol.’

Tussen droom en daad

Halfweg de jaren zeventig begon de Dominicaanse Republiek te moderniseren. De economie, die in hoofdzaak agrarisch was en gebaseerd op het verbouwen van suikerriet, werd omgebouwd tot een economie, gebaseerd op het toerisme en op goedkope handenarbeid in transnationale bedrijven, gevestigd in belastingvrije zones. Die omschakeling én de lokroep uit het rijke Noorden zette in die tijd een massale migratiestroom in gang van werkloos geworden mannen naar de VS. Toen in de jaren tachtig die modernisering verder vorm kreeg in de structurele aanpassingsprogramma’s, opgelegd om de schuldenlast te bedwingen, wogen nieuwe besparingen en stijgende levensduurte vooral op de vrouwen. In veertig procent van de gevallen zijn zij gezinshoofd. In die context onstond de mensensmokkel naar Europa, dit keer van de vrouwen. Ze figureerden als kandidaat-bruiden in postordercatalogi of werden verleid door fictieve jobaanbiedingen. Talloze jonge vrouwen tekenden destijds zo’n arbeidscontract maar werden bij aankomst onmiddellijk afgeleverd in bordelen in diverse Europese landen. Van de Latijns-Amerikaanse landen komt de Dominicaanse Republiek op de eerste plaats wat betreft de uitvoer van vrouwen naar Europa om de seksindustrie te bevoorraden. Tussen Nederland, België en Luxemburg circuleren vandaag een achtduizend Dominicaanse meisjes. Die vrouwenhandel zorgde voor een verdere afbrokkeling van het gezin: de kinderen werden bij grootouders of vrienden in bewaren gegeven tot de dag dat moeder met veel geld zou terugkeren. In vele gevallen viel het avontuur anders uit: talloze vrouwen keerden nooit terug, anderen kwamen berooid en gebroken weer.

De economie in de Dominicaanse Republiek blaakt intussen van gezondheid. De gestage groei van acht procent is voor een groot deel aan het boomende toerisme te danken. Jaarlijks komen zo’n twee miljoen bezoekers zich hier vermaken, waaronder veertigduizend Belgen. Toch is zelfs de huidige regering het er mee eens dat die groei niet voor een herverdeling van de rijkdom heeft gezorgd. Twintig procent van de bevolking leeft in extreme armoede, met een inkomen van minder dan twee dollar per dag. En dat in een land waar een krant of een kopje koffie toch twintig BEF kosten en de prijzen voor voeding en kleding aardig in de buurt komen van de Europese prijzen.

Een groeiend aantal kinderen verlaat de school om mee geld te verdienen. En hoe meer de armoede stijgt, hoe meer binnen het gezin het geweld toeneemt, uit wanhoop, uit frustratie. Voor tal van kinderen uit deze verarmde bevolkingsgroep is mishandeling en seksueel misbruik in eigen familiekring de ultieme duw in de richting van misbruik in de seksindustrie. Ze vluchten weg van thuis en zoeken hun heil en hun vrijheid op het strand.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3260   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.