Revolutie of restauratie?

Meer dan tien jaar geleden werd het communisme ‘afgezworen’ in de landen van Centraal- en Oost-Europa. Het blijkt steeds duidelijker hoe vreemd de politieke en sociale evolutie nadien in deze landen is verlopen. Wie had ooit kunnen verwachten dat de politieke opvolgers van de Communistische Partij zo aantrekkelijk zouden kunnen worden voor de modale kiezer?
Wie kan op dit ogenblik zelfs maar geloven dat het communisme zich in één decennium heeft omgetoverd tot een kapitalistische maatschappij, waar de financiële oligarchie, ditmaal gelegitimeerd door het systeem, kan neerkijken op de verpauperde massa’s? De Roemenen spreken over ‘de feiten’ wanneer zij het hebben over die merkwaardige gebeurtenis in 1989, toen tientallen doden vielen in een drama, waarin de Securitate (Geheime Veiligheidsdienst) zelf onmiskenbaar de hoofdrolspeler was. Zij weigeren om te gewagen van een ‘revolutie’, een term die volgens hen al te zeer wijst op een beweging van onder uit, vanuit de massa. Immers, het Front voor de Nationale Redding dat onmiddellijk daarna de macht overnam was als het ware een voortzetting van de Communistische Partij. Van partijenpluralisme was er eigenlijk geen sprake. Tot op vandaag heeft Roemenië problemen met het genereren van een geloofwaardig partijenpluralisme, dat een democratisch regime kan schragen. Het lijkt wel alsof de geëxecuteerde Ceaucescu en zijn vrouw Helena vanuit de mastodontgebouwen, die zij in Boekarest tot hun meerdere eer en glorie optrokken (het huis van het volk, de academie der wetenschappen, het radio- en televisiegebouw) de gewenste horizontalisering van de maatschappij tegengaan.

Anders was het in Polen en Hongarije, waar de ommekeer wel door de bevolking gedragen werd, maar waar de Communistische Partij en de oppositie onmiddellijk aan tafel gingen zitten om een blauwdruk uit te tekenen voor de nieuwe instellingen (van welke maatschappij precies werd in het midden gelaten). Eigenlijk was ook dit een elitegebeuren, waarbij heel snel de ‘vanzelfsprekende’ contouren van het nieuwe maatschappijmodel werden afgebakend. Deze landen, die zichzelf het hart van Europa noemen en die in hun hele geschiedenis aan de rand van Europa hebben gestaan, zouden terugkeren naar Europa. Dat kon niet zonder de Europese waarden en principes van maatschappijorganisatie over te nemen. Privé-eigendom en liberale democratie werden daarom uitgeroepen tot grondvesten voor het her-leven van die landen.

In de ex- Sovjetunie heeft het communisme zeventig jaar lang geheerst. Die tijd, een mensenleven lang, heeft diepe sporen nagelaten. Bovendien was het Sovjetrijk een voortzetting van het Russische rijk, waarbij Rusland als kern van een Euraziatisch imperium de Russische identiteit zag versmelten met wat het multinationale sovjetvolk moest worden. Eigenlijk heeft de sovjetmens zich nooit gerealiseerd. Integendeel, alle intensieve pogingen, die de Communistische Partij heeft ondernomen om de identiteit van volkeren en groepen te doen vervagen (denk aan de nationaliteitenpolitiek van Stalin) zijn radicaal mislukt. Onmiddellijk na het vieren van de teugels onder het Gorbatsjov-regime bleken etnische conflicten in alle hevigheid los te breken. Maar dit alles betekent niet dat mensen onbeïnvloed uit dit regime zijn gekomen. Zij hebben moeten overleven in een totalitaire maatschappij, die zichzelf uitriep tot een verzorgingsstaat met sterk egalitaire principes. Het menselijk vernuft heeft zich aan deze situatie aangepast (én zich daartegen verzet). Zowel de massa als de elite had tijdens de Brezjnev-periode een compromis weten te vinden met de alomtegenwoordige partij. De attitudes die daar zijn gecreëerd zijn niet onmiddellijk verdwenen na de val van het communisme. Hoe kon dat ook? De bevolking heeft tijd nodig gehad om zich te realiseren dat de periode van totalitair communisme was beëindigd. De mythische coup van 1991 heeft aan de bevolking duidelijk gemaakt dat het communisme voorbij was, dat de Sovjetunie als communistische federatie tot verdwijnen gedoemd was en dat er een nieuw tijdperk aanbrak. Het tijdperk, dat maar al te gemakkelijk met ‘overgang naar markt en democratie’ werd betiteld, maar dat eigenlijk nog steeds zonder blauwdruk voor de toekomst bleef.

Revoluties?

Men kan lang van gedachten wisselen over de vraag of de gebeurtenissen in 1989-1991 nu eigenlijk revoluties kunnen worden genoemd. De vraag is trouwens of deze keerpunten wel als zo belangrijk moeten worden beschouwd. Zij bepaalden inderdaad het ogenblik waarop de communistische ideologie en de communistische macht, gesteund op deze ideologie, ten onder zijn gegaan. Dat was een belangrijk fenomeen, dat quasi gelijktijdig in alle communistische satellietlanden plaatsvond (men sprak van een domino-effect). Maar dat was slechts een ommekeer in het proces dat lang voor het ‘annus mirabilis’ 1989 begon en dat zich op dit ogenblik nog steeds voltrekt. Het gaat om een dynamisch en evolutief proces, dat Timothy Garton Ash reeds bij het begin van de transitie met ‘refolution’ weergaf, een samentrekking van ‘revolution’ en ‘reform’.

Merkwaardig is toch wel dat het woord ‘revolutie’ oorspronkelijk een astronomische term was, die door Copernicus’ ‘De Revolutionibus Orbium Caelestium’ sterk aan betekenis won in de natuurwetenschappen. Die betekenis wordt ook in de Van Dale nog steeds als eerste betekenis van het woord vernoemd, namelijk ‘de jaarlijkse omwenteling van de aarde om de zon’. Herhaaldelijk en terecht werden de hervormingen in Centraal- en Oost-Europa ‘Copernicaanse revoluties’ genoemd. Voor Copernicus was de revolutie echter geen proces, dat uiteindelijk het definitieve einde van de oude orde beslecht en een nieuwe wereld tot stand brengt. ‘Revolutie’ verwees voor hem naar de regelmatige, volgens bepaalde wetten verlopende, cyclische beweging van sterren, waarop de mens geen invloed kan uitoefenen en die niet tegen te houden is (voor hemellichamen was dat het terugvallen in een van tevoren bepaalde baan). Wanneer in de zeventiende eeuw de term ‘revolutie’ voor het eerst als politieke term werd gebruikt, dan verwees die zoals in de astronomie naar terugkeer naar een van tevoren bepaald punt: restauratie, herstel (bijvoorbeeld herstel van de koningsmacht in zijn vroegere glorie). ‘Revolutie’ verwijst dus ook naar de spanning tussen vernieuwing en restauratie. Welnu, het huidige democratiseringsproces dat in de landen van Centraal- en Oost-Europa aan de gang is, wordt precies door deze spanning fundamenteel getekend.

Enerzijds kan men moeilijk ontkennen dat alle Centraal- en Oost-Europese staten met totaal nieuwe, aan het communisme tegengestelde maatschappelijke premissen werken. Wat vroeger door het communisme des duivels werd genoemd (de rechtsstaat, privé-eigendom, het winstprincipe) wordt nu als uitgangspunt van een formele democratie beschouwd. Met formele democratie worden echter voornamelijk de spelregels van het politiek en maatschappelijk systeem bedoeld. Onder deze formele constructie evolueert een meerlagig maatschappelijk systeem van ‘subculturen’, die in belangrijke mate door het communistische systeem zijn bepaald. Het falen van het communistische systeem om de mens te kneden tot een modelwezen en het verzet daartegen vanuit de menselijke overlevingsdrang heeft een anti-systeem maatschappelijke cultuur tot stand gebracht die mensen op complexe wijze dichter bij elkaar bracht in wat wel eens het ‘Rode Net’ wordt genoemd. Hetzelfde geldt voor de economische verhoudingen. Waar de officiële economie ten dode was opgeschreven, bloeiden (en bloeien) markten in alle kleuren: groene, grijze en zwarte (naargelang de graad van legitimiteit in het systeem). Op die wijze ontstond bij een relatief goed opgeleide bevolking een complex maatschappelijk systeem, dat in het Westen zijns gelijke niet kent en dat moeilijk te overschatten is. Dit fenomeen geldt voor alle Centraal- en Oost-Europese landen, hoewel het veel sterker aanwezig is in Zuidoost-Europa en in de GOS-landen dan in Centraal-Europa.

Postcommunisme herbekeken

Misschien noemen we de vroegere Oostbloklanden al te lichtzinnig ‘postcommunistische landen’. Eigenlijk verwijst deze term naar de opsplitsing van Europa na 1945 in een bipolaire wereld met twee militaire allianties, waarvan ‘Oost’ door de Sovjet-Unie, de Comecon (economische samenwerking tussen communistische staten) en het Warschaupakt (militair bondgenootschap onder leiding van Moskou) werd beheerst. ‘Oost’ heeft de competitie met ‘West’ op alle gebieden verloren. Maar de nederlaag kwam te manifest en te plotseling. Comecon en Warschaupakt verdwenen plotseling en zonder veel commentaar. Het communisme werd een verkeerd experiment genoemd. Het communisme, zo werd gezegd, had de landen van Centraal- en Oost-Europa tot onderontwikkelde landen gemaakt. Kort na de politieke omwentelingen verschenen in het kader van de openheid de echte statistieken die jarenlang verborgen waren gebleven. Al die landen, ook de meest ‘ontwikkelde’ bleken op de rand van het faillissement te staan. Toen bleef het kapitalisme achter met zijn plotse overwinning. Het jaar 1989 betekende een culturele en beschavingsbreuk naar een op het Westen georiënteerde en democratische politieke cultuur. Kortom, het Westen triomfeerde. Maar wie kan zoveel roem verdragen?

Vandaag is de term ‘postcommunisme’ verouderd, al was het alleen maar omdat hij de regio al te zeer als uniform beschouwt, alsof Polen en Kirgizië slechts kleine onderlinge verschilpunten zouden vertonen. Sommigen nochtans zweren bij de term ‘postcommunisme’, omdat het fenomeen uniek zal blijven in de menselijke geschiedenis aangezien het communisme zelf uniek was. De Centraal-Europese landen vinden daarentegen dat zij de periode van het postcommunisme reeds lang voorbij zijn en dat zij de naam van ‘herboren democratieën op weg naar consolidatie’ en ‘snel ontwikkelende markten’ verdienen. Zij hebben trouwens steeds sterk weerstand geboden aan het communisme en hun drang naar democratie heeft zich cyclisch geuit in opstanden, zoals de Hongaarse in 1956, de Tsjechische in 1968 en de Poolse in 1980. Hun tradities en cultuur danken zij in belangrijke mate aan het Habsburgse rijk. Van oudsher maakten zij deel uit van de West-Europese sociale en culturele geschiedenis, en dat werd nog versterkt door de renaissance en de reformatie waarvan deze landen, die geografisch dichter bij West-Europa lagen, niet verstoken bleven. Niemand zou het zich in het hoofd halen om deze landen ontwikkelingslanden te noemen. Zij nemen de draad weer op die zij met het communisme hebben moeten afbreken. Zij zijn het postcommunisme en de transitie reeds voorbij. Voor hen gaat het alleen nog om consolideren.

De Europese Unie heeft deze landen van Centraal-Europa voor de lidmaatschapsgesprekken in verspreide slagorde geplaatst. Na een euforische periode van ‘terugkeer naar Europa’ volgt nu het pijnlijke proces van ‘Europeanisering’. De Luxemburg-groep (de eerste groep van geselecteerden voor lidmaatschapsonderhandelingen: Polen, Hongarije, Tsjechië, Slovenië, Estland) en de Helsinki-groep (Roemenië, Bulgarije, Letland, Litouwen, Slovakije) staan met elkaar in concurrentie om zo snel mogelijk het lidmaatschap van de Europese Unie te verwerven. De taal van de toetredingsgesprekken dreigt bitsig te worden omdat de Europese Unie haar eisen naar deze landen steeds strenger gaat formuleren. Vooral Polen verwijt de Europese Unie in zoveel woorden dat zij aan de kandidaat-toetreders hogere eisen oplegt dan aan haar eigen lidstaten.

De Balkanstaten (Bulgarije, Roemenië, Servië, Macedonië, Albanië en Bosnië) werden van West-Europa en de belangrijkste evoluties aldaar afgehouden door de Ottomaanse overheersing. Na het schisma van 1054 volgden zij de Oosterse christenheid. Ook deze landen hebben de Sovjetunie ervaren als een ‘extern rijk’ maar zij hebben veel minder ervaring met democratie. Bovendien zijn landen als Bulgarije en Roemenië overwegend agrarisch. Wie buiten de grote steden het vaak idyllische landschap intrekt ziet er kar en paard zoals bij ons zo’n vijftig jaar terug. Tijdens het communisme werden zij beheerst door autocratische heersers, die de overgang naar pluralisering veel moeilijker maken. Eigenlijk zijn zij nog steeds afscheid aan het nemen van het vroegere totalitaire regime. Het aanleunen bij een meer autoritair denken vormt voor deze landen een voortdurende verlokking.

De ex- Sovjetunie tenslotte is uiteengevallen in vijftien onafhankelijke staten, die hun eigen weg mochten gaan, los van Rusland en op basis van de regel van internationaal liberalisme. Maar de ex- Sovjetunie lijkt niet te evolueren in de richting van afzonderlijke onafhankelijke staten zonder meer. Het nieuwe samenwerkingsverband tussen de twaalf landen van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten komt met horten en stoten tot stand. maar het wordt gekenmerkt door dezelfde meerlagigheid. Enerzijds zijn de principes van samenwerking gloednieuw, en aansluitend bij hedendaagse vormen van internationale samenwerking tussen staten. Anderzijds leeft daaronder een door het communisme getekende subcultuur voort. Eén ding is zeker: het GOS wordt niet communistisch en ook niet postcommunistisch, maar modern, aangepast aan de hedendaagse politieke en sociale principes. In die zin zal het GOS beter dan zijn communistische voorganger in staat zijn om zich aan de globalisering aan te passen.

Protodemocratie en oneigenlijke macht

Democratie staat voor een zeer complex idee en is bijzonder moeilijk te omschrijven. De minimalistische benadering spreekt van vrije en eerlijke verkiezingen en partijenpluralisme, nieuwe grondwetten en de erkenning van de rechtsstaat, met inbegrip van de mensenrechten en rechten van minderheden. Dat laatste is een absolute noodzaak in de nieuwe onafhankelijke staten, die allen een eigen nationale identiteit proberen op te bouwen. Ongetwijfeld vormen die regels van formele democratie een ‘conditio sine qua non’ voor democratisering, maar zij zijn niet voldoende om tot een volwaardige, echte democratie te komen. Zo is het bijvoorbeeld absoluut niet zeker of ons concept van liberale democratie, met eerbied voor de vrije onderneming, duidelijke scheiding van het publieke en het particuliere en met een sterk individualistisch uitgangspunt, wel wortel kan schieten in deze maatschappijen. Hetzelfde kan worden gezegd van de zogenaamde ‘communautaire’ benadering van de democratie, waar burgers vrij formeel worden benaderd als deelhebbend aan proces van natievorming. Wat vooral belangrijk lijkt voor de landen met communistische ervaring is de egalitaire democratie, waarin in plaats van een formele gelijkheid een substantiële gelijkheid wordt nagestreefd en waar het concept van de welvaartsstaat gestalte wordt gegeven door het aspect ‘sociale markteconomie’ opnieuw te benadrukken en bepaalde sociale klassen te ondersteunen.

Men kan niet voldoende benadrukken hoe belangrijk de interactie tussen politieke, economische en sociale hervormingen is. De economische en sociale hervormingen zijn pijnlijk hard voor de overgrote meerderheid van de bevolking. Politieke partijen aan de macht worden bijna noodzakelijk afgestraft door een bevolking die voortdurend teleurgesteld wordt in haar verwachtingen. Hoe kan een liberale democratie standhouden als mensen het gevoel hebben dat zij verliezen bij de transitie?

Wat voor democratieën zijn dit nu eigenlijk, die wij ontmoeten in Centraal- en Oost- Europa? Ze lijken te zweven tussen autoritaire en echt democratische regimes. Bovendien wordt het onderscheid tussen de verschillende ex-satellietlanden bijzonder groot. Ze lijken wel hybriden, waarmee het nog alle kanten uitkan.

De verwachtingen waren hoog gespannen, daarvoor had de pre-transitiefase en het buitenlandse voorbeeld gezorgd. In de eerste jaren na de ‘ommekeer’ werd een snelle en pijnloze transitie verwacht, waar snel de onzichtbare hand van de markt voelbaar zou worden. Verkiezingen spelen een cruciale rol in het leren door de massa’s en de elites. Maar tegelijkertijd stelt men processen vast van vervreemding van de politiek en kiesmoeheid. Men kan een soort algemene transitiemoeheid vaststellen, waarbij samen met het deelnemen aan de democratiseringpolitiek ook de contradicties van het nieuwe regime en de teleurstelling in de nieuwe politieke elites duidelijk worden. De verwachtingen waren te hoog en de realisaties te beperkt. Dan volgt wat de Spanjaarden het ‘desencanto’ noemen, de kater na het triomfalisme van het eerste uur.

Een liberale democratie veronderstelt dat de politiek de voorwaarden schept voor een bloeiende markteconomie en dat economische groei maatregelen van sociale bescherming toelaat. Dat zijn veel stappen tegelijkertijd. Sommigen formuleerden zelfs het onmogelijkheidstheorema inzake postcommunistische transitie: eigenlijk werken in dit kader politieke en economische hervormingen op basis van tegenovergestelde principes, die men althans op korte tijd niet met elkaar kan verzoenen. Het economisch kapitalistisch systeem vertrekt vanuit de aanvaarding van ongelijkheid tussen economische actoren (verrijk uzelf), terwijl (participatieve) democratie moet steunen op reële gelijke kansen van burgers, die een minimum aan sociale en economische garanties veronderstelt. Zo eiste de transitie vele contradictorische veranderingen, die vaak in de vorm van dwingende noodmaatregelen worden opgelegd. Het gevaar bestond voortdurend dat deze maatschappijen in een vicieuze cirkel terechtkwamen, waar politiek, economie en maatschappij elkaar negatief beïnvloedden.

Hoe triomfantelijk klonken de economische specialisten bij het begin van de transitie: razendsnel en radicaal zouden de markthervormingen worden doorgevoerd, er was geen alternatief. Het politieke en het juridische zouden wel volgen. Maar het is andersom gebeurd: politieke hervormingen werden veel sneller gerealiseerd dan economische en sociale en deze disharmonie veroorzaakte op haar beurt weer een ondermijning van de politieke democratisering. Samen met de ervaring van het deelnemen aan het democratiseringsproces hebben mensen ook kennisgemaakt met de minder aangename kanten van de democratische transitie, met vaak immorele politieke elites en contradicties in het nieuwe systeem.

Men mag zeker niet zeggen dat er geen mobilisering heeft plaatsgevonden van de massa’s en dat burgers niet op straat zijn gekomen, manifestaties hebben georganiseerd en referenda hebben uitgelokt. De transitie is zeker niet louter een elitespel. Anderzijds mag men de kracht van de elites niet onderschatten. Zij zijn het, die de revolutie van boven zijn gaan sturen. Zij hoeden de democratisering, en zetten ze naar hun hand. De democratisering is zo moeilijk in haar consolidatiefase omdat de massa’s zich keren tegen de economisch draconische maatregelen, en een zeker autoritair optreden nodig is om de democratie gestalte te geven. Deze projectie van de Latijns-Amerikaanse transitie is niet zozeer toepasselijk op de Centraal- Europese landen, maar wel op de Balkanlanden en de ex- Sovjetunie, die het nog steeds zeer moeilijk hebben met een concept van pluralistische democratie. De manier waarop Poetin met alle gemak naar voor werd geschoven, buiten elk partijenspel om, getuigt veeleer van een ‘democratie volgens plot’, dan wel van een echt democratisch partijenspel. Vooral in Rusland kwam er geen noemenswaardige reactie vanuit de burger of het middenveld. In de normatieve zin bestaat de burgergemeenschap in Centraal- en Oost-Europa eigenlijk nog steeds niet zoals in West-Europa (als tegengewicht en controle van de staatsmacht). Daarentegen, als een web van vrijwillige organisaties is de burgergemeenschap als horizontale structuur sterk gegroeid in de hele regio.

Gedoemd om vrij te zijn

Was er wel zoveel keuzevrijheid voor de landen, die bevrijd waren van het communisme? Waren de keuzen niet sterk bepaald door sociale determinanten en door historische trajecten, die zij elk reeds hadden afgelegd? Eigenlijk was de keuzevrijheid zeer beperkt. Vooral de historisch geërfde politieke cultuur is de ‘software’ waar het geheel van de maatschappelijke transitie op loopt. De actoren spelen geen abstract spel, maar zijn fundamenteel bepaald, in hoge mate gedetermineerd door het verleden, historische tradities, interne en externe factoren.

In veel Latijns-Amerikaanse landen hebben de verarmde massa’s zich als gevolg van zwaar economisch crisismanagement tegen de democratie gekeerd. Zal dit ook in Centraal- en Oost-Europa gebeuren? Het zou waarschijnlijk verkeerd zijn om de speciale omstandigheden van gevorderde democratieën als een noodzakelijke voorwaarde te zien voor de nieuwe democratieën (‘emerging democracies’). Eén van die structurele voorwaarden van democratie zou bijvoorbeeld een minimum Bruto Binnenlands Product per capita zijn. Democratie wordt volgens die structuralistische benadering gezien als het resultaat van (en functie van) een ontwikkelde markteconomie. Maar het ontbreken van een economische basisgarantie en het stilaan wegtrekken van een sociaal beschermingsnet is wel een reden waarom deze regimes voortdurend gevaar lopen. In Centraal-Europa is dat gevaar zeker veel minder groot. De bevolking vertoont er minder een schrikreactie en de instellingen zijn er sterker. In Zuidoost-Europa en het GOS draagt zo’n situatie al snel bij tot het ontstaan van een zekere nostalgie naar het (communistische) verleden en een gevoel van onmacht om de transitie aan te kunnen.

Democratische consolidatie betekent dat mensen de bouwstenen van de democratie gaan integreren en er een werkzame democratie van gaan maken, maar daar speelt de politieke cultuur een overwegende rol. Politieke subculturen en locale politiek zijn wat dat betreft zeer belangrijk. Eigenlijk zijn deze maatschappijen op micropolitiek vlak veel complexer geworden dan westerse maatschappijen: standen en rangen zijn door elkaar gehaald of verbonden door subtiele netwerken.

Rusland: grootmacht of ontwikkelingsland?

Men zegt wel eens dat in Rusland het ‘Lumpenproletariat’ zoals Marx dat beschreef, na de val van het communisme gestalte heeft gekregen, met een politiek passieve en sociaal apathische bevolking, zonder eigendom voor de modale burger (tijdens het communisme was het onmogelijk om privé-eigendom te verwerven) en dus zonder een echt belang van die burger in de maatschappij. En dat geldt zowel voor de arbeiders als voor de boeren en de intelligentsia. Dit leidde tot negatief egalitarisme, tot het neerhalen van de maatschappij tot de laagste gemene deler: gelijkheid in armoede in plaats van gelijke kansen. Na de val van het communisme viel het percentage van het budget dat werd besteed aan gezondheidszorg , terug tot 1.8 procent van het Russische budget. De kloof tussen arm en rijk inzake inkomen en rijkdom haalde het niveau van Colombia. Was Rusland dan werkelijk een ontwikkelingsland geworden? Tal van elementen ondersteunen dat beeld van de Russische maatschappij: de lamentabele demografische situatie in Rusland (sinds 1992 is er een negatieve groei van de bevolking met meer overlijdens dan geboorten), het probleem van alcoholisme, dakloosheid, de sociale situatie in het leger, het percentage van Russen dat onder de armoedegrens leeft (zo’n 30 à 40 miljoen).

Slechts een kleine hoeveelheid Russen (maximaal 10procent) kan zich winnaar van de transitie noemen, terwijl de overgrote meerderheid haar inkomen drastisch zag afnemen. Ook de werkzekerheid verdween voor een groot deel van de bevolking. Weliswaar werd sterk opgekeken naar het Duitse model van sociale markt, waar bijstand wordt gegeven wanneer noodzakelijk maar waar tegelijkertijd afhankelijkheid wordt ontmoedigd. Maar die boodschap drong als het ware niet tot de gewone burger door. De komst van de democratie werd snel verbonden met het afnemen van sociale welvaart en sociale zekerheid. Politieke krachten in Rusland stonden vanaf het begin van de jaren negentig in dat opzicht lijnrecht tegenover elkaar: de neoliberalen zoals Pijasjeva en Sjmeljev die de hoge sociale kost als een noodzakelijk offer voor een snelle invoering van de markteconomie zagen en anderzijds een meer patriottisch georiënteerde centrumgroep (zoals de Burgerunie) die meende dat Rusland zich als fragiele staat een dergelijke operatie niet kon veroorloven. Binnen dat binaire denken van de politieke elites schipperde Jeltsin tussen harde maatregelen van sociale stabilisering en behoud van een minimum aan sociale bescherming. Dat was lang geen eenvoudige opdracht. Ondernemingen in het oude systeem waren niet alleen productie-eenheden, zij zorgden voor de werknemer: voedsel, behuizing, vakantie, medische verzorging, kinderopvang: dit alles was het tegenwicht voor een minimale maar zekere levensstandaard. Toen echter kort na het afzweren van het communisme de prijzen ‘dichter bij de wereldprijzen’ werden gebracht, werd het loon belachelijk laag. Daarop volgde verpaupering van een groot deel van de bevolking en toegenomen sociale ongelijkheid. Voor alles moest het modale gezin plotseling betalen: kinderopvang, medische verzorging, zelfs onderwijs en dit terwijl de werkloosheid toenam en het Internationaal Muntfonds (IMF) aandrong op financiële stabilisering. De vraag naar hoe de arbeidersklasse zou reageren op deze transitie was cruciaal en de mijnstakingen in de Kuzbass na de drastische prijsverhogingen begin 1992 waren een teken aan de wand. Maar de Russische vakbonden bleken niet op te roepen tot een nieuwe vorm van dictatuur van het proletariaat.

Vaak waren de leiders van de nieuwe vakbonden dezelfde als die van de oude sovjetvakbonden. Alleen hun naam en hun territoriale organisatie hebben zij aangepast. De federatie van Onafhankelijke Vakbonden van Rusland, de opvolger van de vroegere sovjetvakbond had weinig moeite om zijn leden te behouden. Deze vakbond behield trouwens de traditie van collectief lidmaatschap voor volledige sectoren, en zij verenigden zowel managers als arbeiders. Die vakbonden waren de traditionele lokale verdelers van sociale zekerheidsuitkeringen en vergoedingen voor medische verzorging. Zij hebben de overheid liever gesteund dan vanuit werknemerszijde in oppositie te gaan. In elk geval waren de arbeidersonrusten, die een beginnend kapitalisme begeleidden, zeker niet vergelijkbaar met die in het westen op het ogenblik van zijn beginnende industrialisering.

Vrouwen zijn de grootste verliezers van de transitie. Nochtans was er bij het begin van de Sovjetunie heel wat aandacht voor ‘de Vrouwenkwestie’. Er werden speciale afdelingen bij de Partij opgericht om vrouwen te betrekken bij het revolutionaire élan (‘zhenotdely’). Maar reeds in het begin van de jaren dertig werden de ‘zhenotdely’ afgeschaft en werd de vrouwenkwestie geacht te zijn opgelost. Maar tijdens Chroestsjovs dooi kwam aan het licht dat vrouwen onder zware druk stonden en het niet écht gemaakt hadden in de sovjetmaatschappij. Vrouwen zijn nu de eerste slachtoffers van de werkloosheid. Vermarkting is voor hen een bedreiging op economisch, sociaal en identiteitsvlak. Vrouwen verloren allerlei sociale faciliteiten zoals kinderopvang en maandenlang zwangerschapsverlof. Ook hun verzekerde quota’s in de politieke organen werden afgeschaft

Vrouwen, die klassiek één derde van het sovjetparlement uitmaakten, vielen bij de eerste verkiezingen zonder quota’s in maart 1990 onmiddellijk terug op 5.5 procent. In december 1993 haalden ‘Vrouwen van Rusland’ 8.13 procent van de partijlijsten. Hoewel dit electoraal blok, dat ook als een opvolger van de vroegere Communistische Partij kan worden beschouwd, een unieke kans bood om direct vrouwen aan te spreken als specifiek kiespubliek, haalde deze partij toch de 5 procent drempel niet in 1995. Ook tijdens de verkiezingen in december 1999 slaagden zij er niet in om zich als een politiek zwaargewicht te profileren. Er zijn wel uitzonderingen, zoals Chakamada en (de vermoorde) Starovojtova, maar dat zijn uitzonderingen die de regel bevestigen: vrouwen in Rusland praten politiek niet echt mee. Hun specifieke belangen gaan op in een hoger doel: de democratisering en privatisering van de maatschappij. Democratie en burgerschap moesten rechten voor allen worden, net zoals indertijd vrouwen net als mannen de emancipatie van de arbeid moesten bereiken; de strijd van vrouwen ging op in de strijd voor de democratie. Ook dat kan worden verklaard als een reactie tegen het oude regime, namelijk het ontsnappen aan gedwongen emancipatie. Vrouwen werden als het ware allergisch voor politieke participatie.

Nochtans ontstonden er talrijke lokale organisaties en pressiegroepen van vrouwen die ijveren voor bepaalde onderwerpen. Persoonlijk maakten wij vooral kennis met de Soldatenmoeders van St. Petersburg, die de wantoestanden voor rekruten in het leger en de oorlog in Tsjetsjenië aanklagen. Vaak benadrukken die groepen dat zij niet noodzakelijk het westerse voorbeeld van het feminisme willen volgen. Sommigen verwijzen zelfs naar een dieper cultureel verschil tussen Rusland en het Westen. Ook Gorbatsjov vond dat vrouwen de mogelijkheid moesten krijgen om terug te keren naar hun ‘puur vrouwelijke opdracht’.

Dit beeld van een ‘Lumpenproletariat’ en van een overwegend deel van de bevolking, dat zichzelf verliezer van de transitie kan noemen, staat in schril contrast tot andere aspecten van diezelfde Russische maatschappij. Precies dat contrast maakt het onmogelijk om Rusland als een ontwikkelingsland te beschouwen. Zo getuigt bijvoorbeeld de Russische buitenlandse politiek van een uitzonderlijke assertiviteit, waarbij de Russische politici niet aarzelen om te verwijzen naar hun nucleair potentieel om voldoende ernstig te worden genomen op geopolitiek vlak. Deze reus op lemen voeten beschikt ook over een aanzienlijke voorraad natuurlijke rijkdommen en over een goed opgeleide bevolking. De politieke en economische elite blijft het presteren om niet in haar kaarten te laten kijken. Telkens opnieuw verbaast Rusland ons met plotse wendingen in de politieke lijn, die vooral sinds Jeltsin zelfs tegen de regels van de formele democratie ingingen.

De degeneratie van het oude systeem werd in Rusland een doorslaggevende factor in het bepalen van het karakter van de nieuwe orde: het economische landschap is er getekend door patronage netwerken, corruptie, cliëntelisme. Terwijl de Partij verdween kwamen er machtige criminele netwerken, de staat werd leeggezogen, het nomenklatura-systeem werd een corrupt sociaal netwerk, sociale verantwoordelijkheid was verdwenen. Het bestaan van cliëntelistische verhoudingen is echter niet zomaar een bijkomend kenmerk van het systeem.

De patroon-cliënt verhouding met wederzijdse loyauteit en afhankelijkheidsbanden bepalen fundamenteel het maatschappelijk weefsel in Rusland (en in de andere GOS-landen). Eigenlijk gaat die manier van maatschappelijk met elkaar omgaan fundamenteel in tegen de vrije markt en de rechtsstaat. Het netwerk is machtig en loyaal en het doet zijn werk tegen alle formele afspraken in. In Kazachstan heeft Tractebel dat op pijnlijke wijze moeten ervaren. Contracten en geschreven documenten halen het niet tegen onderlinge loyauteit, die zich vaak in maffiaverband ontwikkelt. Maar misschien heeft Tractebel net de fout gemaakt om Kazachtstan al te ondoordacht als een ontwikkelingsland te beschouwen, dat kon worden veroverd door een kolonisator op zoek naar natuurlijke rijkdommen en goedkope arbeidskrachten.

Dit alles deed de roep naar een ijzeren hand in de ex- Sovjetunie ongetwijfeld toenemen. Dat verklaart in belangrijke mate waarom Poetin, een notoir hoofd van de geheime diensten, zonder moeite (en zonder partij) aan de macht kwam op basis van vrije verkiezingen. Het verklaart ook waarom hij zonder al te groot dispuut de herindeling van het land in zeven regio’s kon doorvoeren. Rusland gaat ongetwijfeld met Poetin de weg op van een grotere centralisatie en hopelijk van een efficiënter economisch beleid. Poetin kondigde aan dat er nog slechts één dictatuur zou heersen: de dictatuur van de wet , maar dat is een ‘contradictio in terminis’.

Conclusie

Spreken over de landen van Centraal- en Oost-Europa als een nieuwe categorie van ontwikkelingslanden zou even over-generaliserend zijn als te spreken over ‘postcommunistische landen’. Het zou bovendien nog

meer verkeerd zijn; want deze landen komen alle uit het communisme, en dat kenmerk hebben zij inderdaad met elkaar gemeen. Ze als ontwikkelingslanden beschouwen zou niet alleen verkeerd zijn, maar het

zou ook leiden tot een verkeerde benadering van dit deel van Europa. De landen van Centraal- en Oost-Europa zijn anders ontwikkeld en het is ons geraden met dat anders-zijn voldoende rekening te houden, zoniet zullen er nieuwe spanningen in Europa komen. Hun bevolkingen zijn minstens zo goed opgeleid als de onze en zij hebben een uitgebreide verzorgingsstaat meegemaakt. Eigenlijk zou het ‘acquis communiste’ minstens evenveel aandacht moeten krijgen als het ‘ acquis communautaire”…Het probleem is alleen dat het ‘acquis communiste’ niet op papier staat.

Katlijn Malfliet is hoogleraar aan de KULeuven en onderzoeksdirecteur Centraal- en Oost-Europa, Instituut voor Europees beleid.

Bibliografie

AGH, Atilla, Emerging Democracies in East Central Europe and the Balcans, Edward Elgar, Cheltenham, 1998, 359p.

BERGLUND, Sten, and others, The Handbook of Political Change in Eastern Europe, Edward Elgar, UK, 1998, 416p.

COX, Terry, Social and Economic Transformation in East Central Europe, Edward Elgar, UK, 1999, 256p.

DE MEYERE, P., Oost-Europa in Europa. Eenheid en verscheidenheid. VUBpress, 1996, 368p.

DE WAELE, Jean-Michel, L’émergence des partis politiques en Europe centrale, Editions de l’Université de Bruxelles, Brussel, 1999, 354p.

MALFLIET, Katlijn, De ex-communistische landen. Nieuwe spelregels, Davidsfonds, Leuven, 198p.

SAKWA, Richard, Russian politics and Society, Routledge, New York, 1996, 500p.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift