Rigoberta Menchú: 'Altijd geven ze de beulen gelijk'

Rigoberta Menchú is het gezicht van indiaans Amerika. Een kleine, robuuste vrouw die niet alleen het leed van haar volk belichaamt maar ook zijn verzet. Sinds ze de Nobelprijs voor de Vrede kreeg in 1992 is ze in Guatemala niet meer weg te denken uit de strijd voor vrede en gerechtigheid. Ook in Europa genoot ze veel aanzien. Tot eind vorig jaar de Noord-Amerikaanse journalist David Stoll haar levensverhaal in twijfel trok. In de westerse media werd hiervan uitgebreid melding gemaakt. Niemand vroeg de mening van Rigoberta. Niemand vroeg de mening van de indiaanse vrouw.
Afgelopen december had ik duidelijk pech met Rigoberta Menchú Tum. Ik reisde met de Nobelprijswinnares naar het binnenland van Guatemala, waar ze aanwezig moest zijn voor een rechtszaak tegen een legerpeloton dat in 1995 elf ex-vluchtelingen doodschoot in het gehucht Xaman. Ze was aanklager namens de familieleden. Het is een belangrijke testcase in haar strijd tegen de straffeloosheid. Het proces bleek echter een farce te zijn. De advocate van Rigoberta moest een uur de verf van de muren praten om de toespraken te mogen opnemen, terwijl de vijf advocaten van het leger rustig hun apparatuur op tafel hadden staan. Ikzelf werd bijna de rechtszaal uitgezet wegens het nemen van foto´s, al fotografeerde ik dezelfde zaken als tevoren een legerfotograaf, die bovendien alles op video opnam. De zaken gingen van kwaad naar erger. In januari kreeg haar advocate verbod om het woord te voeren, waarop Rigoberta ontslag nam als aanklager. Ze beloofde wel de zaak op internationaal niveau aanhangig te maken.

Begin december was het nog niet zo ver, maar Rigoberta was prikkelbaar, zenuwachtig. Het proces liep slecht, gaf haar een gevoel van machteloosheid. Haar stichting had er al tonnen geld aan gespendeerd, bedragen die ze liever aan educatieve projecten besteedde. Daags erna zou ze naar Frankrijk vertrekken voor een officiële ontvangst door president Chirac en voor de herdenking van 50 jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waar ze één van de sprekers zou zijn. Ze nodigde me uit voor het eten, maar een interview wilde ze van geen kant. Tijdens het eten kregen we het zelfs verbaal aan de stok. Terug in Guatemala-stad beloofde ze beterschap voor de volgende keer. Ze hield woord.

Maar ook nu drukten de politieke spanningen een zwaar stempel op het gesprek. Terwijl ik met name wilde praten over haar tweede boek ‘Rigoberta, kleindochter van de Maya’s’ dat één dezer dagen in de Nederlandse vertaling verschijnt, zat zij vol van de aantijgingen die de Amerikaanse antropoloog David Stoll half december wereldwijd maakte via een artikel in New York Times. Haar indrukwekkende en vele malen bekroonde getuigenis uit 1982 zou bedrog zijn, of op z´n zachtst uitgedrukt zwaar overtrokken. De Maya-bevolking zou niet afgeslacht zijn door het Guatemalaanse leger, maar gemanipuleerd door de guerrilla en daardoor tussen twee vuren hebben gezeten. Rigoberta’s versie van de feiten werd nochtans bevestigd door rapporten van Amnesty International, de Verenigde Naties en nu ook door de officiële Commissie van de Waarheid, die op 25 februari in haar eindrapport schreef dat het leger verantwoordelijk was voor negentig procent van de (naar haar schatting 200.000) doden tijdens de burgeroorlog. Maar ook hier deed de macht van de communicatiemedia zich gelden: een groots aangekondigde beschuldiging in de New York Times gaat al gauw een eigen leven leiden en geeft een nare smaak in de mond, ook al worden er nog zo veel rechtzettingen gepubliceerd. In dit geval leidde het de aandacht af van het werkelijke werk van Rigoberta als ‘vredesduif’, zelfs al wist ze sinds 1992, toen ze de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst nam, dat haar positie als persoon altijd omstreden zou blijven. Tenzij ze af zou zien van haar strijd voor de verbetering van de mensenrechten, en nog specifieker van de rechten van inheemse volken. Wat haar écht woedend maakte, was het feit dat het weer eens een buitenlander was die kwam vertellen hoe hún eigen geschiedenis werkelijk in elkaar zat. Bitter zegt ze: ‘Wij, Maya´s, hebben nog steeds niet het recht onze eigen geschiedenis te schrijven. Altijd doen de kolonialen dat. En zoals altijd geven ze de beulen gelijk.’

De aantijgingen tegen Rigoberta kwamen op een cruciaal moment. De dingen gebeuren in Guatemala namelijk zelden toevallig. Op 26 april 1998 werd bisschop Gerardi vermoord, twee dagen nadat hij namens de katholieke kerk een rapport over de vuile oorlog had gepresenteerd. Niet lang na het artikel van Stoll in de New York Times, zou de officiële Commissie van de Waarheid tot dezelfde conclusies komen als Gerardi. Elk proces, elke commissie, elk onderzoek, telkens wijzen de resultaten in dezelfde richting: het leger is de hoofdschuldige in de volkenmoord in Guatemala, ook al heeft de guerrilla eveneens misdaden begaan. Rigoberta, ondanks alles toch optimistisch: ‘We beleven moeilijke ogenblikken, maar dat is niet slecht. Ondanks alles krijgen wij, Guatemalanen, nu de kans onze verhalen te vertellen. Niet alleen over de bloedbaden, maar ook over de manier waarop vrouwen vernederd werden voordat ze afgemaakt werden. We herwinnen onze stem. Die verhalen luchten niet alleen op, ze vormen ook een platform voor de wederopbouw van Guatemala. We kunnen de menselijke essentie weer met elkaar delen.’

De Maya-leidster gelooft niet dat de aantijgingen aan haar adres toevallig zijn: ‘Waarom werd bisschop Gerardi vermoord? Omdat sommige groepen niet willen dat bekendheid wordt gegeven aan het rapport ‘Nooit Meer’ van de kerk. Daarom is een hele televisiedrama gecreëerd rondom zijn moord en werden de medewerker van Gerardi en zijn hond allebei beschuldigd van de moord. Zij werden gevangengezet om de aandacht af te leiden van de werkelijke schuldigen. In het rapport staan duizenden getuigenissen die overeenkomen met die van mij, alleen was die van mij één van de eerste en één van de weinige in de jaren tachtig. Meer dan negentig procent van deze verhalen komt van Maya´s. Door de bekendste van hen aan te vallen, zoals David Stoll doet, worden we allen voor leugenaars uitgemaakt en krijgen de andere overlevenden de boodschap dat ze maar beter kunnen zwijgen. En dat terwijl het ons ontzettend veel moeite heeft gekost om ons verhaal te vertellen, want we waren bang. Door de aantijgingen worden nu zelfs onze dode familieleden bespot.’

‘Wat wil Stoll? Wie heeft er in het buitenland belang bij om de geschiedenis anders voor te stellen dan die is? Ik ken hem niet persoonlijk en wil niet eens met hem praten. Meerdere kennissen zijn door hem ondervraagd en hij leek niet eens geïnteresseerd in hun verhaal. Hij liep eind jaren tachtig al rond in de streken waar het hardst gevochten werd, waar niemand zonder steun van het leger kon vertoeven, laat staan een buitenlander. Hij houdt vol dat de indianen kanonnenvoer waren van de guerrilla en dat het leger geen blaam trof zovelen gedood te hebben, want de soldaten werden uitgedaagd. Niet degene die doodt, treft schuld, maar degene die uitlokt. Datzelfde wordt gezegd in de zaak over het legerpeloton wat betreft de massamoord in Xaman. Daar kwam een peloton van 26 soldaten het terrein van de coöperatie op, maar omdat vier vrouwen hun wapens probeerden af te pakken, moesten die arme jongens zich wel verdedigen. Dat tien van de elf slachtoffers in de rug werden neergeschoten, maakt niks uit.’

‘Stoll wil mij onderuit halen omdat ik een symbool ben. Hij zegt dat er nooit grondconflicten waren in mijn dorp, zoals ik in mijn vorige en nieuwe boek vertel. Maar dat soort conflicten kom je in honderden dorpjes tegen. Hij zegt dat ik op een nonnenschool heb gestudeerd -wat hier heel elitair is- terwijl de waarheid is dat ik twee jaar als dienstmeisje gewerkt heb voor de nonnen, die me daarnaast wat hebben leren lezen en schrijven. Daarna heb ik dankzij een beurs bij dezelfde congregatie de open lagere school in twee jaar doorlopen en ik zou daar zelfs zijn gebleven om naar het seminarie te gaan als mijn vader niet levend was verbrand tijdens de bezetting van de Spaanse Ambassade in 1980. Ik moest toen wel weg omwille van mijn veiligheid.’

In jouw eerste boek noem je bepaalde personen en feiten niet. Dat neemt Stoll je kwalijk. ‘Toen ik Guatemala ontvluchtte, had ik mijn nachtmerries nog niet verwerkt. In die periode begonnen de massamoorden in de dorpjes en hoorde ik van mijn zusje Anita, die toen 12 jaar oud was, het afschuwelijke verhaal over de moord op mijn broer Patrocinio. Zij was er getuige van. Ik heb mijn verhaal niet verteld om er een bestseller van te maken. Ik kende de wereld van de media niet eens. Mijn vader had me het verhaal van Patrocinio’s dood ook verteld. Hij had het van twee getuigen, die samen met Patrocinio gevangen zaten maar die waren ontsnapt. Ik kon daarover niet praten, want ze waren nog in leven en moesten beschermd worden om hun getuigenis later te geven. Helaas zijn ze toch nog vermoord. Kort na de dood van Patrocinio werd mijn moeder op afschuwelijke manier afgemaakt. Ik dacht aanvankelijk dat Anita ook dood was, maar we ontmoetten elkaar acht maanden later en hebben er uren en uren over gepraat. Dat was de basis van mijn getuigenis. Het is geen wetenschappelijk verslag, geen autobiografie, want daarvoor is het niet compleet genoeg. Dan had ik ook moeten praten over mijn engagement binnen het boerencomité CUC, en over mijn bezoeken aan de zogenaamde Dorpen in Verzet. Door dat niet te doen, zijn er levens gespaard.

In 1982 bezocht ik Parijs, tijdens een informatietournee voor het boerencomité. Daar kreeg ik te horen dat een journaliste mij wilde interviewen. De gesprekken duurden uiteindelijk de hele week. Het was een trieste week, waarbij de kou en de donkere dagen me verder deprimeerden. Terug in Mexico vergat ik de gebeurtenis. Ik wist niet eens wat die journaliste met het verhaal ging doen. Toen ik in een vluchtelingenkamp in Chiapas verbleef, hoorde ik toevallig over de radio dat mijn boek een prijs had gewonnen (van de in Latijns-Amerika zeer bekende uitgeverij Casa de las Americas, Cuba). Ik vroeg me af hoe dat kon. Ik had nog nooit een boek tot het einde toe gelezen. Ik heb mijn getuigenis wel duizenden keren verteld, maar totdat we aan mijn tweede boek begonnen te werken, had ik mijn eigen boek nooit gelezen, laat staan herlezen. Ik durfde het niet, was bang iemand iets te kort te hebben gedaan.

Men heeft mij niet kunnen vermoorden vooraleer mijn verhaal en dat van mijn volk verteld werd. Dat maakt onze tegenstanders zo kwaad. Maar wat ik niet begrijp is waarom ze nu de doden proberen te vernederen. Mijn broer zou nu in vrede moeten rusten, maar zeventien jaar later wil Stoll nog bespreken of Patrocinio wel of niet levend verbrand is, of hij in een massagraf is gegooid of niet. Is het niet voldoende dat hij vermoord is? Toen het boek gepubliceerd werd, leefden mijn broer Victor en zijn vrouw María nog. Het jaar erop werden beiden afgemaakt. Zoveel familieleden vonden de dood. Maar nog steeds mogen we niet hoofdpersonen van onze eigen geschiedenis zijn, want de kolonialisten willen die blijven schrijven. En altijd weer zijn het de beulen die winnen. Waarom moet zo nodig een Noord-Amerikaan ons komen vertellen dat wij worden gemanipuleerd?

Drie jaar geleden, na het bloedbad in Xaman, begon jij je kruistocht tegen de straffeloosheid in Guatemala. Officieel hebben jullie nu al twee jaar vrede. Is er iets veranderd met de ondertekening van de vrede?

Ik vind van wel, ondanks alles. Vroeger was het zinloos om militairen in het strafbankje te plaatsen of corruptie aan te klagen. Nu kan dat wel, al maakt het helaas een verschil of de aanklager Rigoberta Menchú heet of onbekend is. Er zijn ook grondwetsartikelen gewijzigd. Het zijn misschien symbolische wijzigingen, maar andere criteria om de vredesakkoorden op waarde te schatten, hebben we nu eenmaal niet. We werken hard aan verbeteringen in het onderwijs, na inheems onderwijs in Chiapas, Belize, Honduras, Guatemala, El Salvador en Nicaragua te hebben bestudeerd. We hebben er studies over gepubliceerd. We willen nu eenmaal nieuwe onderzoeken en voorstellen doen.

Anderszijds zijn we blij met de vorming van burgercomités in het binnenland. Die bestaan nu al in zestig dorpen en doen daar mee aan verkiezingen in plaats van politieke partijen. Dat is een nieuwe vorm van politiek bedrijven tussen verschillende etnische en culturele groepen. In de hoofdstad vind je zoiets niet. Ik heb allang de hoop opgegeven dat de politici daar veranderen.

Een belangrijke taak die nog wacht, is de ontwapening. Volgens experts zijn er meer dan een miljoen niet-geregistreerde wapens in omloop, in handen van ex-leden van burgerpatrouilles, maar ook van de nieuwe lichting misdadigers en drugshandelaren. Je treft vormen van geweld aan die voorheen door het leger werden gepleegd, zoals het levend verbranden van mensen die men ervan verdenkt misdadigers te zijn. We hebben behoefte aan vorming om ons te verzetten tegen dit geweld. De overheid moet ook erkennen dat dit geweld een gevolg is van de oorlog. Alleen als dat gebeurt, kunnen we zeggen dat we er op vooruitgaan. Maar wij, burgers, hebben daarin ook een rol te spelen.

Zijn de inheemsen er als inheemsen op vooruitgegaan?

De inheemse volken lijken niet te bestaan in deze wereld. Als we het in Guatemala voor elkaar krijgen dat we niet vergeten worden, dan is dat belangrijk voor alle inheemsen op dit continent, want er zijn overeenkomsten in de manier waarop we gediscrimineerd worden. We hebben nieuwe vredescriteria nodig, die verder gaan dan de afwezigheid van oorlog. Vrede vereist immers ook de deelname van de verschillende volken aan de samenleving. De Verenigde Naties hebben het jaar 2000 al uitgeroepen tot Jaar van de Vredescultuur. Dat moet ons er toe aanzetten respect met diversiteit te verbinden. Om tot vrede te komen, moeten we leren samenleven en samenwerken zonder de anderen tot buigen te dwingen. We moeten positief zijn met onze voorstellen, om onvrede te voorkomen. In die manier van denken passen geen verwaande kwasten die inheemsen thuis komen opzoeken, om vervolgens de uitleg van hen te vertalen al naar gelang het in hun kraam past.

Past de huidige Universele Verklaring van de Mensenrechten in dit multiculturele tijdperk?

Die blijft een inspiratiebron, maar ook een utopie, een nooit bereikt doel. Als de tribunalen worden versterkt om misdaden tegen de mensheid te bestraffen, dan komen we dichter bij dat doel. Als ik toegang zou hebben tot een tribunaal om David Stoll en zijn handlangers aan te klagen wegens smaad, dan zou ik dat direct doen. We moeten onze energie niet op de eerste plaats richten op pogingen om de Universele Verklaring te veranderen. Wat we nodig hebben zijn mechanismen om haar na te laten leven.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift