Robert Mc Chesney: Amerikaanse media zijn antidemocratisch

Bush en Kerry hebben hun verkiezingsstrijd uitgevochten op het kleine scherm. De oorlog om de publieke opinie in verband met Irak wordt via de media gevoerd. De "vierde macht" is machtiger dan ooit. En tegelijk kampt de journalistiek met commercialisering, winstbejag, dubbele standaarden. Maar, zegt mediaprof Robert McChesney, er is hoop.
Robert W. McChesney is een van de meest uitgesproken critici van het hedendaagse massamediasysteem in de Verenigde Staten. In zijn jongste boek, The Problem of the Media: US Communication Politics in the Twenty-First Century, beschrijft hij op overtuigende wijze de vele manieren waarop bedrijfsbelangen en -waarden het politieke nieuws en vertoog hebben vertekend. En hij geeft aan in welke richting hervormingen moeten gaan om opnieuw tot media te komen die het publieke belang dienen. McChesney is professor Communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Illinois. Hij schreef of redigeerde acht boeken, is medehoofdredacteur van de Monthly Review en oprichter van Free Press, een drukkingsgroep die pleit voor grondige hervormingen in de media.
We zitten in de laatste rechte lijn van de presidentsverkiezingen in de VS. Heeft het publiek de verslaggeving gekregen die het verdient?
Robert McChesney: Het is een vreselijk spektakel geweest. De Amerikaanse journalistiek is over het algemeen in een betreurenswaardige staat, en met de verkiezingen doen we het nog slechter dan anders. Veel heeft te maken met de professionele code van de journalistiek, die haar eigen rol veel te uitsluitend definieert als het slaafs herhalen van wat mensen in machtsposities zeggen. Een ander probleem is dat we toestaan dat degenen die veel geld hebben de inhoud van onze campagneverslaggeving kopen via tv-advertenties. De hele controverse rond de Swift Boat Veterans [Republikeinen die John Kerry beschuldigden van leugens over zijn heldhaftige oorlogsverleden in Vietnam, nvdr] heeft nu toch wel duidelijk gemaakt dat de lingua franca van de verkiezingsstrijd bestaat uit de woorden en verhalen die gelanceerd worden in de tv-advertenties. Met andere woorden: journalistiek -in de mate dat ze nog bestaat- doet aan verslaggeving over de beweringen die in advertenties gemaakt worden. Of die beweringen waar of vals zijn, lijkt minder belangrijk dan de vraag of mensen ze geloven en of ze effect hebben.
En dan zijn er nog de dubbele standaarden die de media hanteren. Dezelfde feiten worden door de media anders behandeld wanneer ze betrekking hebben op John Kerry of George Bush. De conservatieven hebben de strijd om de mainstreammedia gewonnen, op eclatante wijze.
Kan u voorbeelden geven van de verschillende behandeling van kandidaten?
Robert McChesney: Kijk naar het verleden van George Bush voordat hij president was. Vergelijk dat met de manier waarop het zakenverleden van Bill Clinton behandeld werd door de media. Clintons Whitewater probleem had te maken met een klein en vrij onbelangrijk contract, maar het leidde wel tot talloze artikels en tot een speciale aanklager die bijna zorgde voor zijn afzetting, al werd er niets gevonden. De zakelijke carrière van George Bush daarentegen was uitzonderlijk twijfelachtig. Het was een aaneenschakeling van mislukkingen, maar hij werd voortdurend gefinancierd en gesteund door mensen die toegang wilden krijgen tot zijn vader -en later tot George W. zelve. Dat kreeg nauwelijks aandacht in onze media.
Of neem de hele berichtgeving over het Vietnamverleden van beide kandidaten. Als je vergelijkt hoeveel verhalen er geproduceerd werden over de manier waarop Clinton of Gore aan hun legerdienst ontkwamen met het aantal verhalen over George Bush, dan zit je bijna aan een factor één op honderd. Kerry wordt geroosterd over het Swift Boat verhaal, ook al is er geen feitelijke basis voor, ook al is het klinkklare nonsens, toch krijgt het verhaal voortdurend aandacht. En George W. Bush’ militaire verleden blijft vrijwel onbesproken, ook al is het veel dubieuzer.
Is daar een verklaring voor?
Robert McChesney: De voornaamste verklaring ligt in de capaciteit van de conservatieven om journalisten murw te slaan. Journalisten zijn doodsbenauwd om als liberal of progressief gebrandmerkt te worden.Dan Rather [die een reportage bracht over de manier waarop vader Bush politieke invloed gebruikt zou hebben om zoon George W. uit Vietnam te houden, maar achteraf moest toegeven dat de bron vals bleek, nvdr] zit op duizend blaren tegelijk, terwijl boegbeelden van de conservatieve journalistiek als Brit Hume een leven lang onzin kunnen uitkramen zonder ooit hun gat te branden. Ik bedoel: journalisten weten dat je mag afwijken naar de conservatieve kant, want als je daarop ooit aangesproken wordt, kan je altijd zeggen dat het een kwestie was om de progressieve vooringenomenheid van de media in evenwicht te brengen. Maar beschuldigd worden van een afwijking in progressieve richting, dat is bijna even erg als beschuldigd worden van pedofilie.
Als de conservatieven de strijd om de media gewonnen hebben, waarom wordt er dan nog steeds geklaagd over de liberal media?
Robert McChesney: Omdat die klacht zo effectief is. Als conservatieven onder elkaar zijn, feliciteren ze elkaar met hun overwinning in de mediastrijd. Maar in het publiek zullen ze blijven jammeren over de progressieve media. Elk artikel dat kritisch is over Bush wordt van tafel geveegd met het argument dat het weer de progressieve vooringenomenheid van de media toont, terwijl elk artikel dat Bush in een fraai daglicht stelt, onthaald wordt met de zucht: ‘Eindelijk slagen de media erin correct te berichten.’
In uw boek beschrijft u de media als een antidemocratische kracht.
Robert McChesney: Een echte democratie -het volk bestuurt- heeft behoefte aan een geïnformeerd publiek. Een goed mediasysteem is absoluut essentieel als we willen dat mensen politiek gelijkwaardig zijn en dat ze de informatie en de middelen hebben om feitelijke deelnemers aan de besluitvorming te zijn. Kijk naar de Verenigde Staten. Voor een rijk land zijn we een uitzonderlijk ongelijke samenleving. We hebben een enorm hoge electorale apathie en een gebrek aan participatie voor een welvarende natie. Als we dat vaststellen, dan is de vraag of onze media die antidemocratische tendens bestrijden of versterken. Moedigen onze media de mensen aan tot politieke participatie of maken de media het allemaal nog erger? Ik denk dat het een beetje van beide is. Verschillende media doen verschillende dingen, maar als je alles samentelt en de globale impact probeert te wegen, dan vrees ik dat de mediawereld een overduidelijke antidemocratische kracht geworden is.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift