Russische roulette en Belgische toestanden

Achter dollartekens, beursnoteringen en winstverwachtingen gaan altijd mensen schuil. Winnaars en verliezers, bedriegers en bedrogen volkeren. Misschien gaat die algemene waarheid nergens zó onversneden op als in de voormalige Sovjetunie. De stormachtige entree van deze grootmacht in de wereld van het casino-kapitalisme ging gepaard met allerlei financiële malversaties, devaluaties en speculaties.
Johan De Poortere schrijft vanuit Moskou een parallelverhaal: het ene stuk gaat over financiële speculatie en de vuile handen van het Belgische bedrijfsleven, het andere portretteert Ibrahim, die succes en ethiek aan elkaar koppelt met de touwtjes van zijn geloof.



‘IK ZAL TRACTEBEL MET MIJN BLOED BETALEN’

Vera Nesterova is 74. Ze woont in het centrum van Almaty, tot voor kort de hoofdstad van de voormalige sovjetrepubliek Kazachstan. Een klein, tenger en broodmager vrouwtje maar met een onblusbare strijdlust. Ik kwam ze tegen op een betoging van gepensioneerden tegen het Belgische Tractebel. De geschiedenis van Tractebel in Kazachstan en het lot van Vera Nesterova zijn exemplarisch voor de overgang van communisme naar kapitalisme in de voormalige Sovjetunie. Van Kaliningrad tot Vladivostok hebben binnen-en buitenlandse kapitaalgroepen zich de rijkdommen van het land toegeëigend en miljoenen Vera Nesterova’s gereduceerd tot een staat van overleven.

In de sovjettijd was elektriciteit gratis. Met de komst van de Belgen is dat afgelopen. Tractebel kocht de elektriciteitscentrale en het distributienet dat Almaty van stroom voorziet. De bewoners hebben nu de keuze: de elektriciteitsrekening betalen of zonder stroom worden gezet. Vera heeft een pensioen van om en bij de 1300 BEF. Daarvan moet ze meer dan de helft aan huur betalen. De elektriciteitsrekening bedraagt om en bij de 300 BEF. Wat overblijft is teveel om te sterven en te weinig om te leven. Voor Tractebel naar Kazachstan kwam, hadden de meeste gepensioneerden al hun spaargeld al verloren aan de devaluatie van de roebel, die na de eerste privatiseringsgolf in Rusland ook de Kazachse nationale munt – de tenge – in zijn val heeft meegesleurd. De prijzen van alle producten zijn de pan uitgerezen en de meeste producten in Almaty zijn nagenoeg even duur als in België. ‘Ik heb alleen nog mijn bloed,’ zegt Vera. ‘Laat ze transfusieposten oprichten en slangen naar Tractebel leiden. Ik zal betalen met bloed.’ Als het aan Tractebel ligt, zal dat niet volstaan. Sinds kort probeert de holding immers via internationale arbitrage de Kazachse overheid te dwingen de elektriciteitsprijzen nog te verhogen.

Vera is weduwe. Samen met haar man heeft ze heel haar leven in de militaire industrie gewerkt. Dat bezorgde hen een geprivilegieerde positie en een mooi pensioen. Maar door de val van de Sovjetunie zijn al die voordelen vandaag even onvindbaar als vroeger een fotocopieerapparaat. ‘Alsjeblieft, zo leef ik nu,’ zegt Vera als ze me meeneemt naar haar flatje in één van die typische sovjetwoonblokken in het centrum van de stad. Ze laat een lege ijskast zien. ‘In de sovjettijd was de ijskast barstensvol: kip, vlees, worst, room… nu is ze leeg, ondanks de mooie praatjes van president Nazerbajev, die graag opschept over het goede leven dat hij ons bezorgt. Dit is het bestaan dat mij na een heel leven van hard werken is gegund.’

Tractebel kwam in 1996 voor het eerst naar Kazachstan en kocht er het energiebedrijf Almatyenergo met onder andere de elektriciteitscentrale Tets3 in de buurt van Almaty voor vijf miljoen dollar (200 miljoen BEF) en de belofte voor 1,2 miljard BEF te investeren. Een ontslagen kaderlid van Tractebel zei me later dat van die belofte weinig in huis is gekomen. Het eerste jaar investeerde Tractebel een goede twee miljard maar haalde er later het leeuwendeel van die investering weer uit in de vorm van management fees. Tractebel wou met de aankoop een voet aan de grond krijgen in Centraal-Azië en vanuit Kazachstan de enorme energiemarkt van de voormalige Sovjetunie veroveren. Na de aankoop van het elektriciteitsnet volgde een jaar later een veel grotere investering in het gaspijpleidingennet in het zuiden van Kazachstan. Dit keer betaalden de Belgen 630 miljoen dollar (25 miljard BEF) voor een concessie van 15 jaar met een optie op nog eens vijf jaar.

Het autoritaire regime van president Nursultan Nazerbajev haalde de Belgen met de rode loper binnen. Nazerbajev gaat er prat op dat zijn land – één van de armste van de voormalige Sovjetunie –recordhouder is op het vlak van buitenlandse investeringen. ‘Bij ons werken 1500 buitenlandse bedrijven,’ zei hij mij anderhalf jaar geleden in een interview, ‘per inwoner is hier het meeste geïnvesteerd van heel post-communistisch Oost-Europa, Hongarije uitgezonderd.’ Waar het geld van de privatiseringen naartoe gaat, wordt duidelijk als je Astana, de nieuwe hoofdstad van Kazachstan, bezoekt. In het hartje van de steppe heeft president Nazerbajev zijn megalomane droom waargemaakt: een hoofdstad van glas en beton, gebouwd door buitenlandse firma’s, onder andere het Zwitserse Mabetex dat in het centrum staat van een omkoopschandaal in Rusland. Tractebelbaas Nikolas Atherinos, die het contract in Kazachstan in de wacht had gesleept, loopt hoog op met de ‘stabiliteit’ in het land. Dat het regime van Nazerbajev ook door en door corrupt blijkt te zijn zou pas later blijken.

De komst van de Belgen wekte hoge verwachtingen bij de bevolking. ‘We waren gewend aan stroomonderbrekingen’, schreef een gepensioneerde in een lokale krant ‘en we slaakten een zucht van verlichting. De kapitalisten uit het Westen zouden ervoor zorgen dat het licht blijft branden en dat onze huizen verwarmd worden.’ Maar de bewoners van Almaty ontwaakten snel uit die droom. Van de 9000 werknemers van het energiebedrijf werden er 500 door de nieuwe bazen ontslagen. Eén van hen pleegde zelfmoord door zich vóór het hoofdkantoor van Almatyenergo in brand te steken. Al de eerste winter slaagde Tractebel er niet in de stad continu van stroom te voorzien. ‘We hadden de problemen onderschat’, zei een ingenieur van het bedrijf toen.

De consument maakte vlugger dan hem of haar lief was, kennis met een ander gevolg van de kapitalistische hervormingen in de energiesector. ‘We zijn gekomen om de Kazachen te leren hun elektriciteitsrekening te betalen’, zei een ander kaderlid van Tractebel in Almaty. Een ploeg van het bedrijf ging van huis tot huis om de stroom bij wanbetalers af te sluiten: eerst kazernes en openbare gebouwen, later ook ziekenhuizen en privé-woningen. De Belgen kregen algauw de reputatie van ‘bloeddorstige kapitalisten’ die niets of niemand ontzien.

Toen ik verkopers op de markt vroeg waarom ze hun waar bij kaarslicht aan de man probeerden te brengen, kreeg ik als antwoord: ‘Vraag dat maar aan uw landgenoten, die ons in het donker zetten.’

Maar ook met de gasleveringen ontstonden problemen. Tractebel slaagde er niet in voldoende gas van de onderaardse opslagplaatsen in het zuiden van het land naar de hoofdstad te pompen. De bevolking zat in de kou en de betogingen tegen de Belgen werden achter de schermen gesteund door de regering die in conflict was gekomen met Tractebel. Er kwamen nieuwe beloften voor hogere investeringen en een bezoek van toenmalig premier Jean-Luc Dehaene aan te pas om de plooien weer glad te strijken. Dehaene kwam naar Kazachstan op officieel bezoek, maar stak niet onder stoelen of banken dat zijn ware missie die was van een handelsreiziger voor Tractebel.

Drie jaar nadat Tractebel met veel klaroengeschal zijn intrede in het GOS had bekendgemaakt barstte de bom. Bij een onderzoek naar zwart geld uit de voormalige Sovjetunie stootte het Zwitserse gerecht op verdachte betalingen van Tractebel aan drie hoogst verdachte zakenlieden uit het GOS, die zich na een succesvolle carrière in Kazachstan in België hebben gevestigd. Tractebel spande een proces aan tegen Nikolas Atherinos, de peetvader van het Kazachstanproject en ontsloeg alle kaderleden die met de Kazachstancontracten te maken hadden. Wat bleek? Het respectabele Tractebel heeft het drietal 2 miljard BEF aan consultancy-fees betaald, een nauwelijks verholen vorm van smeergeld. Het gerecht zoekt nu uit of een deel van dat geld in de vorm van kick-backs is teruggevloeid naar de bewuste kaderleden.

De ‘Drie Musketiers’ worden ze genoemd en ze duiken op alle dossiers van Tractebel in Kazachstan en Rusland. Voor het leggen van de nodige contacten met de politieke leiders van het land – president Nursultan Nazerbajev en de toenmalige premier Kazjegeldin – zijn ze royaal vergoed: 2 miljard BEF en een belangrijke participatie in alle joint-ventures.

De Drie Musketiers duiken ook op in andere grote privatiseringsdossiers in Kazachstan en andere Centraal-Aziatische republieken. Hun biografie geeft enig inzicht in de achtergronden van de grootste privatiseringsgolf in de geschiedenis – vaak omschreven als ‘de roof van de eeuw.’

Patoch Sjodijev, een 46-jarige Oezbeek was één van de naaste medewerkers en persoonlijke adviseur van de Kazachse president Nazerbajev. Hij is een sleutelfiguur in de privatisering van de metaalsector in de voormalige Sovjetunie. Eind van de jaren tachtig komt hij in contact met Boris Birsjtein, een financieel genie in dienst van de nomenklatoera. Birsjtein speelt een duistere rol in het onderbrengen van het geld van de Communistische Partij op buitenlandse bankrekeningen, maar valt in ongenade en moet Rusland verlaten. Later ‘begeleidt’ hij de privatisering van de reusachtige staal-, aluminium- en chroomrijkdommen van de Sovjetunie. Samen met Birsjtein richt Sjodijev begin jaren negentig een aantal bedrijven naar Belgisch recht op. Hij zou de spilfiguur zijn geweest in het smeergeldschandaal. Hij verdeelde de twee miljard van Tractebel onder zijn kompanen. Sjodijev woont in een luxueuze villa in Waterloo en vestigde al eerder de aandacht van de staatsveiligheid op zich door zijn extravagante levensstijl. Voor de verjaardag van zijn vijftienjarige dochter zou hij hele vliegtuigen met vrienden en familieleden uit Centraal-Azië naar Brussel hebben laten overvliegen.

Alexander Masjkevitsj, ‘de grijze kardinaal’ wordt ook wel eens de Kazachse Boris Berezovsky genoemd. Hij is net als Sjodijev een naaste adviseur van president Nazerbajev en was de financier van Nazerbajevs recentste verkiezingscampagne. Masjkevitsj is een in 1954 in Kirgizstan geboren Rus. Hij is decaan aan de faculteit psychologie van de universiteit van Bisjkek (Kirgizstan) en adviseur van president Akar Akajev als hij Birsjtein ontmoet. Masjkevitsj en Birsjtein worden beiden genoemd in het schandaal van een treinlading goud uit Kirgizstan, die op weg naar Zwitserland ‘verloren gaat’. De vice-premier die de zaak in het parlement te berde brengt, wordt vermoord. Het tweetal is, met nog een derde partner, Alizjan Ibragimov, actief in de buitengewoon winstgevende privatisering van aluminium en chroom in Kazachstan. Dat land is samen met Zuid-Afrika de enige chroomproducent ter wereld. De chroombusiness brengt volgens een insider winsten op van 200 tot 300 miljoen dollar per jaar.

Masjkevitsj woont ook in België en houdt er eveneens een flamboyante levensstijl op na. Nikolas Atherinos, de toenmalige topman van Tractebel was één van de gasten op een extravagante verjaardagsfuif in het kasteel van Terhulpen met vuurwerk, zigeunerorkest en grote hoeveelheden alcohol.

De derde van de Drie Musketiers, Alizjan Ibragimov, heeft de Kazachse nationaliteit maar is in Oezbekistan geboren. Ibragimov is een naaste adviseur en medewerker van de in ongenade gevallen premier van Kazachstan, Akezjan Kazjegeldin. Kazjegeldin was de paus van de privatiseringen in Kazachstan en een goede vriend van de Belgen van Tractebel. Hij werd beloond met een villa van 20 miljoen in Waterloo, officieel op naam van Ibragimov. Samen met zijn kompanen Masjkevitsj en Sjodijev wordt Alizjan Ibragimov partner in de ondernemingen van Tractebel in Kazachstan: ze krijgen 24% in het elektriciteitscontract en 45% in Intergas, het pijplijnennetwerk. Ibragimov probeerde vergeefs de Belgische nationaliteit te krijgen. Volgens Le Soir heeft de Belgische justitie voor miljoenen aan effecten en kostbaarheden uit het bezit van Ibragimov in beslag laten nemen. Daarom zou hij voortaan vaker in Istanbul worden gesignaleerd dan in de dure villawijken ten zuiden van Brussel.



‘HET LAND WANKELT, WE KUNNEN ALLEEN OP GOD VERTROUWEN’

Is elk economisch succes in de voormalige Sovjetunie dan op maffieuze wijze tot stand gekomen? Ibrahim Palankoe denkt het niet, al weet hij meer dan hij aan de pers kwijt wil.

Het dure maatpak is onberispelijk en hij zou kunnen doorgaan voor een snelle jongen, een playboy zelfs. Een typisch voorbeeld van de generatie Novye Russkie, de Nieuwe Russen. Ibrahim Palankoe is op 29 jaar een geslaagd zakenman maar ook een vrome moslim. Hij staat aan het hoofd van supermarkt ‘Universam 21’ in het noorden van Moskou, onderdeel van een klein familie-imperium dat onder andere een bank, computerbedrijven en oliefirma’s omvat. De familie Palankoe komt uit Ingoesjetië, een kleine verpauperde republiek in de noordelijke Kaukasus, grenzend aan Tsjetsjenië.

De Ingoesjen staan bekend om hun ondernemingszin en hun talent voor handel en business. Maar Ibrahims fortuin komt niet helemaal als manna uit de hemel neergedaald. Ibrahims vader, die enkele jaren geleden gestorven is, was een zagotovitel, een ‘leverancier’. Hij zorgde voor de bevoorrading van de staatswinkels en was op die manier de link tussen de staatsboerderijen -de kolchozen en de sovchozen- en de consument. De zagotovitel was een onmisbare schakel in de ketting van het manke sovjetdistributiesysteem en daarom een geprivilegieerd sovjetburger. Hij bevond zich op de grens tussen de legale en de illegale, zwarte economie. Want de zagotovitel zou gek zijn geweest als hij niet zijn eigen, zwarte handeltje dreef naast en tegelijk met de officiële, witte handel. In de sovjeteconomie, die van corruptie aan elkaar hing, was de zagotovitel het smeermiddel. Een winkel die om rijst verlegen zat, betaalde graag metgeld of goederen in het zwart om de lange bureaucratische weg korter te maken. Een sovchoze die dringend behoefte had aan spijkers of verf deed hetzelfde. In beide gevallen werd de zagotovitel er beter van.

Ibrahims oudste broer Achmed was één van de jonge ondernemers die nog in de sovjettijd de kansen greep die hem door de Perestrojka werden geboden. Over het beginkapitaal is Ibrahim onduidelijk: Achmed had partners in off-shore firma’s en hij verdiende een bom geld in de oliebusiness. In 1985 richtte Achmed een eerste coöperatie op – zoals de privé-bedrijven in die tijd werden genoemd – en gooide zich op de ontluikende computermarkt.

Ibrahim kwam na zijn legerdienst in 1990 naar Moskou waar hij een baan kreeg in een van de bedrijven van zijn oudste broer Achmed die nu onder andere de bank ‘Akropol’ beheert. Samen kochten ze een supermarkt waarvan Ibrahim de leiding kreeg.

Zowel de bank als de winkel hadden zwaar te lijden onder de financiële crisis van 1998, maar de broers konden het hoofd boven water houden. Toch blijft het tot vandaag een hachelijke onderneming, zegt Ibrahim. ‘De roebel viel met zo een snelheid dat mijn winstmarges als sneeuw voor de zon wegsmolten. Ik moest vandaag voor een hogere prijs aankopen dan ik gisteren kon verkopen.’ Ibrahim is een overtuigd moslim en daarom, zegt hij, heeft hij alles op alles gezet om zijn personeel niet op straat te zetten. ‘Als zakenman was het logisch dat ik de boel dichtdeed en betere tijden afwachtte, maar dat had betekend dat ik 140 man personeel op straat moest zetten. Allah heeft me een verantwoordelijkheid gegeven voor die mensen. Ik ben een godvrezend iemand en de koran zegt dat het een grote zonde is de mensen die met je samenwerken te bedriegen. Daarom heb ik verkozen zelf voor de verliezen op te draaien en de winkel open te houden. Ik heb mijn personeel met mijn eigen geld betaald en ik ben er trots op dat ik de zaak heb weten te redden.’

In de dagen na de roebelkrach, in augustus ‘98, gaf de supermarkt van Ibrahim hetzelfde beeld te zien als de meeste winkels in Moskou: de rekken waren leeg. ‘De klanten kochten alles op, suiker, deegwaren, conserven, alles. Ik vulde de rekken weer aan, maar niemand kocht. Een heel jaar lang.’ Veel handelszaken zijn in die periode over de kop gegaan, maar dank zij de familie kon Ibrahim het hoofd boven water houden. Nu is de roebelkoers min of meer gestabiliseerd, maar echt beter is het niet, zegt Ibrahim. ‘We hebben ons aangepast, we overleven, maar de crisis komt en gaat in golven. Ons land is onvoorspelbaar en de economie is onvoorspelbaar en dat is voor ons zakenlui het ergste.’

Ik zag Ibrahim voor het eerst een paar zomers geleden op een zware Yamaha motorfiets. Maar hij wil niet het etiket opgeplakt krijgen van een ‘biker,’ het ruige volkje dat ook in Moskou een slechte reputatie heeft. Ibrahim is een voorbeeldige familievader met twee jonge kinderen, die hij een goede toekomst wil bezorgen. Maar hij heeft er een hard hoofd in. De tijden zijn woelig en hij mag dan een Nieuwe Rus, een jonge kapitalist zijn, soms heeft hij heimwee naar de goede oude Sovjetunie. Want toen was er wat elke zakenman het meeste van al waardeert: stabiliteit.

‘Aan het communisme zaten heel veel minpunten vast,’ zegt hij. ‘Ik herinner me nog de tijd dat de mensen niet wisten wat een goed product was en wat slecht, toen ze geen keuze hadden, toen ze niets wisten van de wereld buiten de grenzen, hoe andere mensen leefden. Maar de mensen op straat zagen er gelukkig uit. Ze hadden weinig geld, maar ze hadden een woning, ze had een zwart-wit tv, en ze waren gelukkiger dan nu. Er was een sfeer van samenhorigheid, van openheid. Kijk maar naar de films van toen – de klassieke komedies uit de sovjettijd. De mensen kijken er nog altijd naar, ze worden altijd opnieuw op televisie vertoond en niemand krijgt er genoeg van. En wat zie je nu op straat? Politie, bandieten, bedelaars, idioten met een gouden ketting en een pistool. De kinderen zien dat en ze willen ‘bandiet’ worden en de meisjes zeggen dat ze prostituee willen worden, want dat zien ze op tv en dat lijkt hun cool. Ik hou mijn hart vast voor de toekomst.’

Voor hemzelf ziet Ibrahim niets dan voordelen in de nieuwe tijd. ‘Onder het communisme was ik wellicht afgestudeerd aan het Technisch Instituut voor Textiel, ik zou ergens een baan hebben gevonden in de leerverwerkende nijverheid en ik zou ergens afdelingshoofd in een fabriek zijn geworden: een job voor je leven. Maar ik ben een rusteloos iemand, ik kan niet stilzitten, ik ben altijd op zoek naar iets nieuws, iets interessanters en daarom is het leven voor mij persoonlijk nu veel boeiender en veel vrolijker!’

Over zijn inkomsten wil Ibrahim geen concrete mededelingen doen. Hoeveel hij jaarlijks verdient weet hij zelf niet, zegt hij. Is hij een rijk man? ‘Het hangt ervan af met wie je vergelijkt. Ik dank God voor wat ik heb. Als iemand mij vraagt hoe het gaat, zeg ik altijd ‘God zij geprezen.’ Want het zou altijd een ietsje slechter kunnen. Ik leef, ik heb handen en voeten, mijn dierbaren zijn gezond. Wat kan ik nog meer wensen? Ik ben rijk in die zin dat ik niet de tegenslag ken die sommige mensen treft met wie ik me zou kunnen vergelijken. In die zin ben ik inderdaad heel rijk. In Amerika of in Europa is het de gewoonte dat je weet hoeveel je per jaar verdient, hoeveel je kunt uitgeven, welk huis je je kunt veroorloven. Hier niet. Hier kun je niets voorspellen. Vandaag ben je rijk en morgen moet je afstand doen van alles, morgen ben je arm.’

Zaken doen in Rusland betekent een modus vivendi vinden met de georganiseerde misdaad. Vrijwel elke ondernemer heeft een krysja, een ‘dak.’ Meestal betekent een dak, beschermingsgeld betalen aan een gespecialiseerde tak van de maffia – de ‘bandieten’ in het Russisch taalgebruik. Ibrahim ontkent dat hij een krysja heeft, of het zou de familie, de clan moeten zijn. Hij laat in het midden of hij ooit bedreigingen heeft gekregen. ‘Als de ‘bandieten’ weten dat ze met Ingoesjen te maken hebben, denken ze wel twee keer na. Als iemand van ons iets overkomt staat de hele familie klaar om te helpen. De wetten van de bloedwraak worden bij ons nog steeds in ere gehouden. Ik heb vier broers en vier zusters. Als één van hen een probleem heeft, laat ik de winkel achter en ga ik naar ze toe om te helpen. Als ik niet sterk genoeg ben, zal ik diegene die één van hen moeilijkheden berokkent desnoods met de tanden te lijf gaan, want het gaat om mijn broer, om mijn zuster. Ik zal aan hem of aan haar denken en niet aan mezelf of aan mijn gezin. Daarom zijn ze bang van ons, daarom laten ze ons met rust. Ik weet dat velen die in zaken zijn in Rusland bang zijn en betalen. Ze missen de innerlijke kracht en de overtuiging. Ik vrees alleen de Allerhoogste.’

Heeft hij er wel eens genoeg van? Zou hij wel eens in een land willen leven waar zaken doen de gewoonste zaak van de wereld is en waar de criminaliteit niet op elke hoek van de straat loert? ‘Hoeveel zijn er niet die het land hebben verlaten en die terugkeren omdat ze daar niet kunnen leven. Ik zou het ook niet kunnen. Ik ben hier geboren en opgegroeid. Ik heb voorstellen gekregen om naar het buitenland te gaan, naar Canada bijvoorbeeld. Daar hebben ze mensen nodig, daar geven ze je alle soorten faciliteiten. Maar ik kan me gewoon geen leven voorstellen waarin alles voor je wordt voorgekauwd. Je gaat ‘s morgens naar je werk en je komt ‘s avonds terug naar huis, alles is voor je uitgestippeld. Je moet in zo een land geboren zijn om er te kunnen aarden. Nee, ik hou van dit land, ik geloof erin. Ik geloof dat we hier ooit een traditie krijgen van ‘service’, dat winkelpersoneel de klanten niet langer zal behandelen als dieven die achter je geld aanzitten, dat de mensen hier ook zullen leren zelf op een eerlijke manier geld te verdienen, zonder de staat of elkaar te bedriegen en dat de staat zal begrijpen dat de belastingen verlaagd moeten worden.’
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift