Rwanda 10 jaar na de genocide

Rwanda vandaag? Dat is plus tien jaar en min één miljoen inwoners. Geschiedenis druk je niet altijd uit in cijfers. Hoe leven de zes miljoen overlevenden van de genocide met de erfenis van 1994? François Janne d’Othée vroeg het aan sleutelfiguren uit het Rwandese middenveld.
Kigali toen: een uitgedoofde stad op duizend heuvels. Kigali nu: de kleine en grote business draait weer op volle toeren, de vastgoedsector is in volle expansie. De jongste bakstenen trots is een gigantisch ministerie van Defensie. Dit fort van 600 bureaus- fluistert men- heeft al de bijnaam Le Pentagone gekregen en de omvang ervan is hét bewijs dat de Rwandese machthebbers niet meteen bereid zijn hun militaire afdeling af te bouwen.
Toch is de genocide al tien jaar voorbij en smeult de oorlog in Congo enkel na. Het sjofele Hotel Diplomate is ook al uit de steigers en omgebouwd tot het luxueuze Hotel Intercontinental. De suites geven direct uitzicht op de kazerne waar op 7 april 1994 de tien Belgische paracommando’s zijn vermoord door furieuze Rwandese soldaten. Ze beschuldigden de Belgen van de aanslag op het vliegtuig van president Habyarimana de avond voordien, het startschot voor de genocide op Tutsi’s en Hutu-opposanten.
De hoofdstad ondergaat een voortdurende transformatie. De nieuwe gebouwen en een vlaag van privatiseringen geven de indruk dat het land een nieuwe adem gevonden heeft, maar die komt vooral de politieke en militaire elite ten goede, gedomineerd door Tutsi’s die in 1994 uit Oeganda terugkeerden. Achter de nieuw gecementeerde gevels lijdt Rwanda onder een steeds groter wordende kloof tussen rijk en arm, tussen stad en platteland. De economische basis van het land is en blijft voor negentig procent de (overlevings)landbouw.
De bevolkingsdichtheid de hoogste in heel Afrika creëert grote spanningen rond de vruchtbare lappen grond, die niet alleen monden maar ook de genocide voedden. De overheid wil dan ook tegen 2020 het aantal boeren halveren en het onderwijs uitbouwen om zo de economie van Rwanda meer te diversifiëren. Een blauwdruk om de armoede te reduceren is in de maak, maar de boeren worden er te weinig bij betrokken.
De nieuwe kunstmatige dorpen, imidugudu, zijn een fiasco geworden. ‘Het leek aanvankelijk een goed idee,’ legt James Nesengyumva van de niet-gouvernementele organisatie Imbaraga uit, ‘maar de boeren woonden plots veel verder van hun akkers, en bovendien was er geen infrastructuur voorzien in die nieuwe dorpen.’ De weduwen die in zo’n dorpen bijeengestopt worden, leven er compleet geïsoleerd en met de voortdurende vrees dat ze het doelwit zit zullen vormen van aanvallen.
De regering is op haar plannen teruggekomen en stelt voor om die dorpen op te splitsen en dichter bij de akkers te bouwen. Sommige boeren zouden in de toekomst ook eigenaar van hun grond kunnen worden, op voorwaarde dat hun lapje grond niet meer dan een hectare is en niet opgesplitst wordt. Het ultieme doel van deze landhervormingen blijft vaag. Gaat het er om grote landgoederen voor de gefortuneerde elite te creëren? Of wil de overheid de Hutu-boeren, die in de meerderheid zijn maar ook een genocide op hun geweten hebben, een duwtje in de rug geven?
‘Van 1994 tot 1996 was samenwerking tussen Hutu’s en Tutsi’s ondenkbaar’, legt James Nsengyumva verder uit. ‘Met de terugkomst van de vluchtelingen en door het besef dat er Hutu’s waren die Tutsi’s beschermd hadden, zijn de onderlinge relaties er enorm op vooruit gegaan.’

De maskers afwerpen


Is er dan toch een verzoening in zicht? Dat woord is lang taboe geweest in Rwanda, omdat de overlevenden van de genocide vreesden dat een verzoening de onontbeerlijke gerechtigheid in de weg zou staan. Vandaag is gerechtigheid een duidelijk politiek doel, maar het onderscheid tussen Hutu’s en Tutsi’s is officieel opgeheven. Iedereen die erop betrapt wordt dit onderscheid nog te hanteren, wordt er meteen van beschuldigd divisionist te zijn, en daar staan zware straffen op.
Voor de regering gaat het er om de tegenstelling, die tot de genocide heeft geleid, uit te wissen. Volgens de tegenstanders van de maatregel is het gewoon een handige manier om discriminaties te verdoezelen en zich te blijven verzekeren van de macht. Veel overlevenden zien met lede ogen toe hoe sommige landgenoten de genocide aanwenden om bij de machthebbers op een goed blaadje te komen.
In ieder geval kunnen de breuklijnen in de Rwandese samenleving, niet uitsluitend tot een etnisch probleem herleid worden. Jacqueline Uwimana van Umuseke, een organisatie die zich bezighoudt met onderwijs en vrede: ‘De verzoening van vandaag is er niet één tussen Hutu’s en Tutsi’s, maar tussen daders en slachtoffers. Tutsi’s hebben ook gedood, uit schrik of lafheid. Het etnische probleem verdwijnt echter niet zomaar. Zelfs als we er niet over praten, zit het diep in elk van ons.’
Laurien Ntezimana, theoloog en een tijdlang opgesloten op beschuldiging van gevaar voor de staatsveiligheid, is nog directer: ‘Verzoening? Welke verzoening? Je moet je eerst en vooral met jezelf verzoenen, de maskers afzetten, alle etiketten van Hutu, Tutsi, Twa, dader, slachtoffer… overboord gooien. Het is niet door iemand te straffen, dat je de barsten in een instelling kunt dicht plamuren. Daarom vraag ik al sinds september 1994 aan het regerende FPR waarom altijd dezelfde technieken terugkomen van angst, verklikking, psychologische druk… Het systeem zal altijd dezelfde fouten vertonen zolang de mensen niet veranderen.’

Leed delen, verdriet voelen


Eén ding is zeker: er komt geen verzoening zonder gerechtigheid. In 1997 barstten de Rwandese gevangenissen met 130.000 gevangenen nog uit hun voegen, allemaal beschuldigd van deelname aan de genocide. Ze allemaal berechten aan een tempo van een halve dag per persoon zou 200 jaar duren. Reden genoeg voor de regering om terug te grijpen naar de traditionele rechtbanken, de gacaca’s.
De straffen zullen lichter zijn dan bij de klassieke justitie, klagen de overlevenden: ‘Men heeft ons gedood in 1959, 1963, 1973 en 1990, en niemand is daarvoor gestraft. Nu de kans zich voor doet om degenen die ons in 1994 uitgeroeid hebben te straffen, laat men hen er lichtjes vanaf komen.’ Sommige overlevenden ontkennen zelfs de moorden en intimidaties waarvan er belastende getuigen zijn, met het gevaar dat de gacaca’s de wraakgevoelens eerder aanwakkeren in plaats van bij te dragen tot verzoening.
Volgens Leonilla Musengimana van Penal Reform International zullen de gacaca’s niet het resultaat geven dat men verwacht had ‘want ze staan dichter bij de machthebbers dan bij de bevolking. Zolang de regering niet de oorzaken van de genocide aanpakt, zullen de gacaca’s er niet in slagen eenheid en verzoening te brengen. Mensen moeten eerst hun leed kunnen delen, vooraleer ze kunnen meevoelen met het verdriet van een ander.’
Sinds de gacaca’s van start gingen, in juni 2002, zijn er in ijltempo al 250.000 rechters opgeleid, maar velen hebben nog geen enkele uitspraak geveld. De gacaca’s zijn trouwens niet bevoegd om de organisatoren van de genocide te berechten. Die vallen onder de klassieke tribunalen en het internationaal tribunaal in Arusha. Dat heeft nog maar achttien uitspraken gedaan. Dat tergende tempo verklaart gedeeltelijk het ontslag in 2003 van procureur Carla del Ponte.
Rwanda verweet haar vooral onderzoek te hebben willen doen wat ze ook mag volgens haar mandaat naar misdaden van het huidige Rwandese leger tijdens de oorlog van 1994. Haar opvolger zal een beter resultaat moeten tonen, tenminste als Kigali onderzoek op haar territorium toelaat. In afwachting is het onderwerp van geweld door het FPR taboe in Rwanda, net zoals de oorlog die Rwanda gevoerd heeft in Congo.
Officieel was het doel van die oorlog de gevluchte verantwoordelijken van de genocide aan te pakken, maar volgens onderzoeken van de Verenigde Naties waren de werkelijke redenen de natuurlijke rijkdommen van Congo. De westerse geldschieters, die ervan beschuldigd waren dat ze niets hadden ondernomen om de genocide te stoppen, lieten Rwanda begaan en bleven ‘s lands regeringskas spijzen.
Op vier jaar tijd zijn ongeveer 3,5 miljoen Congolezen gestorven, direct of indirect het slachtoffer van de oorlog. Uiteindelijk heeft Rwanda zijn troepen teruggetrokken uit Congo onder druk van de internationale financiële instellingen, maar via netwerken behield het wel een zekere invloed. Vandaag de dag willen de Rwandezen dat hun regering goede relaties aanknoopt met de buurlanden, op basis van een respectvolle samenwerking en niet op basis van militaire dominantie.

Ruimte voor meningen en ideeën


Op binnenlands vlak moet er nog gesleuteld worden aan meer democratie en vrijheid van meningsuiting. De overgangsperiode liep officieel af in 2003, toen na een referendum de nieuwe grondwet werd ingevoerd, gevolgd door parlementaire en presidentiële verkiezingen. Ondertussen is het politieke terrein gemonopoliseerd door de FPR. De politieke repressie was het grootst vóór de verkiezingen: de belangrijkste oppositiepartij werd buiten de wet gesteld, ex-president Pasteur Bizimungu werd gevangen gezet, heel wat vooraanstaande personen vertrokken in ballingschap naar het buitenland of “verdwenen”…
Tijdens de verkiezingen zelf werden heel wat onregelmatigheden gesignaleerd. De westerse geldschieters hebben zich nochtans tevreden uitgelaten over dit bewijs van democratisering. De overdonderende verkiezingsoverwinning voor de sterke man van Rwanda, president Paul Kagame, heeft het geloof in de Rwandese democratie niet verstevigd. In een echte electorale krachtmeting zou Kagame nochtans alle kansen hebben gehad, gezien het indrukwekkende parcours dat Rwanda sinds de genocide heeft afgelegd.
‘Rwanda is geen democratisch land, maar over tien jaar misschien wel,’ nuanceert Robert Sebufirira, hoofdredacteur van Umuseso, momenteel de enige echte onafhankelijke krant. ‘Zelfs al wordt de verkiezingsuitslag in twijfel getrokken, toch is deze verkiezing van het laagste niveau tot de presidentsverkiezingen een bewijs dat we in een democratiseringsproces zitten. En zoals bij elk proces, zijn er hoogtepunten  zoals de terugkeer van de soldaten uit Congo en zijn er gemiste kansen onverklaarbare verdwijningen, willekeurige arrestaties…’
Sebufirira, die zelf ook al werd aangehouden zonder enig bewijs, geeft niet op: ‘Mijn krant is voortdurend onderhevig aan alle soorten druk. Ondanks de nieuwe, liberalere mediawet worden toch nog personeelsleden aangehouden.’
Volgens Florien Ukizemwabo, secretaris van Liprodhor, een van de weinige onafhankelijke ngo’s die de mensenrechten verdedigt, ‘ontplooit het regime defensiestrategieën die niet in verhouding staan tot de werkelijke bedreigingen. We zitten nog gevangen in een stolp van duisternis waarin elke vonk weer een lont van geweld aansteekt. Dat zal pas veranderen als de Rwandese gemeenschap vrijer wordt.’
Rwanda, gebrandmerkt door een geschiedenis van geweld en verdeeldheid, heeft niet alleen nood aan een sterke man, maar ook aan sterke instellingen, plekken waar iedereen vrij zijn mening kan uiten en waar conflicten opgelost worden met dialoog en onderhandelingen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift