Rwanda, een sterke staat

Rwanda is een Afrikaans land met een voluntaristische regering en een functionerend overheidsapparaat. De vraag is alleen of de regering de juiste dingen doet.
  • Fanny Defoort De keuze voor monocultuur gaat direct in tegen de strategie van voedselveiligheid door vele gewassen te verbouwen. Fanny Defoort
Onze chauffeur is een aanhanger van de Rwandese president Paul Kagame, verzekert hij ons. We rijden langs de vele huizen waarop het rode teken is geschilderd dat aangeeft dat de staat heeft beslist dat het moet worden afgebroken en vervangen door een modernere woning. ‘Ik ben daarvoor. Iedereen kan in principe zo’n nieuw huis afbetalen, want de huizen zijn goed gelegen hier langs de grote weg. Kagame zet de mensen zo aan het werk en dat is goed.’
Zelf is hij uit Congo naar Rwanda gekomen omdat hij eruit ziet als een Tutsi, al is zijn moeder Hutu, en zijn vader een Moshi. ‘Zoals ik eruitzie, is het niet veilig in Oost-Congo. Nee, ik ben niet hierheen gekomen omdat je hier meer geld kan verdienen. Het is omgekeerd: in Congo kan je de staat afzetten en zijn er geen regels. Hier moet je belastingen betalen.’ Maar hoezeer hij Kagame ook steunt, hij betreurt wel dat het een dictator is. ‘Niemand kan hem tegenspreken. Als hij beslist dat wagens met het stuur rechts verboden zijn, dan moeten we dat aanvaarden. Dat kost mij pakken geld.’
Het keert voortdurend terug in Rwanda: dit land beschikt over een sterke staat –een hemelsbreed verschil met Congo– en dat heeft voor-, maar ook nadelen. Een beetje zoals in China. Wellicht niet toevallig verwijst Kagame graag naar het Chinese voorbeeld.

Sterke staat


Laten we beginnen met de voordelen. In Rwanda heeft de overheid wel degelijk het monopolie op geweld. Dat zorgt voor grote fysieke veiligheid, niet bepaald een vanzelfsprekendheid in deze regio. De Rwandese regering heeft bovendien een ontwikkelingsvisie en beschikt over de goed werkende administraties om die visie in praktijk te brengen. ‘Dit heb ik in mijn vijftien jaar werk in Afrika nog nooit meegemaakt. Niemand wilde een dagvergoeding om naar deze weeksessie te komen. Bovendien werken we hier tot ’s avonds laat.
Gisteren zijn we pas om middernacht gestopt met werken’, aldus Klaus Grütjen, die namens de Belgische Technische Coöperatie (BTC) een week lang samen met alle betrokken bestuurders van gedachten wisselde over de toekomst van een project van het Belgische Overlevingsfonds in het district Gakenke.
Goed bestuur en een krachtige staat zijn trouwens prominent in de toekomstvisie voor 2020 van de regering. Die wil dat de Rwandese economie in de toekomst op kennis gebaseerd is en geleid wordt door de privésector. De landbouw moet productiever en marktgerichter worden. Concreet wil de regering dat tegen 2020 nog maar de helft van de Rwandezen in de landbouw werkt, in plaats van de huidige 80 procent. Dat is rationeel: de gemiddelde Rwandese boer heeft nu al minder dan 1 hectare ter beschikking, er zijn heel wat landlozen en de bevolking groeit zeer snel. Er moet dus iets gebeuren.
De regering doet ook concrete stappen. Als we in het zuidwesten van het land het dorp Gatare bezoeken, zien we de lokale autoriteiten meststoffen en zaden verkopen voor de helft van de prijs. Toch ontvangt landbouw minder dan 5 procent van de overheidsbegroting; minder dan bijvoorbeeld het hoger onderwijs. Een recent Wereldbankrapport pleit ervoor dat op te trekken tot 10 procent.
De gezondheidszorg is opmerkelijk in die zin dat in 2009 al 85 procent van de Rwandezen over een gezondheidsverzekering beschikt. 1,4 miljoen mensen blijft onverzekerd. Een kritiek is bovendien dat, op de allerarmsten na, arm en rijk evenveel bijdragen aan het systeem: 1,8 dollar per jaar.
Ook ubudehe, een lokaal systeem van armoedebestrijding waarbij elk dorp zélf een collectief project en voor het armste gezin een steunmaatregel ontwikkelt, krijgt veel waardering in binnen- en buitenland, o.a. van de Europese Unie, die er al 26 miljoen euro in pompte.

De griezelige kant


De keerzijde is dat de Rwandese regering bij momenten extreem voluntaristisch te werk gaat. De beslissing dat vanaf 2009 het Engels de bestuurs- en onderwijstaal is, is daarvan een voorbeeld. Wat betekent zo’n beslissing als je leerkrachten het Engels niet machtig zijn? Aan de universiteit van Butare leidde de kwestie al tot spanningen. Een Belg die in Rwanda geboren en getogen is: ‘Ze gaan veel te snel, zonder zich af te vragen of men nog volgt. Neem nu de beslissing om de namen van alle steden te veranderen. Men moet oppassen of er komen problemen van. Intussen is de situatie van de kleine boeren weinig veranderd.’
De beslissing om de traditionele verspreid staande woningen te concentreren in echte dorpskommen, zet veel kwaad bloed en doet denken aan de “systematisering” van wijlen de Roemeense leider Ceauşescu. Een ontwikkelingswerker: ‘Ik maakte een sessie mee waar lokale bestuurders die maatregel verdedigden, maar de toehoorders begonnen steeds luider te protesteren. Toen werd stilte geëist.’
De sleutel ligt, zoals zo vaak in ontwikkelingslanden, in de landbouw. ‘De regering legt een modernisering op die vooral rijke boeren helpt’, zegt An Ansoms van de Universiteit Antwerpen. Zij wijst erop dat de inkomensongelijkheid in Rwanda enorm is toegenomen. De zogenaamde Gini-coëfficient, een maat voor ongelijkheid, steeg van 0,29 in 1985 naar 0,47 in 2001.
Sindsdien nam het cijfer nog toe tot 0,51, wat Rwanda bij de absolute koplopers inzake ongelijkheid brengt. Het rapport van het VN-Ontwikkelingsprogramna (UNDP) van 2007 bevestigde dat. De kloof is er zeker een tussen platteland en stad, en dan met name de hoofdstad Kigali. In de wijk “Merci Congo” zie je kilometers lang gigantische villa’s, terwijl liefst 56 procent van de bevolking onder de armoededrempel van 0,44 dollar per dag zit. Ansoms: ‘In 2000 was dat nog 60 procent, maar door de bevolkingstoename gaat het wel om 600.000 mensen meer.’

Meer monocultuur


Ansoms erkent de verdiensten van de regering, maar stelt dat het landbouwbeleid fout zit. ‘De ministers bedoelen het goed, maar het zijn stedelingen, vaak uit Oeganda, die weinig voeling hebben Rwanda en zijn miljoenen kleine boeren. Ze denken bij modernisering te veel aan Europese landbouw. Zo bereikte de “één-koe-per-gezin”-politiek vooral boeren met voldoende grond om koeien te weiden. Men zou met kleinvee moeten werken.’
Verschillende Belgen in het veld vinden dat Ansoms’ kritiek klopte op het moment van haar onderzoek, maar dat de situatie nu alweer veranderd is. Een Belgische diplomaat wijst erop dat er ondertussen een programma voor kleinveeteelt loopt en dat de Belgische samenwerking begint met het promoten ervan bij boeren met minder dan 25 are.
Ander voorbeeld. De regering wil grotere velden en meer monocultuur: boeren moeten vooral die gewassen verbouwen die in hun regio passen. Op een bepaald moment werden boeren die daarin niet meegingen, bestraft doordat oogsten die tegen de richtlijn in gingen vernietigd werden. De Belgische diplomaat: ‘Dat is nu gestopt, onder andere na kritiek van de donoren. We denken dat de regering gevoeliger wordt voor de ongelijkheid en open staat voor kritiek.’

Nieuwe landwet


Toch blijven er vragen. De keuze voor monocultuur en grotere velden (collectief bewerken van bij elkaar gevoegde particuliere velden) gaat direct in tegen de strategie van voedselveiligheid door vele gewassen te verbouwen – mislukking van één oogst leidt dan niet tot honger. ‘Dat is inderdaad een probleem’, erkent onze Belgische diplomaat. ‘Ik weet niet hoe men de risico’s van die aanpak zal opvangen.’
Ook de nieuwe landwet roept vragen op. Arealen van minder dan 1 hectare mogen niet meer verdeeld worden, maar de meerderheid van de boeren bezit nu eenmaal maar heel weinig land. Vroeger kregen zonen elk een deel. Dat kan nu dus niet meer, maar doorgaans beschikken de gezinsleden niet over de middelen om elkaar uit te kopen. Er is ook geen bovengrens van 50 hectare voor landgoederen, zoals aanvankelijk gepland. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd van grootgrondbezit, waarbij de vroegere eigenaars als dagloners op hun vroegere land moeten gaan werken.
Ansoms gelooft dat Rwanda eruit kan komen als de regering haar steunmaatregelen meer richt op de grote meerderheid van de boeren. ‘Als die een surplus genereren, zullen ze ook banen scheppen buiten de landbouw.’ Te veel rekenen op buitenlandse investeringen om banen buiten de landbouw te scheppen zou kunnen tegenvallen. Rwanda ligt op 3000 km van de zee, een ernstig concurrentienadeel voor alle goederen die je er produceert.

EU-bedreiging


Over één ding zijn onze gesprekspartners het eens: de Rwandese landbouw heeft bescherming nodig tegen buitenlandse invoer en dus zijn de Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s), de vrijhandelsakkoorden die de EU Afrikaanse landen opdringt, voor Rwanda een enorme bedreiging. ‘De EPA’s zullen onze landbouw vernietigen’, vreest Juvenal Musine, secretaris-generaal van boerenvakbond Imbaraga, partner van Broederlijk Delen.
Kan het beleid het leven van Rwanda’s boeren verbeteren? Dat is de uitdaging. Daar raakt de openheid van het regime –we zeggen niet per se verkiezingen– ook aan de kansen op ontwikkeling. De mate waarin de regering openstaat voor kritiek, en via die weg bereid is haar beleid  te verfijnen, bepaalt de kans op slagen. Juvenal Musine maakt zich overigens geen illusies: ‘Met onze 20.000 leden wegen we niet zwaar. We moeten zeker tien keer groter worden.’
Misschien kan de Rwandese regering leren van de wijze waarop China zijn hervormingen doorvoerde: het voortdurend op kleine schaal uittesten van verschillende benaderingen om zo te weten wat het best werkt. ‘De rivier oversteken door te peilen waar ze het best doorwaadbaar is.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur