Saddam kijkt mee

De Irakese bevolking, die al meer dan een decennia
afgesloten is van de rest van de wereld, keert eindelijk terug op het
wereldtoneel. Althans virtueel en ten minste een beetje. In Irak steken de
eerste internetcentra sinds enkele maanden de kop op en dat geeft een paar
gelukkigen de kans om op de hoogte te blijven van wat zich in de rest van de
wereld én in eigen land afspeelt.


Irak telt nu officieel 26 internetcentra. Ze doen aan als een anachronisme
in een land dat door 12 jaar buitenlandse sancties is blijven steken in de
jaren tachtig. Universiteiten die vroeger jaarlijks duizenden publicaties
vanuit de VS en Europa bestelden, slagen er nu amper in om een paar honderd
boeken uit het de Arabische buurlanden te bemachtigen. De meeste Irakese
studenten gebruiken nog handboeken die dateren van voor het embargo. In
ziekenhuizen wordt met hopeloos verouderd materiaal gewerkt. De Irakese
dokters bedelen bij buitenlandse bezoekers om medische magazines zodat ze
ten minste een glimp kunnen opvangen van de vooruitgang in de geneeskunde.

Daar komt de laatste maanden verandering in. Er zijn niet enkel de
internetcentra, waar de verbinding trouwens verrassend snel is dankzij
recent aangelegde optische kabels; meer en meer tref je in kantoren en
huizen ook PC’s van de pentium IV-generatie aan. In theorie is die
buitenlandse hardware illegaal, want computers en toebehoren vallen nog
steeds onder het handelsembargo. De gehate VN-commissie 661 klasseert
hardware onder de categorie ‘goederen voor dubbel gebruik’ omdat ze ook voor
militaire doelen gebruikt kunnen worden.

Gevraagd naar een verklaring zwijgt het Irakese ministerie van Informatie
als vermoord. Iedereen weet het, maar het mag niet officieel worden
toegegeven dat Irak het embargo omzeilt voor ICT-goederen. Dankzij een
aantal handelsakkoorden met de buurlanden slaagt Irak daar nu beter in dan
vroeger. Containers worden niet meer gecheckt aan de buitengrenzen.

Zakenman Hassan Rubaya checkt zijn e-mail in een internetcentrum in de
Saadoun straat, in het centrum van Bagdad. Hij is uitermate tevreden over de
nieuwe ontwikkelingen. Ik kan nu eindelijk mensen contacteren zonder dat
het me een fortuin aan telefoon en faxfacturen kost. Je kan ook weer aan
informatie komen over Irak.

Maar van de Gratis Golf hebben de Irakese internetaanbieders nog niet
gehoord. Een uurtje surfen kost een euro, en dat gaat het petje van de
modale Irakees te boven. Een ambtenaar verdient gemiddeld zes euro per
maand. Een e-mailaccount dien je bij de overheid te kopen voor de
‘democratische’ prijs van 50 euro per jaar. Wettelijk ben je daartoe
verplicht, want gratis e-maildiensten als hotmail zijn verboden. Het kost
nog eens 15 eurocent per verzonden boodschap.

Internet heeft ook een andere prijs: Saddam kijkt mee. Wie thuis een
internetverbinding heeft kan die enkel gebruiken om e-mails te verzenden.
Volgens buitenlandse IT-consultants die we in Bagdad tegen het lijf liepen,
beschikt de regering nog niet over censuursoftware en blokkeert ze daarom
privé-toegang tot het internet.

Surfen op het web dient in het openbaar te gebeuren. In de internetcentra
staan alle computers naar het centrum van de kamer gericht en
regeringsambtenaren ijsberen constant op en neer. Wie betrapt wordt op het
consulteren van gratis e-maildiensten, wordt meteen afgesloten. Maar voor de
Iraki’s is een gecensureerd internet beter dan helemaal geen toegang tot het
wereldwijde web.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift