'Samen met de mensen waken bij de maïs'

‘Liu Sola, een Chinese, en Amina Myers, een zwarte Amerikaanse, stonden op het Sfinksfestival samen op het podium, allebei aan een vleugelpiano. Elk had haar eigen stijl maar het samenspel was nieuw en klonk verrukkelijk mooi. Zoiets zouden we op geloofsvlak ook moeten realiseren: een echte ontmoeting waarin iedereen zichzelf blijft, maar in samenspel iets nieuws creëert dat verrassend mooi is.’ Kathy Stuyck en Bernard Dumoulin denken over missie in beelden. Meer bepaald: in beelden die ze ontlenen aan de werkelijkheid zoals ze beleefd wordt.
Bernard Dumoulin en Kathy Stuyck wonen in Ottenburg, bij Huldenberg. Het dorpje ligt bijna even afgelegen als Salakwim, de indiaanse gemeenschap in Cobán, Guatemala, waar het koppel zeven jaar lang temidden van de Q’eqchi’-indianen leefden. Drie jaar geleden keerden ze terug, om, zoals ze zich voorgenomen hadden, hier recht te maken wat krom is. Maar hun dromen over een menselijke samenleving botsen op onbegrip. En de missie-animatie in Vlaanderen een nieuw elan geven, lukt al evenmin. De weemoed in het hart is groot en het gevoel van gespletenheid wil maar niet wijken. Hoe breng je spiritualiteit en zingeving ter sprake in Europa? Deze vraag beklemt hen thans nog meer dan voor hun vertrek.

‘Spiritualiteit’, zegt Bernard, ‘is geloven dat je rijker wordt door bezig te zijn met de achterkant van het leven en met het verhaal van de ander. Voor ons ligt daar de bron die het leven sprankelend houdt, die ons helpt om beter mens te worden.’ Bernard en Kathy zijn godsdienstwetenschappers die in 1988, na vijf jaar lesgeven, wilden vertrekken naar het Zuiden. Kathy: ‘Onze sterkste motivatie om te vertrekken was de drang om de rijkdom van een andere cultuur van binnenuit te leren kennen. We waren geëngageerd in de wereldwinkel en in Broederlijk Delen. We wisten wel dat de oorzaken van onrecht en uitbuiting in het Westen lagen en dat er dus hiér aan verandering gewerkt moest worden. Maar we wilden ons een periode in een andere cultuur onderdompelen en naar de mensen van ginder luisteren, om vanuit die ervaring ons engagement hier te verdiepen. We wilden vertrekken om terug te keren.’

Het was uiteindelijk een voorstel van de Missionarissen van Scheut om in Guatemala te gaan werken dat hen zuidwaarts stuurde.

Jullie vertrokken als ‘missionarissen’. Waren jullie dat ook?

Bernard aarzelt. ‘Ons werk situeerde zich wel duidelijk binnen de kerk, maar onze taak lag niet op het vlak van de strikte pastoraal. We hadden een specifieke opdracht om in Salakwim aan verzoening te werken. Salakwim was een ‘modeldorp’ geweest van het leger. Negentig procent van de mensen behoorden tot een evangelische sekte, tien procent was katholiek. Allemaal mensen die de militairen gunstig gezind waren: de rest was uitgemoord of op de vlucht geslagen. In Salakwim stopte de weg, daarachter begon het oerwoud, waarin talloze vluchtelingen zich verscholen hielden. In het dorp woonden ook mensen van de zelfverdedigingspatrouilles, die verplicht waren in het oerwoud klopjachten te houden op jongens om het leger te versterken. Wie zich daartegen verzette, werd zelf vermoord. De hoofdcatechist van Salakwim was enkele jaren vóór wij er toekwamen, voor de ogen van zijn vrouw en zijn moeder neergeschoten door de militairen. De katholieke kerk sympathiseerde immers, in de ogen van de militairen, met de guerrillero’s. Dat was de context waarin we terechtkwamen. Onze opdracht bestond erin contact te zoeken met de vluchtelingen in het woud, het isolement te doorbreken en opnieuw communicatie op gang te brengen in die zwaar getraumatiseerde realiteit.’

Hoe pak je zo’n opdracht aan?

Kathy: ‘We vroegen ons dat in het begin ook af, maar de mensen maken dat zelf uit. De indianen hebben een heel duidelijk aanvoelen van de weg die ze te gaan hebben. Zij wisten, veel beter dan wij, met welke elementen we rekening moesten houden.’

Bernard: ‘De informatie die we gekregen hadden over de realiteit waarin we zouden terechtkomen, klopte wel: het socio-politieke kader was correct geschetst. De werkelijkheid was echter veel complexer en veel sterker bepaald door diepgewortelde culturele gegevens dan we vermoedden. We hebben in het begin misschien de fout gemaakt wat te haastig te willen zijn, maar we hebben spoedig ingezien dat we ons door de mensen moesten laten leiden.’

En waar kwam je dan uit?

Kathy: ‘Een voorbeeldje. Er moest op een bepaalde moment een gebouw ingezegend worden. Wij vroegen de mensen of hiervoor geen indiaans ritueel bestond. Neen, dat hadden ze niet, dat bestond niet, was het antwoord. Nochtans hebben de Q’eqchi’s voor nagenoeg alles een ritueel, maar in het prille begin vertrouwden ze ons blijkbaar nog niet. De mensen hebben ons in een eerste periode heel nauwgezet geobserveerd en getaxeerd. Al snel zagen ze, zo vertelden ze ons later, dat we mensen waren ‘met een hart uit één stuk’, niet met een dubbel hart dat huichelachtig en onbetrouwbaar is. Ik denk dat daarin onze eigen Vlaamse aard en cultuur meespeelden. Wij zijn niet zo uitbundig ‘Latijns’, maar eerder, zoals de indianen, teruggetrokken en geneigd vriendschap de tijd te geven om te groeien en te rijpen. Wij hebben geduld en dat sluit goed aan bij de indiaanse manier van zijn.’

Bernard: ‘Het mooiste bewijs van hun vertrouwen in ons was dat ze me na een jaar uitnodigden op één van hun rituelen.’

Jullie gaven geen catechese, geen vormingscursussen.Wat deden jullie wel?

Bernard: ‘Na het eerste jaar stelden de mensen van Salakwim zich ook die vraag: wat komen jullie eigenlijk doen? We moesten als het ware eerst alle clichébeelden van een ontwikkelingshelper of catechist afbreken. We moesten ons voortdurend verantwoorden waarom we die preek niet hielden of die cursus niet gaven of geen geld aanbrachten. Wat we vooral deden, was aanwezig zijn, luisteren, aanvoelen, samen met hen dingen doen. We merkten dat ze blij waren dat wij interesse hadden voor hun manier van leven, voor het zaaien en planten, voor hun ritussen.’

Kathy: ‘Voor hen was dat nieuw: mensen van buitenaf die waardeerden wat zij deden. Die dat groots vonden en dat ook lieten zien. Die waardering stimuleerde hen om daarmee door te gaan. Stilaan nodigden de mensen ons uit om hen te bezoeken, om raad te geven bij problemen in de gemeenschap. Wij zochten dan bijvoorbeeld gespecialiseerde begeleiders om in het Q’eqchi’ cursussen te geven of organiseerden ontmoetingen tussen de gemeenschappen. We waren er eigenlijk om dingen aan elkaar te knopen.’

Bernard: ‘Hoewel de mensen het niet expliciet zo verwoordden, denk ik wel dat ze ook de behoefte hadden om te praten over de trauma’s die ze hadden opgelopen. Ze voelden aan dat er binnen de kerk ruimte was om dat te doen. Wel merkten we dat er een breuk was tussen de catechist en de kerk enerzijds en de gemeenschap anderzijds. De catechist was geen natuurlijke leider van de gemeenschap. Het was altijd iemand die aangezocht was door verantwoordelijken van de kerk: liefst een man, die jong was, kon lezen en schrijven, Spaans sprak en bereid was cursussen op het bisdom te volgen. De kerk waarvoor wij wilden staan, was een kerk die een weerspiegeling is van wat er leeft in zo’n indiaans dorp. Toen ik begreep hoe ver die twee werelden uit elkaar lagen, begon ik gedetailleerd de namen van de ouderlingen te noteren in elke gemeenschap waar ik kwam. Vaak bracht dat mij bij mensen die geen contact meer hadden met de kerk. Op een bepaald moment hebben we al die ouderlingen bijeengebracht in een driedaagse ontmoeting. Dat was een zeer intens gebeuren dat als een lawine gewerkt heeft. Uit die ontmoeting zijn veel andere initiatieven en contacten gegroeid.’

Waar waren die ouderlingen mee bezig?

Bernard: ‘Met de maïs. Met de dingen die essentieel zijn in het leven van de Mayas. Maar ze werkten volledig buiten de kerk. De catechisten hadden -als gevolg van de oorlog- een veel belangrijkere positie verworven dan de ouderlingen. Met hun eigen woord en met het woord van God. De ouderlingen -met hun wierook, kippen, cacao, de nacht en de heilige berg- waren volledig gemarginaliseerd geraakt. Door ons optreden voelden de catechisten zich eerst in de hoek gedrumd, maar uiteindelijk lieten zij zich toch ook uitdagen om hun rol te herdefiniëren.’

Kathy: ‘De kerk was wel sterk sociaal geëngageerd maar verdrong het culturele. De progressieve kerk, net zoals de revolutie, beschouwde het culturele erfgoed van de indianen als een rem op ontwikkeling. Dat is een verkeerde invulling van vooruitgang, geloof ik.’

Speelde geloof voor jullie een rol?

Kathy: ‘De christelijke inspiratie speelde een rol in de mate dat het voor ons de bron was van de waarden waarmee we opgegroeid waren. Het was de grondintuïtie die bij ons de openheid gecreëerd had voor het leven van de mensen met wie we lief en leed deelden. Anderen hebben natuurlijk even goed de ervaring dat iets hen overstijgt. Zij verwoorden dat vanuit hún cultuur. Ik heb mijn eigen cultuur leren waarderen maar tegelijk ook leren relativeren. Het is in elk geval zo dat de indianen ons religieus gemaakt hebben. Zij hebben ons geleerd dat het leven een gebed is. Op gebied van spiritualiteit hebben wij van hen veel geleerd, want die dimensie is bij hen verweven in heel hun leven.’

Bernard: ‘En wij kregen ze van hen mee via de tortilla’s die we opaten.’

Kathy: ‘Een van de zaken waarvoor ze ons dankbaar waren, was om de nachten die we met hen hadden doorgebracht. Omdat we met hen gewaakt en gedanst hadden. Elk Mayaritueel heeft een moment van waken. Waken betekent voor hen intens aanwezig zijn bij iets essentieels. De nacht vóór er maïs geplant wordt, bijvoorbeeld, wordt er gewaakt bij het zaaigoed. De betekenis ervan is dat de mensen zich klein maken, zich overgeven aan het geheel vanuit een diep gevoel van vertrouwen. Dat samen doen met hen heeft een diepe verbondenheid gecreëerd.’

Het jarenlange verblijf van Kathy en Bernard werd afgesloten met een grote verzoeningsritus, waarbij de mensen in het dorp en de vluchtelingen in het woud elkaar opnieuw een toekomst gaven. Op een heilige berg werd één groot kruis opgericht en 12 marmeren, met daarop 916 namen van mensen die door het geweld waren omgebracht, hetzij door de zelfverdedigingspatrouilles en de militairen, hetzij door de guerrillero’s. Al het leed werd uitgesproken en benoemd.

Kathy: ‘Dagen en nachten hebben we geluisterd naar hun verdriet, hebben we namen en verhalen opgetekend. Van mensen wier familie was uitgemoord en van mensen die gedwongen waren te moorden. Na lange voorbereidingen werd dit alles uitgesproken in een groot ritueel. Mensen die bekenden en over hun wroeging spraken. En de anderen die zegden: oké, we hebben het gehoord en aanvaarden jullie vraag om vergiffenis.’

Bernard: ‘De ouderlingen hebben daarin een belangrijke rol gespeeld. Zij hebben de mensen uitgenodigd en georganiseerd om te spreken, vanuit het besef dat er niet gezaaid kan worden op een bodem die verpest is door vijandschap en onderlinge vetes. Die oproep van de ouderlingen vond gehoor en de mensen zijn daarop ingegaan op z’n indiaans: heel diepgaand en recht op het doel af. In een indrukwekkend verzoeningsritueel heeft men het lijden opnieuw onder ogen gezien en ontdekt, in groep, dat er achter de pijn en de dood iets meer is. Er is geen betere uitdrukking van de verrijzenisgedachte.’

Op zo’n cruciaal moment, na zo’n intens proces, zijn jullie teruggekomen. Nooit zin gehad om ginder te blijven?

Bernard schuift de bandopnemer van zich af en zwijgt.

Kathy: ‘Heel veel. Maar het zou een vlucht zijn. We waren vertrokken om terug te keren. Een definitief verblijf ginder, in de indiaanse dorpjes, zou ook de toekomstmogelijkheden van de kinderen erg ingeperkt hebben.’

Bernard: ‘We zijn teruggekeerd omdat we voor onszelf vooropgesteld hadden terug te keren. Omdat we geloofden onze inzet hier te kunnen verdiepen, na een intense ervaring van een andere cultuur. Ik heb echter mijn plaats hier nog niet gevonden. Ik denk heel vaak aan ginder en romantiseer nu het leven daar misschien. Maar ik kijk hier rond en voortdurend, ik kan het niet helpen, vergelijk ik situaties van hier met ginder. En dan vloek ik. Dan vloek ik. Zelfs voor onze kinderen denk ik soms dat we beter ginder waren gebleven. Wat ik hen wil bijbrengen op vlak van menselijkheid, sociaal aanvoelen, respect voor mensen en dingen, had ik veel beter ginder gekund.’

Kathy: ‘We moeten hier voortdurend tegen de stroom in roeien, terwijl die waarden waarin we geloven bij de indianen in het leven ingebakken zijn. Hier zien we voortdurend hoe kinderen moeten presteren en de beste willen zijn. Ik hoor hier dat je je kinderen weerbaar moet maken. Akkoord, maar soms heb ik de indruk dat weerbaarheid verward wordt met egoïsme. Alles draait rond het individu. Iedereen wil uniek zijn en die drang is een bron van onrust. Wat me ook stoort is het gebrek aan tijd om naar elkaar te luisteren. Bijeenkomsten met vrienden en familie zijn vaak zulke gestresseerde, nerveuze en haastige ontmoetingen dat je niet tot een gesprek komt. Echt rust vinden bij elkaar lijkt zeldzaam.’

Bernard: ‘We zijn vertrokken om duidelijker te zien wat er fout was aan de samenleving hier. Ik had nooit gedacht dat het zo’n pijn zou doen. Mensen hebben angst voor de achterkant van het leven. De keerzijde van het succes, de moeilijke momenten, de diepmenselijke aspecten: men vlucht ervan weg. Iedereen wroet en werkt, waarom? Om zich te omringen met allerlei goederen. Maar blijkbaar worden de mensen er niet gelukkiger van. Is dat dan de zin van het leven? We verzekeren ons tegen van alles en nog wat en denken dan dat we ongenaakbaar zijn. Daardoor ontsnapt het leven ons. De indiaan erkent zijn kwetsbaarheid en zijn kleinheid. Maya’s kennen hun plaats in het geheel en durven vertrouwen. Door veel met de dood geconfronteerd te worden, beseffen ze zoveel intenser wat het leven betekent. Eigenlijk draait daar alles om: het diepe besef dat leven en dood samenhoren.’

Jullie zagen wel wat in de vraag van Scheut om hier aan de slag te gaan.

Bernard: ‘We dachten in dat kader de ruimte te vinden om met de verborgen kant van het leven bezig te zijn en mensen te ontmoeten. Ik stel nu vast, na anderhalf jaar onderzoek en contacten, dat niemand hier wakker ligt van de vraag wat missie vandaag betekent. De kerk is volledig gemarginaliseerd geraakt. Er zijn heel wat mensen die met vragen rondlopen, die zoeken naar de zin van het leven, maar de kerk geeft geen antwoord. Ik denk dat ze, als instelling, nog verder moet afbrokkelen opdat er iets nieuws zou kunnen ontstaan. Leven vanuit je wortels betekent nog niet vasthouden aan het verleden. Het betekent eerder vertrouwen en durven loslaten opdat er iets nieuws zou kunnen groeien, iets dat inspeelt op de realiteit van vandaag. Maar ik zie nog geen weg, nog geen tekens van hoop waaraan ik me kan optrekken.De neiging om me terug te trekken op een boerderijtje en te leven van het land is groot, maar dat zou een vlucht zijn. Ik wil in de wind gaan staan, het leven hier opvangen in al zijn hotsen en botsen. Ik zie mijn plaats nog niet en dat maakt me vreselijk onrustig.’

Kathy: ‘De verleiding is soms groot om ergens in te vliegen, om dan de voldoening te ervaren toch iets gedaan te hebben. Een engagement bloedt echter snel dood, wanneer het niet onderbouwd is door een echte keuze. Wanneer het doel en de weg niet duidelijk zijn. De eerste periode in Guatemala was er ook één van wachten en rondkijken. Alleen duurt het zoeken hier veel langer en is het veel moeilijker.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.