Dossier: 

Schooldirecteur Kops: 'Open visie op grote wereld is weg'

Als directeur van het Centrum Leren en Werken in de Technische School Mechelen (TSM) coördineert Dirk Kops de instroom en opvolging van tientallen niet-begeleide minderjarige vluchtelingen. Zelf is Kops adoptievader van Scott Manyo, de Kameroense asielzoeker die vorig jaar dreigde uitgezet te worden. Wat hem opvalt is hoe solidariteit is uitgedoofd in onze samenleving, in tegenstelling tot de gastvrijheid waarmee in de jaren zeventig Chileense vluchtelingen hier werden opgevangen.

  • MO*/Alma Dewalsche Dirk Kops. MO*/Alma Dewalsche

Vijftig  procent van het Centrum Leren en Werken zijn mensen van vreemde origine. Gelegen tussen Brussel en Antwerpen, trekt het Centrum niet-begeleide minderjarigen aan die via de OCMWs de weg naar TSM vinden.

Ik ontmoet Kops vlak voor de start van het nieuwe schooljaar. ‘Onlangs belde  het Vlaams Verbond van het Katholiek Onderwijs me om te melden dat er weer zoveel jongeren zonder papieren tijdens deze zomer opgepakt zijn,’ vertelt Kops. De jongens zijn achttien geworden, hun papieren worden ingetrokken en ze moeten het land uit, hoewel ze ingeburgerd zijn, een job hebben en zich ontwikkeld hebben tot een gegeerde werkkracht.

Kops: ‘Jongeren die hier van hun veertien zijn, die worden begeleid en opgeleid door sociaal assistenten, door leerkrachten en extra taalleerkrachten, die opgenomen worden door families en tewerkstellingsbegeleiders, jongeren die het bijzonder goed doen, die geïntegreerd zijn, wat is daar op tegen om die bij ons in Vlaanderen te houden?’

Kops toont veel empathie voor de jongeren. ‘Ik ben niet naïef: sommigen, misschien de meesten, zullen hun verhaal aandikken om hier te kunnen blijven. Waarschijnlijk zou ik net hetzelfde doen. Je gaat niet zomaar op de vlucht in de wereld. Wat we in de media horen van Syrië of Irak is slechts het topje van de ijsberg. Als je tussen die jongeren leeft, hoor je verhalen die niet in de kranten komen. Ik zou ook vluchten in zo’n omstandigheden.’

Vanwaar zijn de jongeren die hier school lopen afkomstig?

Dirk Kops: Uit alle continenten behalve Zuid-Amerika: uit Afrika, iets minder uit Zuidoost-Azië en vooral uit de ex-Soviet-Unie, de regio rond de Kaspische Zee, Kirgizië en de Balkan. We hebben hier ook heel wat Afghanen en over het algemeen hoor ik maar één reactie van werkgevers: “Meneer, heb je nog zo’n jongens?”. Deze gasten hebben moeten vechten voor hun leven en hard moeten knokken in hun eigen land. Ook op hun vlucht hebben ze nog eens van alles doorgemaakt. Ze waarderen wat ze hier hebben. Wij zijn geen grote school, maar we zijn wel een grootse school, want hier zit heel de wereld bij elkaar.

Hoe voelen deze mensen zich in ons land?

Dirk Kops: De min 18-jarigen voelen zich zeer geborgen, want er kan hen niets gebeuren. Zij zijn voor drie of vier jaar veilig. De moeilijkheid begint wanneer procedures elkaar snel opvolgen. Men heeft asiel aangevraagd, dat is geweigerd en dan begint de stress.

Ik hoor vaak bij Afghaanse jongens, “Meneer, mijn hoofd”. Ik wist aanvankelijk niet wat ze wilden zeggen maar nu begrijp ik het. Het is de onzekerheid: krijg ik een kans, krijg ik geen kans, waar sturen ze me naartoe? Word ik opgepakt?

Voor de huisvesting komen wij vaak tussen om iets te zoeken want als de eigenaar een vreemde naam hoort, is het veel moeilijker. De psychologische benadering van de jongeren is heel belangrijk: hen koesteren, graag zien. Ik heb leerkrachten die fungeren als moederfiguur of vaderfiguur en bijvoorbeeld eens een nieuw kledingstuk kopen. Wij organiseren hier jaarlijks intern een soort winterhulp. Jongeren die ouder zijn dan 18 en er alleen voor staan, verdienen dikwijls wel een centje, 600 tot 700 euro voor wie goed zijn boterham verdient, maar dat gaat grotendeels naar huishuur en voeding. En dan is zo’n steuntje in de rug welkom.

De school is als een oase voor hen. Hoe ervaren ze de wereld buiten de school?

Dirk Kops: Het personeelskorps is hier niet anders dan de mensen op de straat, in de samenleving in het algemeen. Asielzoekers zijn niet meteen een populair thema en er wordt heel vaak in zwart-wit termen over deze mensen gedacht. Ook hier in het Centrum moest die openheid groeien. Heel wat personeelsleden zien nu dat daar schitterende gasten tussen zitten en dat het een meerwaarde kan zijn, ook voor de personeelsleden persoonlijk, om die jongeren te helpen.

Vanwaar dat negatieve beeld?  

Dirk Kops: De media krijgen vaak de schuld maar als journalist draag je de beelden uit van de samenleving rondom jou. Het heeft eerder te maken met het feit dat wij vandaag een ander politiek denken hebben dan in de jaren 60 en 70. Ik ben zelf sinds vele jaren geëngageerd in de derdewereldbeweging. Mijn zus was één van de eersten om een wereldwinkel te openen. In 1973 zijn er heel wat Chilenen naar België gekomen. Zij heeft mee voor opvang gezorgd. Iedereen vond dat toen een fantastisch sympathiek gebaar van België, de Chilenen waren hier zeer welkom. Voor het onthaal van Syrische vluchtelingen zou vandaag die sympathie ver zoek zijn.

Wat is er met onze samenleving gebeurd dat die gewijzigde houding verklaart?

Dirk Kops: Ik zie rondom mij dat men zich is gaan afsluiten van de grote wereld. Mensen hebben het moeilijk om samen te leven met andere culturen, met andere gebruiken, met andere religies.  Binnen de wereldgodsdiensten is er ook een fanatisme ontstaan. De open wereldkerk en de brede solidariteitsbeweging zoals we die nog gekend hebben van de vermoorde aartsbisschop Romero van El Salvador, die open visie is weg. En dan denk ik: wie en wat bepaalt de plek waar wij leven? Waarom zouden wij het zijn die mogen eisen hoe de spelregels in elkaar zitten? Stel dat we nu eens op een andere plaats ter wereld waren gekomen?  

Als historicus denk ik dan: je moet maar de pech hebben om in een periode geboren te worden waar het op dat plaatsje politiek zeer penibel is om te leven. Mijn grootmoeder is in 1875 geboren. Ze heeft de Frans-Duitse spanningsrelaties meegemaakt, de eerste en tweede wereldoorlog. Ze had een boerderij en is telkens alles kwijtgespeeld. Ze is telkens opnieuw moeten beginnen.

Vanuit welk recht ga jij stellen “Ik bepaal met wie ik samenleef en zo zal het zijn”. Je moet maar de pech hebben om op die precaire plaats te leven. Zou jij dan ook niet vluchten? Zou je dan ook niet willen dat mensen je opnemen in hun samenleving? We hebben de ogen gesloten voor de derdewereldproblematiek, ook voor ontwikkelingshulp is er nog maar weinig interesse.

Waar situeert u het keerpunt in de houding ten aanzien van minderheidsgroepen?

Dirk Kops: Er zijn zeker ernstige pogingen tot integratie gebeurd. Het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding heeft eindelijk een aantal organisaties en individuen wakker geschud. Men heeft bepaalde zaken afgedwongen.

Enkel op vrijblijvende basis beweegt er niet veel. Het is spijtig dat je werkgevers moet verplichten om quota te halen. Dat betekent dat de geesten er nog altijd niet rijp voor zijn. Als ik voor de jongeren de telefoon niet neem om voor huisvesting te bemiddelen, krijgen ze lik op stuk: ofwel is de prijs te hoog ofwel worden ze geweerd omwille van de huidskleur.

Er zijn zeker mensen die er zich van bewust zijn dat we in een diverse wereld leven en die daar voor open staan. Maar tegelijk is de verstarring bezig en rukt ze verder op als een sluipend gif. Ik krijg nog altijd de opmerking: hebben jullie niet veel last van de vreemdelingen? Ik word zo moedeloos van dat verhaal en van mensen telkens opnieuw te moeten overtuigen.

Nochtans, de wereld globaliseert, mensen reizen… Vanwaar die angst?

Dirk Kops: Het is contradictorisch. Angst wordt ingeboezemd.  Economische crisis en omgaan met mensen van vreemde origine dat gaat niet goed samen. Dat bewijst de geschiedenis.

Speelt religie daarin een rol?

Dirk Kops: Ook, en dat verwijt ik de religies. Die open houding van de kerken ten opzichte van elkaar, zoals we dat in de jaren zeventig kenden, is verdwenen.  Christenen, kopten, moslims die rond de Middellandse Zee samenleven, krijgen plots problemen om samen te leven.

Ik neem aan dat de Syriëstrijders hier ook voor het nodige debat zorgden?

Dirk Kops: Uiteraard. Ik keur het helemaal niet goed dat die jongens vertrekken, maar zeventig jaar geleden is hier in Mechelen net hetzelfde gebeurd: in de jaren dertig en veertig werd er in de scholen gepredikt om jongeren, gedreven door hun geloof, naar het communisme te sturen. Ze werden opgeruid door extremen. Je kan de wenkbrauwen fronsen, wanneer je hoort dat jongeren in profane of religieuze kringen worden aangespoord om mee de strijd aan te gaan in Syrië. Ik doe dat ook.  En oorlog hoor je sowieso niet te voeren. Het is in alle opzichten af te keuren.

Ervaart u met deze jongeren in deze school de islam als een probleem?

Dirk Kops: Neen, omdat we ons zeer tolerant opstellen, omdat we elkaar respecteren, en omdat we een aantal duidelijke afspraken hebben. Het hoofddoekendebat bijvoorbeeld bestaat hier niet omdat de regels duidelijk zijn: iedereen komt hier binnen zoals ze wil, met of zonder hoofddoek. Maar eens de les begint in het klaslokaal, gaat de hoofddoek af. We hebben daar een algemene afspraak over gemaakt  en die geldt voor studenten en leerkrachten, en dat werkt. Iedereen waardeert deze houding.

Hoe gaan jullie om met het bidden?

Dirk Kops: Dat kan in de school, maar niet tijdens de les of het werk. Als leerlingen tijdens de speeltijd of de  middagpauze willen bidden, kan dat. Maar de school bepaalt het ritme. Ik wil op veel dingen ingaan, maar we zitten hier met meer dan 600 leerlingen en cursisten. Er moet een kader zijn en binnen dat kader moet iedereen kunnen functioneren en aan bod komen. Het is niet omdat het ramadan is dat iemand niet om 5 voor half 9 in de les moet zijn of tijdens de les met zijn hoofd op de bank kan liggen.

Wat ziet u fout lopen op het vlak van beleid in de integratiesector?

Dirk Kops: Ik heb jaren geleden gekozen voor een engagement in de Noord-Zuid beweging 11.11.11. Vandaag stel ik vast dat onder de liberale impuls de sociale bewegingen en de internationale solidariteit zijn afgebrokkeld. Europa is een praatbarak geworden.

Solidariteit en verbondenheid zijn moeilijke begrippen in onze samenleving. Het bestaat nog, maar het wordt niet meer algemeen gedragen en dat heeft een weerslag op de manier waarop we met diversiteit omgaan, terwijl diversiteit niet meer weg te denken is uit onze samenleving.

Wij hebben altijd onze vleugels mogen uitslaan naar alle continenten. Nu er een omgekeerde beweging aan de gang is, mag dat niet. Waar zijn we mee bezig? Op vlak van culturen zijn wij een groot land in beweging. Het is niet meer dan normaal dat mensen bewegen en zich vermengen.

Is het een taak van het beleid om dat samenleven in diversiteit te managen?

Dirk Kops: Het is de taak van alle beleidsmakers en verantwoordelijken, van de werkvloer tot de hoogste politieke kringen. Mensen uit economische kringen, religieuze kringen, onderwijskringen. De taak van mensen van goede wil, want daar gaat het uiteindelijk om: om iedereen kansen te geven.

Hier in de regio hebben we een zeer gekleurde bevolking en voor de komende jaren zullen er nog heel belangrijke prioriteiten moeten gesteld worden. Jongeren, twintigers en dertigers, ondervinden dat ze systematisch worden geweigerd en daarin schuilt een broeihaard van frustratie die wordt doorgegeven aan de tieners die nog een heel traject voor zich hebben. En dus zeggen die: “Ik mag een opleiding volgen, maar dat leidt toch tot niets.” Dat is een nefaste realiteit. Begeleiders moeten meehelpen kansen te creëren, want anders is het logisch  dat die jongeren ook hun vertrouwen niet kunnen schenken aan onze maatschappij. Dan gaat die ook buiten de lijntjes kleuren. Dat heeft een onmiddellijke weerslag. Tewerkstelling is een van de meest gevoelige onderwerpen bij mensen van gelijk welke pluimage. Mensen die zich afgewezen voelen, voelen zich geraakt in de kern van hun bestaan. 

Van jongs af aan zo gemengd mogelijk opvoeden is zeker een troef om zo weinig mogelijk problemen te genereren.  Voor heel wat jeugd en sportorganisaties en scholen liggen hier nog veel mogelijkheden.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift