Schreeuw om aandacht van een loyale ambtenaar

In de praktijk gaat een derde van het geld voor ontwikkelingshulp verloren. Dat betekent in het geval van Nederland 1,6 van de vijf miljard euro, die we jaarlijks daarvoor uittrekken. En dat komt omdat veel te veel donoren zich, los van elkaar, op vaak verschillende en zeer omslachtige manieren met een land of deel daarvan bezighouden.
Aldus de Nederlandse ambassadeur in Bulgarije Karel van Kesteren op het eind van het boek ‘Verloren in wanorde’, waarmee hij onlangs een eenmanskruistocht is begonnen tegen de alsmaar voortdurende chaos in de totale internationale hulpverlening. Let wel, benadrukt Van Kesteren, het gaat hier om vermijdbare verliezen, die losstaan van ‘de verliezen die in zo’n moeilijke bedrijfstak als ontwikkelingssamenwerking bijna altijd optreden’ (p.198).
Van Kesteren heeft een lange staat van dienst als ambtenaar en diplomaat. In 1974, na een studie internationaal recht, werd hij aangenomen op het ministerie van buitenlandse zaken (BZ) en begon een carrière die hem al gauw op het spoor zette van de zogenaamde ontwikkelingslanden en niet veel later ook ‘ontwikkelingssamenwerking’ (p.15). Het boek dat hij bestempelt als memoires, weerspiegelt dan ook vooral hoe de opvattingen over de hulp die hij nu huldigt zijn ontstaan en gegroeid.
‘Veldervaring’ heeft hij met name opgedaan als ‘tweede man’ op de ambassade in Colombia (1984-1988), als Chef de Poste ofwel ‘Tijdelijk Zaakgelastigde’ in Nicaragua (1992-1996) en als ambassadeur  in Tanzania (2005-2009). Tussendoor ontwikkelde hij zich als ambtenaar van groentje in de directie Verenigde Naties binnen BZ  tot een doorgewinterde en gewaardeerde onderhandelaar in internationale conferenties.

Taaie inspanningen


De eerste belangrijke les die hij leerde ten aanzien van de buitenlandse hulp was dat je je niet moet verkijken op op de snelle actie gericht op concrete resultaten en altijd voor ogen moet houden dat het gaat om taaie en langdurige inspanningen, met als hoofddoel dat ontwikkelingslanden zelf hun problemen kunnen aanpakken (p.20).
De tweede les betrof de grillen en het gebrek aan continuïteit in het hulpbeleid van donorlanden  vanwege de veelvuldige wisselingen van regeringen en prioriteiten en de invloed van allerhande  belangengroepen (pp.29 e.v.).
De derde les was de ontdekking dat je de hulp en je hulprelatie kunt inzetten om invloed uit te oefenen op de beleidsmakers van het ontvangende land (pp.83-84).
De vierde les die zich - evenals de vorige - aan hem opdrong in Nicaragua was dat de gebruikelijke  financiering van afzonderlijke projecten maar al te vaak uitloopt op ‘het scheppen van mooie eilandjes die, na vertrek van de donor, worden verzwolgen door de omliggende oceaan van armoede en gebrek aan capaciteit’ (p.88).
In het bijzonder deze vier lessen liggen naar mijn indruk ten grondslag aan de twee stellingen die centraal staan in het boek. In de eerste plaats is dat de stelling dat multilaterale hulp, dat wil zeggen hulp in het kader van internationale instellingen en verdragen, in de plaats dient te komen van bilaterale interventies.
In de tweede plaats dat algemene begrotingssteun - in de zin van ongebonden financiële bijdragen aan de overheidsbegroting - de voorkeur verdient boven de meer traditionele vormen van steun zoals projectfinanciering en investeringen in specifieke sectoren. In beide gevallen hanteert de auteur bij uitstek vermindering van de geldverslindende hulpbureaucratie als  praktisch argument, naast meer principiële zoals het recht van de regering van elk min of meer stabiel ontwikkelingsland zelf een beleid uit te stippelen en de daarvoor nodige keuzes te maken.
Gezien de overtuigende, bijna dwingende, betoogtrant in de beschrijving van een hoogst interessante Werdegang door de wereld van de hulp, waarbij de auteur zeer effectief gebruik maakt van zijn schat aan persoonlijke ervaringen, kwam voor mij het slothoofdstuk met aanbevelingen als een anticlimax. Van Kesteren doet hier namelijk meteen een flinke scheut water bij de wijn en laat zien dat ook hij behept is met vooroordelen en andere zwakheden waar een gewoon mens zich niet voor hoeft te schamen.
Een goed voorbeeld van het eerste is dat hij niet volledig gaat voor een multilateralisering van de hulp - naar zijn idee immers de  meest wenselijke oplossingsrichting (p.204) - maar langs de achterdeur de bilaterale hulp weer binnenhaalt. Daar knoopt hij dan ‘verbetervoorstellen’ aan vast zoals een drastische vermindering van de subsidies voor particuliere hulporganisaties (p.208), die de aandacht van het multilaterale niveau afleiden. Terwijl hij slechts enkele bladzijden eerder nog  uitdrukkelijk heeft herhaald dat de Verklaring van Parijs (2005) - waarin de donorlanden zich ‘verplichtten’ tot meer coördinatie en samenwerking - is stukgelopen op onder meer de onwil en het onbegrip van de hoofdkantoren zoals zijn eigen BZ in Den Haag.
Wat de vooroordelen betreft valt vooral op dat de auteur zich niet wezenlijk onderscheidt van de hulpindustrie, wanneer hij de troef uitspeelt van de filantropie en gewaagt van ‘een teken van beschaving dat welgestelde mensen bijdragen aan de verbetering van de levenssituatie van de minstbedeelden’ (p.210). Platter kan het bijna niet, want vandaar beland je in een oogwenk bij de hulp als rechtvaardiging van de eigen welvaart. Als we zelf niet meer rijk zijn, worden we  ongelukkig en kunnen we  ‘de ander’ ook niet meer helpen!
Dit laatste is typerend voor Van Kesterens gebrekkige visie op de huidige wereldeconomie en de rol daarin van het land dat hij als nederige dienaar vertegenwoordigt (p.136). Het neoliberalisme en zijn vermarkting van alles wat los of vastzit op aarde, de dwangmatige en destructieve aard van ons financieel-economisch systeem, de niets en niemand ontziende internationale concurrentie: dat alles lijkt in zijn boek vanzelfsprekend en onafwendbaar, niet meer dan decorstukken.
Vandaar dat hij met het grootste gemak bijvoorbeeld de Tanzanianen een ‘verouderde kijk op de economie’ in de schoenen schuift en hen met de Nicaraguanen over een kam scheert als ‘bevattelijk voor socialistische ideeën’ vanwege hun afwijkende instelling en denkwijze. Misschien is hij te lang achter elkaar allochtoon geweest en nu zo vervreemd van zijn thuisbasis dat hij niet aanvoelt hoe groot de verwarring en onzekerheid hier inmiddels geworden zijn. 
Het voorgaande neemt niet weg dat Van Kesteren een aanwinst is voor het koor van criticasters, die  zich op de een of andere manier druk maken over de Nederlandse interventies in andere landen en de ontwikkelingshulp in het bijzonder. Hij weet waar hij het over heeft, kent zijn Nederlands nog, kan ingewikkelde dingen goed uitleggen aan een breed publiek en noemt zaken bij de naam, die velen - zeker op zijn niveau in de hulpsector - liever niet willen weten en anderen daardoor niet kunnen weten.
Zijn memoires komen juist dit jaar zeer gelegen. Niet zozeer omdat we een Multatuli-jaar beleven - al ligt de vergelijking met die andere bestuursambtenaar wel voor de hand - maar vooral omdat er al enkele maanden een rapport over de hulp ligt van de hand van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid. Het debat daarover wil maar niet van de grond komen en kan dus best een stevige impuls gebruiken.
Het is natuurlijk altijd mogelijk dat belanghebbenden het boek onderuit halen. De academische beroepsontwikkelaars bijvoorbeeld, die andere landen kennen van haver tot gort maar nauwelijks benul hebben van het land waar ze persoonlijk en in economische zin deel van uitmaken, zouden wel eens kunnen vallen over het feit dat Van Kesteren maling heeft gehad aan hun vereisten ten aanzien van de vermelding van bronnen en de betrouwbaarheid van persoonlijke waarnemingen.
Maar waarschijnlijk laten degenen die zich aangesproken voelen dergelijke acties wel uit hun hoofd. Al was het maar omdat ze op hun vingers kunnen natellen dat de beleidsmakers in Den Haag ook in het stuk voorkomen. Sinds de kritische uitlatingen van de ambassadeur in bijzondere dienst Pieter Marres, in een kranteninterview in mei 2001, hebben ze op de Apenrots de rust weten te bewaren. Nu laten ze zo maar, zonder boe of bah, de gedocumenteerde schreeuw om aandacht van een zittende ambassadeur passeren. Als dat geen teken aan de wand is.
Verloren in wanorde. Dertig jaar ontwikkelingssamenwerking, een persoonlijk relaas door Karel van Kesteren is uitgegeven door KIT Publishers. 978 94 6022 098 2

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift