Slachtoffers Peruaanse burgeroorlog vragen erkenning van hun verlies

Isabel Limancca (44) kan zich het best uitdrukken in Quechua. Maar ze spreekt goed genoeg Spaans om de confrontatie aan te gaan met de Peruaanse staat vanuit dit afgelegen dorp in de zuidelijke Peruaanse hooglanden. Samen met haar buren wil ze de dood van familieleden door politiek geweld onder de aandacht van de nationale Waarheids- en Verzoeningscommissie brengen.
Limancca sloeg de handen in elkaar met anderen die familieleden verloren tijdens de gewapende strijd van de linkse guerrilla van het Lichtend Pad en de Revolutionaire Beweging van Túpac Amaru tegen het leger en paramilitaire milities. De burgeroorlog begon in 1980 en sleepte twintig jaar aan. Samen stichtten ze de Vereniging van Mensen Getroffen door het Politieke Geweld (ASAVIP).

De Peruaanse staat richtte in 2004 in de hoofdstad Lima een commissie op die moet toezien op “vrede, herstelbetalingen en nationale verzoening”. Tot dusver heeft de commissie zich niet nog vertoond in de afgelegen gemeente San José de Secce, in de streek van Ayacucho, om de nabestaanden bij te staan. Dus hebben Limancca en haar medestanders de commissie zelf een lijst gestuurd met 303 namen van slachtoffers van de burgeroorlog.”En we zullen meer namen blijven zenden, tot ze aandacht aan ons schenken”, zegt ze.

De voorzitter van de nationale commissie, Julio Aliaga, gaf aan IPS toe dat ze de afgelegen streek nooit bezocht hebben. “We houden workshops met de regionale overheden om de prioriteiten te bepalen, vooral in de streken waar veel slachtoffers vielen”, zegt hij.

Santillana is zo’n streek. Volgens de Peruaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie werden hier 1.000 mensen vermoord. Aliaga zegt dat 15 miljoen sol (3,5 miljoen euro) zijn voorzien voor herstelbetalingen. Maar hij zegt dat hij niet weet wanneer dat geld verdeeld zal worden, en ook niet aan welke dorpen. Officieel is het conflict sinds zes jaar afgelopen.

Limancca vraagt niet alleen compensatie van de staat. Ze gaat ook van deur tot deur in de afgelegen bergdorpen, op zoek naar nieuwe gevallen, en verzet zich de onverschilligheid van veel mensen uit de streek. “Onze kinderen hebben het recht te weten wat er is gebeurd. Ik heb mijn zoon al alles verteld. Nu moet ik het lichaam van mijn man vinden”, zegt ze.

Op 17 februari 1985 omsingelde het Lichtend Pad het dorp Marccaraccay, dat deel uitmaakt van de gemeente Santillana. Burgemeester Emiliano Cavalcanti zei zijn zwangere vrouw Isabel Limancca dat hij een weg uit het dorp ging zoeken. Maar de guerrilla onderschepte hem. “Zijn lichaam werd nooit gevonden”, zegt Limancca. “Ze hebben me verteld dat hij werd meegenomen hoger in de bergen, vastgebonden aan boom, gemarteld met een mes en dan vermoord. Maar niemand weet waar zijn lichaam is.”

Nog andere dorpelingen troepen samen, ieder wil zijn verhaal doen. Magdalena Figueroa, 66, vertelt over de ontvoering van haar echtgenoot Alcides Bermudo, haar zoon Feliciano Guerra en hun drie kinderen van vier jaar, drie jaar en drie maanden oud. “Ze werden samen met 3 anderen ontvoerd door het Lichtend Pad. Het leger onderschepte hen, maar dacht dat het allemaal guerrillero’s waren en doodde hen allemaal. We hebben hun lichamen nooit gevonden”, zegt Figueroa, in tranen.

Feliciana Quispe, 52, vertelt hoe meer dan 100 guerillero’s vijf leden van haar familie vermoordden op 6 september 1987. Ze doodden ook Saturnino Haurcaya, Paulino Limaquispe, Víctor Potosino, Teodosio Quispe Rimachi, Gregorio Llantoy en Víctor Lunasco”, zegt ze geëmotioneerd.

“Compensatie is weinig waard als de staat ons blijft negeren”, zegt de huidige burgermeester van Santillana, Luciano Velasque, van wie drie ooms werden gedood door de politie. “De armoede hier is even erg, of erger. Het gewapend conflict heeft ons armer gemaakt.”

De Peruaanse staat voorziet een reeks voordelen voor de familieleden van slachtoffers: studiebeurzen, tijdelijke banen en medische en psychologische bijstand. Maar om er beroep op te kunnen doen, moeten de overlevenden de ontvoering of moord op hun familielid bewijzen. Limancca en duizenden andere Peruanen kunnen dat niet, omdat ze geen overlijdenscertificaten hebben, en de guerrilla verbrandde ook vele geboortecertificaten, zodat foto’s soms het enige bewijs vormen dat iemand zelfs maar bestaan heeft.

In slechts 217 van de meer dan 8.000 geregistreerde gevallen van verdwijning werden vervangende certificaten uitgereikt. De procedure is lang en duur, en de familie moet ervoor naar Lima. Bovendien zijn de formulieren in het Spaans, terwijl vele overlevenden alleen Quechua spreken.

Limancca loopt met me mee naar de weg die me naar San José de Secce bracht. Ze zegt: “Er komt niet elke dag iemand ons naar onze vermoorde en verdwenen familie vragen. Neem de namen mee zodat ze niet vergeten worden.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3148   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift