Spelen met planten: plantenveredeling en voedselproductie

Plantenteelt is ongeveer tienduizend jaar geleden ontstaan en met de landbouw deed ook meteen de selectie of het uitkiezen van zaden zijn intrede. Men moest immers zaai-of plantgoed overhouden voor de volgende oogst en daarvoor koos men de nakomelingen van de “beste” planten uit.
Zo werden planten gedomesticeerd. Gedomesticeerde planten hebben andere eigenschappen dan de wilde voorouders. Zij zorgen ervoor dat hun nakomelingen veel kans hebben zich te vestigen: ze produceren veel (kleine) zaden, verspreiden hun zaden en doen dit bij voorkeur op wisselende tijdstippen. Aren van graangewassen breken in stukjes bij de afrijping of peulen van vlinderbloemigen (erwten, bonen, klavers,…) barsten open en de zaden worden weggeslingerd. Wilde zaden hebben vaak ook een kiemrust: ze kiemen niet onmiddellijk want in het afrijpingsseizoen is het vaak droog en warm waardoor kiemplantjes veel kans hebben om te verdrogen. Om dit te vermijden, wachten ze met kiemen tot de omstandigheden gunstiger zijn. Wilde planten zijn zelden uniform: er bestaat binnenin soorten een grote variatie voor een hele reeks kenmerken. Zo’n populatie is gebufferd tegen allerlei slechte omstandigheden: door de variabiliteit zijn er altijd wel enkele exemplaren die overleven en de soort in stand houden.

Verscheidenheid troef


Een hele reeks van deze opgesomde kenmerken zijn echter vervelend in landbouwomstandigheden : aren en peulen die hun zaden niet vasthouden zorgen voor verliezen. Onregelmatig afrijpen maakt dat de oogst niet in één keer kan gebeuren. Zaden die niet snel willen kiemen of dit op onregelmatige tijdstippen doen bemoeilijken de vestiging van het gewas. De eerste landbouwers hebben gaandeweg planten geselecteerd die beter pasten onder cultuuromstandigheden. Meestal gaat het hier om enkelvoudige mutaties: men heeft niets anders gedaan dan variatie opgemerkt en nuttig gebruikt.

Intussen deed ook de natuurlijke selectie haar werk: de specifieke cultuuromstandigheden bevoordeelden die planten die het best gedijden in een bepaald milieu. Omdat bodemvruchtbaarheid en weersomstandigheden sterk varieerden, onstonden talloze varianten van een gewas, de zogenaamde landrassen. Typisch voor landrassen is dat ze goed aangepast zijn aan het milieu waar ze geselecteerd zijn. Bovendien zijn en blijven landrassen genetisch heterogeen waardoor ze behoorlijk gebufferd zijn tegen slechte omstandigheden. Landrassen zorgen dan ook voor redelijk stabiele prestaties waardoor een vorm van oogstzekerheid gewaarborgd is. Men moet echter een prijs betalen voor deze stabiliteit: het opbrengstniveau is vaak niet bijster hoog.

Zolang de gewassen in de nabijheid van hun wilde voorouders groeiden, konden spontane kruisingen gebeuren tussen de cultuurvariante en de wilde voorouders. Op deze wijze bleef er een genenuitwisseling bestaan en bleef de genetische diversiteit groot.

Maar mensen zijn nieuwsgierig. Ongewone zaden, vruchten, planten kregen vaak een bijzondere aandacht en een extra kans. Zo kon de variatie nog uitbreiden. Een typisch voorbeeld hiervan zijn de verschillende kolen: bloemkool, broccoli, spruitkool, witte en rode kool zijn allemaal afkomstig van dezelfde “wilde” ouder.

Met volksverhuizingen gingen planten mee. Die kwamen daarop in een ander milieu terecht en de natuurlijke selectie dreef zulke populaties in een nieuwe richting passend bij de nieuwe omgeving. Onze broodtarwe is afkomstig uit het Midden-Oosten maar nu groeit ze over de hele wereld. In Siberië groeien erg koudetolerante selecties, in India erg droogtetolerante selecties.

De geschetste evolutie hield eeuwen aan en bestaat nog in aantal landen waar de landbouw minder ontwikkeld is dan bij ons. Kenmerkend is de samenhang tussen natuurlijke selectie en de selectie door de land- en/of tuinbouwers zelf. Dit resulteert in oogstzekere gewassen die een stabiele maar niet erg grote oogst opleveren.

Het recht van de sterkste


De selectie die de landbouwers zelf toepasten, de zogenaamde massaselectie, is een vorm van selectie waarbij de keuze van zaden en/of vruchten berust op het uitzicht en de prestaties van de planten die de zaden of vruchten voortbrengen. Dit is de fenotypische selectie (gebaseerd op de ‘verschijningsvorm’ en niet op de genetische samenstelling, het ‘genotype’). Omdat alleen de beste individuen voor selectie in aanmerking komen, spreken we van “positieve selectie”, hier dus van een positieve massaselectie. Massaselectie is uiterst eenvoudig maar vandaag weten we dat ze niet erg efficiënt is en dat de vooruitgang via massaselectie traag is. Ook bij ons komt nog massaselectie op land- en tuinbouwbedrijven voor, zij het eerder zeldzaam. Vooral in een aantal groentegewassen (prei, selder, witloof,..) vinden we nog enkele “telersselecties”, selecties die door de telers gemaakt zijn en in stand worden gehouden.

Gecombineerd met vormen van vegatieve vermeerdering leveren natuurlijke selectie en ook positieve massaselectie uitstekende resultaten. Denk aan een aantal fruitrassen. Een groot deel van wat wij vandaag “oude rassen” noemen en zelfs een deel van onze handelsrassen, is ontstaan uit spontane zaailingen. Appel- of perenzaadjes, ontstaan uit ongecontroleerde kruisbevruchtingen, kiemden en groeiden uit tot een vruchtboom. In uitzonderlijke gevallen trof men een uitstekende boom aan. Vegetatieve vermeerdering (enten, oculeren) heeft ervoor gezorgd dat zulke goede vruchtbomen eeuwenlang doorgegeven zijn.

Kruisen en selecteren


Met de ontdekking van de geslachtelijke vermenigvuldiging en de erfelijkheidsleer komen we in een nieuwe fase. Men gaat doelbewust planten met elkaar kruisen, omdat men vermoedt dat het mogelijk moet zijn goede eigenschappen uit verschillende planten te combineren in een nieuwe variante. De uitslag van het kruisen is niet met zekerheid voorspelbaar. Er ontstaan immer enorm veel nieuwe genetische combinaties. Sommige zijn fenotypisch goed onderscheidbaar, andere niet.

Op het kruisen volgt steeds een selectie: alleen de gewenste exemplaren worden overgehouden en die vormen het basismateriaal waarmee de volgende generatie wordt gemaakt. Vanaf nu hebben we te maken met plantenveredeling in de echte zin van het woord: bewust scheppen van nieuwe combinaties gevolgd door een selectie van de beste combinaties.

Plantenveredeling werkt zoals een accordeon: een variatie wordt uitgerokken en onmiddellijk weer samengedrukt tot een nuttig bruikbare variatie, wat niet bruikbaar is, wordt weggegooid. Zo’n proces moet cyclisch worden herhaald, al was het maar omdat de inhoud van de begrippen “wat bruikbaar is”, wat “best” is, mee evolueert met de maatschappelijke noden en eigenheden.

Om eigenschappen te combineren, moeten ze er natuurlijk eerst zijn. Of anders gezegd: genetische variatie is de hoeksteen van de plantenveredeling. Als er geen genetische variatie is, valt er niets te combineren en kunnen er geen “veredelde planten” gemaakt worden. De zorg voor genetische diversiteit vindt hier zijn oorsprong.

Klonen


Een even belangrijke fase in de plantenveredeling is de volgende. Als men erin slaagt een goede combinatie te vinden, dan wil men ze ook houden. En dat is verre van evident. Voor planten die zich ongeslachtelijk vermeerderen is dit geen probleem want via ongeslachtelijke of vegetatieve vermeerdering wordt het goede genotype (de specifieke combinatie van genen) onveranderd doorgegeven. Via vegetatieve vermeerdering maakt men klonen: kopies van het origineel. Een aantal gewassen doet dit spontaan, zoals aardappelen en bolgewassen. Voor een reeks andere gewassen heeft de mens een uitweg gevonden, zoals het enten en oculeren in de fruitteelt.

De meeste gewassen planten zich echter geslachtelijk voort, via zaden. Kruisbestuivers (denk aan grassen en maïs als voorbeeld van windbestuivers en koolzaad als voorbeeld van insectenbestuivers) ondergaan na elke geslachtelijke voortplanting een herschikking van hun genetisch materiaal omdat elke plant een andere nodig heeft om zich te kunnen voortplanten. M.a.w. men kan de genetische combinatie van het zo fel gezochte exemplaar niet vasthouden en raakt de gezochte genencombinatie onverbiddelijk weer kwijt. De genen zelf verdwijnen uiteraard niet, ze zitten in velerlei combinaties verstopt in de populatie.

Zelfbestuivers hebben niemand anders nodig om zich voort te planten en evolueren naar een toestand van genetische stabiliteit: na een aantal generaties zelfbestuiving is hun erfelijk materiaal gefixeerd en wordt het ook via geslachtelijke voortplanting onveranderd doorgegeven aan de volgende generaties : zelfbestuivers noemen we zaadvast.

Stamselectie


Begin 19e eeuw ontdekte Vilmorin in Frankrijk een methode om meer greep te krijgen op de gewenste genetische combinaties bij kruisbestuivers: hij vond de stamselectie uit. Bij stamselectie oogst men zaden van een aantal fenotypisch gemerkte planten en houdt men die zaden apart. Het volgend jaar staan op het veld evenveel individuele nakomelingsschappen, bijvoorbeeld in gescheiden rijtjes of veldjes. Er volgt een selectie van de beste rijtjes en binnenin de rijtjes een selectie van de beste planten. Alleen de geselecteerde planten mogen nakomelingen produceren. En dan begint het proces van uitkiezen opnieuw. Zo beperkt men ongewenste bestuiving en krijgt men inderdaad meer greep op genencombinaties.

Het is duidelijk dat stamselectie omslachtiger is dan massaselectie: men moet over alle generaties heen veel registreren, noteren en meten. Er is behoefte aan een goede organisatie en een permanente opvolging en waakzaamheid, een werk dat de mogelijkheden van veel land- en tuinbouwbedrijven overstijgt. In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden dan ook veredelingsbedrijven in vele Europese landen: Frankrijk, Denemarken, Zweden, Duitsland en Nederland waren er vroeg bij. Aansluitend ontstond een een groeiende zaadhandel, met vaak toen al Europese dimensies. Vlaszaad uit de Baltische Staten bijvoorbeeld genoot groot aanzien.

In België is er nooit veel privé-initiatief geweest op gebied van plantenveredeling.

De veredelingsindustrie


De plantenveredeling begon zich te verwijderen van de productie-landbouw.

Aanvankelijk waren er nog duidelijke banden. In Frankrijk en Denemarken richtten coöperaties van boeren veredelingsbedrijven op, bedrijven die werkten in functie van zijn boeren en waarvan de boeren de beheerders waren. Het Franse Limagrain en het Deense DLF zijn zo ontstaan, veredelingsbedrijven die tot op vandaag een coöperatieve basis hebben en volledig werken in functie van hun coöperanten.

Daarnaast ontstonden er individuele bedrijfjes en bedrijven. Boeren begonnen met een zaadhandel, aanvankelijk gecombineerd met het land- of tuinbouwbedrijf maar zodra duidelijk werd dat met handel meer te verdienen viel dan met gewassen produceren (of dat handel gewoon spannender was), evolueerde zo’n bedrijf naar een zaadhandel en werd de landbouwactiviteit afgestoten. Zodra duidelijk werd dat handel drijven des te winstgevender was naarmate men een exclusief product (lees plantenras) kon verhandelen, deden nogal wat bedrijven een poging om eigen rassen te ontwikkelen. Ze stapten meteen in de veredeling en combineerden veredeling met handel. Van enige landbouwactiviteit was dan al lang geen sprake meer.

Plantensoorten als staatsbelang


Ook overheden werden actief tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw. Men zag in dat plantenveredeling een belangrijk instrument was om de voedselproductie te verbeteren en te verzekeren en men vond dat zo’n strategisch belangrijke zaak van staatsbelang was. Bovendien kwam via de zaadhandel nogal eens zaad op de bedrijven dat niet altijd van de beste kwaliteit was. Daarom richtte men van overheidswege de keuringsdiensten om erop toe te zien dat alleen goed zaad in de handel komt.

In België richtte de overheid twee belangrijke veredelingsstations op, één in elk landsgedeelte. In Gembloux specialiseerde het station zich in graangewassen en boekte grote successen. In Vlaanderen werd in 1932 het Rijksstation voor Plantenveredeling opgericht dat zich toelegde op voedergewassen. Dit Station werd wereldvermaard met zijn grassen- en klaververedeling.

In landen waar ook veel privébedrijven zich inlieten met veredeling, ontstonden overheidsstations die “halffabrikaten” produceerden. Men spitste zich toe op het intensief benutten van genetische variatie om prangende problemen op te lossen. Voor resistenties tegen ziekten bijvoorbeeld zijn nogal wat goede genen te vinden in verwante soorten of in de wilde voorouders van onze cultuurplanten. Het is een groot en langdurig werk om de gewenste genen in te kruisen in de cultuurplanten en de ongewenste donorgenen weer overboord te gooien. Veredelingsstations deden dit voorbereidende werk en leverden het halffabrikaat af aan privé-bedrijven die het proces finaliseerden.

Intussen bleven een aantal boeren en tuinders verder selecteren voor eigen beheer: men hield goede populaties in stand, produceerde zaaizaad voor eigen gebruik of verkocht wat in de onmiddellijke nabijheid. Maar naarmate meer goede rassen ter beschikking kwamen, verlieten meer en meer landbouwbedrijven de selectie.

Het eigendomsrecht


Hoe meer de zaadhandel uitbreiding nam, hoe meer het probleem van het eigendomsrecht zich stelde. Plantenveredeling duurt lang (minstens 10 jaar om een nieuw ras te maken) en is risicovol omdat men het resultaat van zijn werk absoluut niet kan voorspellen. Zaad produceren is een activiteit die van het weer afhankelijk is, waardoor grote schommelingen mogelijk zijn. Daardoor is dan weer het aanbod erg wisselend met dito gevolgen voor de prijsvorming. Daar komt bij dat, zeker bij de zaadvaste zelfbestuivers, het gebruiken van zaaizaad uit de eigen oogst een veel voorkomend fenomeen was. Zaadhandelaars en veredelingsbedrijven zien dit niet graag gebeuren omdat hun omzet daalt en er dus minder geld vrij komt voor onderzoek en ontwikkeling. ‘De vooruitgang stokt’, zo luidt de redenering. ‘Niemand die daar belang bij heeft’.

Nog tijdens het interbellum werden pogingen aangewend om een eigendomsrecht voor plantenrassen te bekomen. In 1961 werd de eerste UPOV-conventie afgesloten en die zorgde opnieuw voor grondige wijzigingen in het landschap van de plantenveredeling. UPOV is een letterwoord en staat voor Union pour la Protection des Obtentions Végétales. Met deze conventie werd van rechtswege een eerste internationale vorm gegeven aan een bescherming van plantenrassen. De meeste West-Europese landen sloten aan en gaandeweg werd de Unie uitgebreid zowel inhoudelijk als wat het aantal aangesloten landen betreft. Door die juridische bescherming ontwikkelden privéveredelingsbedrijven een grotere activiteit dan voorheen en ontstonden er veel nieuwe rassen in een snel tempo.

Het wonder der hybriden


Maar we keren even een paar decennia terug in de geschiedenis, en met name naar de Verenigde Staten van Amerika, waar tijdens het interbellum de maïshybriden echt furore maakten.

Maïs is een kruisbestuiver die, zoals hierboven geschetst, kan veredeld worden via massaselectie of via stamselectie. Men ontdekte echter einde vorige eeuw, begin deze eeuw, dat maïs ook kan zelfbestoven worden en dat daaruit inteeltlijnen ontstaan die veel in groeikracht verloren. Het kruisen van die fel verzwakte inteeltlijnen leidde in een aantal gevallen tot nakomelingen met uitzonderlijke prestaties: het befaamde heterosis effect.

Hybriden hebben een aantal bijkomende eigenschappen. Ze zijn uniform en uniformiteit heeft in onze gespecialiseerde landbouw (en maatschappij) grote voordelen: de mechanisatie is makkelijker want de planten hebben allemaal dezelfde afmetingen en vorm; het afrijpen gebeurt in een korte periode. Ook verpakken en verhandelen gaat beter want het product is éénvormig. Die uniformiteit is alleen in de eerste (de F1) generatie aanwezig. Een generatie verder (de F2) gebeurt er weer een genetische uitsplitsing en deze generatie wordt weer even variabel als de beginpopulatie: weg uniformiteit, weg het heterosiseffect. Hoera voor de zaadwereld want nabouw van eigen zaaizaad ligt niet meer voor de hand, integendeel: wie maximaal wil profiteren van de voordelen van hybriden moet elk jaar nieuw zaaizaad kopen. Meteen hebben hybriden een “natuurlijk beschermingssysteem” in zich.

Lang niet elke combinatie van inteeltlijnen levert een goede hybride, het zijn uitzonderingen die goed scoren. Het vinden van de goede combinaties is een hele karwei die veel tijd, geld, land en menselijke organisatie vraagt en niet meer geschikt is voor een doorsnee boerenbedrijf.

Intussen heeft de plantenveredeling zijn best gedaan om van vele kruisbestuivers hybride rassen te maken omwille van de intrinsieke landbouwkundige voordelen en omwille van het intrinsiek beschermingssysteem. Voor veel gewassen betekende dit het einde van een veredelingsvorm onder openbloeiende vorm, zeg maar massaselectie en/of stamselectie.

Kort maar krachtig


In een aantal graangewassen ontdekte men een dwerggen, een gen dat ervoor zorgt dat de planten kort blijven. Korte planten blijven gewoonlijk beter recht staan in weer en wind. Als de planten steviger worden, kunnen ze ook meer stikstof verdragen en veel stikstof betekent een grotere opbrengst. Lange planten gaan tenonder aan veel stikstofmeststof want ze worden slapper en vallen om als het veel waait en regent, wat ten koste van de opbrengst gebeurt. Men heeft het dwerggen ingekruist in de voornaamste graangewassen, wat leidde tot grote opbrengstverhogingen in combinatie met een verhoogd gebruik van meststoffen en biociden. Korte gewassen blijken echter gevoeliger voor meer schimmelziekten in de aren, waardoor meer fungiciden nodig zijn.

Vooral in de ontwikkelingslanden maakten deze rassen grote opgang en verdrongen op veel plaatsen de minder productieve landrassen. Een deel van deze landrassen verdween voorgoed, een ander deel werd gered en worddt in genenbanken bewaard.

De (brood)vermenigvuldiging


Dankzij de moderne rassen lopen wellicht enkele honderden miljoenen mensen rond die er anders nooit zouden zijn geweest. De landbouw van na wereldoorlog II heeft dankbaar gebruik gemaakt van de realisaties van de plantenveredeling en gezorgd voor een grote voedselproductie. Verschillende studies tonen aan dat ongeveer de helft van de opbrenststijgingen in onze gewassen te danken is aan de plantenveredeling. De andere helft staat op naam van een betere teeltmethode. Men vermoedt dat gedurende de jongste decennia, de gewasopbrengsten met zowat één procent per jaar toenamen door de plantenveredeling. Er zijn uiteraard verschillen volgens de gewassen: bij intensief veredelde gewassen kan die meeropbrengst zelfs iets meer zijn, bij minder intensief veredelde gewassen is dit duidelijk minder.

Veredeld maar arm


Uiteraard zijn er schaduwkanten. Moderne rassen zijn vaak genetisch erg uniform opgebouwd. Ook zijn de verschillen in genetische opbouw tussen rassen vaak niet erg groot, wat wil zeggen dat ze nogal veel op elkaar gelijken. Daar zijn verschillende redenen voor.

De eerste is deze. Het UPOV-verdrag stelt dat rassen juridisch beschermd kunnen worden door het kwekersrecht als ze aan een aantal voorwaarden voldoen. Om een ras te kunnen beschermen moet het een identiteit hebben en zonder een minimum aan uniformiteit kun je niets identificeren. Voor zelfbestuivers is dit geen probleem, voor kruisbestuivers betekent dit dat de interne variatie vernauwd moet worden, in functie van de bescherming. Rassen moeten ook van elkaar onderscheidbaar zijn maar de regels zeggen dat onderscheidbaarheid in één kenmerk volstaat. Er is dus nogal wat ruimte voor wat men “cosmetische rassen” noemt: rassen die in één kenmerk (één onooglijk zichtbaar detail volstaat) van elkaar verschillen maar qua body op elkaar gelijken. Een andere bloemkleur volstaat, zelfs een andere kleur van de helmknoppen is genoeg. Die cosmetische rassen komen er omdat een goed ras gretig door andere veredelaars gebruikt wordt in hun veredelingsprogramma. Dit gebruik is volkomen legaal en leidt in veel gevallen sneller tot succes dan een eigen moeizame opbouw uit compleet nieuw materiaal.

Een andere reden is het gegeven dat plantenveredelingsbedrijven houden van “grote rassen”, rassen met een groot verspreidingsgebied. Voor een groot aantal streken telkens een apart ras ontwikkelen en in stand houden kost veel geld. Men zoekt rassen die “overal” goed presteren, wat inhoudt dat de genetische diversiteit vermindert.

De risico’s van het vak


Genetische uniformiteit leidt tot risico’s. Als een ziekte toeslaat, is vaak een heel gebied getroffen. Als een plaag resistent wordt tegen een bestrijdingsmiddel, werkt dat middel al gauw nergens meer. Daarom is resistentieveredeling zo belangrijk geworden. Plantenveredeling is voortdurend op zoek naar nieuwe genen om gewassen resistent te maken tegen ziekten en plagen, maar de ziekten en plagen worden even snel resistent omdat de resistentiedruk zo groot is. Resistentiedruk betekent het volgende. Wanneer een gewas resistent is tegen een schimmel, krijgt de schimmel geen kans om het te infecteren. Hij kan zich niet voortplanten en sterft. Net zoals andere organismen, ondergaan schimmels echter, met kleine frequenties, genetische mutaties en kunnen daardoor bijvoorbeeld het gewas wel infecteren.
Als in een gebied quasi alle waardplanten (de planten waarop de schimmel woekert) genetisch identiek zijn, kunnen er veel meer mutanten ontstaan en zich ook nog voortplanten. De volgende jaren is het nieuwe schimmelras dan steeds nadrukkelijker aanwezig en rassen die aanvankelijk resistent waren, worden nu overal ziek. Omgekeerd, wanneer er veel genetische verschillen zijn tussen rassen van de waardplant, heeft de schimmel het moeilijk om zich te verspreiden en is het aantal mutanten veel kleiner. De resistentiedruk neemt toe naarmate de uniformiteit van de gewassen toeneemt. Zolang we niet afstappen van genetische uniformiteit in onze gewassen, zijn veel inspanningen van de plantenveredeling niets anders dan uitdagingen aan het adres van ziekten en plagen: we hebben geluk als we ze een stapje voor kunnen blijven maar onze voorsprong is nooit groot en niet duurzaam.

Rond 1980 was plantenveredeling geëvolueerd naar een goed georganiseerde activiteit. Met de hulp van proefveldmechanisatie, statistiek, informatica en betere methoden om zaden te bewaren, kon men grote aantallen kruisingen uitvoeren en de evaluatie van de nakomelingen verwerken.

Er zijn nog enkele landbouwers actief als hobby-veredelaar. Ze kruisen en selecteren en doen enkele elementaire waarnemingen. Vermoedt men dat een selectieproduct beloftevol is, dan contacteert men een beroepsveredelaar in een bedrijf: hij finaliseert het ras. In Nederland zijn een aantal aardappeltelers actief als veredelaar. Onder contractvoorwaarden met professionele veredelingsbedrijven, voeren ze bovenvermelde activiteiten uit. In Frankrijk zijn nog enkele graanboeren actief als “sélectionneur”.

De biotechnologie slaat toe


Twee voorname ontwikkelingen kwamen de rust weer verstoren.

In heel wat Europese landen trok de overheid zich terug uit de plantenveredeling. Stations verdwenen of werden satellieten van private bedrijven. Deze evolutie betekende meteen het einde van de “halfproducten”, zoals hierboven geschetst. Omdat hun voortbestaan niet noodzakelijk afhing van het grootste commercieel gewin, werkten overheidsbedrijven vaak nog aan gewassen die niet meteen tot de “grootste gewassen” behoorden. Het wegvallen van veredelingsactiviteiten onder de hoede van de overheid betekende meteen het einde van de veredeling in een aantal kleine gewassen, waardoor de gewassen zelf nog meer op de achtergrond raakten: nog een knauw in de diversiteit.
Toen kwam de biotechnologie. Transformatietechnieken lieten toe om vreemde genen in planten te brengen. Meteen waren de verwachtingen hoog gespannen. Inplanting van vreemde genen betekent immers dat er “geen grenzen meer zijn tussen soorten”: men verplaatst genen van de ene plantensoort naar de andere, of zelfs vanuit andere organismen naar planten. Een revolutie in de plantenveredeling diende zich aan. Algauw had men het over de oude veredeling, de klassieke veredeling, de conventionele veredeling versus de biotechnologie.

Kosten-baten


We weten intussen dat de verwachtingen wat getemperd zijn. De biotechnologie is een hulpmiddel geworden binnen de plantenveredeling. Slechts enkele voorbeelden. Naast de transformaties, is de techniek van de merkergenen ontwikkeld. Via deze merkergenen kan men kenmerken traceren zonder dat ze fenotypisch tot uiting moeten komen. Daardoor kan het introduceren van genen uit wilde voorouders bijvoorbeeld bijzonder efficiënt verlopen. Veredelingsprogramma’s kunnen ingekort worden waardoor nieuwe rassen sneller tot stand komen. Hoe groter de genetische afstand tussen inteeltlijnen die dienen voor het maken van hybriden, hoe groter de kans op een succesvolle hybride. Met merkers kan men die afstand meten en daardoor gerichter te werk gaan bij het maken van kruisingen. Bovendien kunnen merkers genetische verschillen tussen rassen aanduiden. Biotechnologie kan het veredelen van planten versterken.

Biotechnologie is duur en eist een groot kennisniveau. Kleine bedrijven kunnen dat niet opbrengen. Er is dan ook een golf van overnames op gang gekomen. Bedrijven worden almaar groter. Men wil per sé de nuttige genen hebben en de methoden om ze gericht te gebruiken. Eigendomsrechten worden heel belangrijk en straks kan niemand nog bewegen zonder schatplichtig te zijn aan een concurrent. Wie het zich kan permitteren, koopt de concurrent. Los van de commerciële en ethische aspecten, is het een belangrijk gegeven dat een fusie veelal het samenvoegen of schrappen van veredelingsprogramma’s betekent. De diversiteit tussen en binnen gewassen was al erg geslonken, nu slinkt ook de diversiteit tussen veredelaars en dat valt te betreuren. De uiteenlopende visies van verschillende veredelaars hebben in het verleden gezorgd voor verrassende ontwikkelingen. Misschien moeten we een bank voor veredelaars oprichten, naar analogie met genenbanken.

Maar alweer zijn er veranderingen op til.

Een nieuwe dynamiek vanuit de biologische landbouw


Door de problemen met de gangbare landbouw, is de aandacht voor andere vormen van landbouw toegenomen. De geïntegreerde landbouw tracht vanuit de gangbare landbouw zoveel mogelijk fouten te corrigeren en introduceert een aantal ecologisch belangrijke gedachten. De biologische landbouw gaat een stap verder en wenst een compleet nieuw handelingskader. Deze ontwikkelingen hebben hun impact op de plantenveredeling omdat plantenveredeling altijd in functie van de land- en tuinbouwpraktijken staat. Veranderingen in die praktijken creëren de behoefte aan andere gewassen.
Vooral in de biologische landbouw is de vraag naar aangepaste rassen groot. Het aanbod is bijna onbestaande. Daarom komt er nu een beweging op gang die aandacht heeft voor plantenveredeling voor de biologische landbouw. Typerend is de gedachte van een (gedeeltelijke) decentralisatie van de veredelingsactiviteiten. Biologische landbouwbedrijven zijn namelijk veel diverser dan de gangbare bedrijven die vaak uniforme teeltmethoden toepassen. Niet zo in de biologische landbouw. Hier komt de boer weer op de voorgrond: minstens de selectie zou op boerenbedrijven in de specifieke teelt- en bedrijfsomstandigheden kunnen gebeuren, al of niet gecoördineerd door veredelingsbedrijven.
Deze materie is bijzonder boeiend en we gaan beslist spannende tijden tegemoet met een hele reeks nieuwe vragen. Hoe moet men zo’n decentralisatieproces, gekoppeld aan participatie van boeren, blijvend coördineren en sturen ? Wie moet dat doen? Is zo’n constructie commercieel levenskrachtig? Hoe kan het samengaan tussen planten veredelen en planten telen overeind blijven? Wat gebeurt er met eigendomsrechten? Krijgen niet-uniforme rassen nu een grotere kans? Neemt de diversiteit echt toe? Afspraak over vijf jaar voor enkele antwoorden.

Professor Reheul is hoofddocent van de Vakgroep Plantaardige Productie aan de universiteit van Gent

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift